is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1890, no 1, 1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIE HEEFT GELIJK?

Nu nog iets over de bewerking en bemesting van den grond. Door twee of vier maal, kort na elkander ploegen en eggen wordt de vruchtbaarheid van den grond achteruit gebracht. ° Men ploegt het land arm, arm aan humus, arm aan stikstof; men ploegt het land dood. De organische bestanddeelen van den grond worden bij herhaling aan de onmiddellijke werking van zon en lucht blootgesteld, vergruizen, ontbinden en de daarbij gevormde ammoniak vervluchtigt m de dampkringslucht De humusbestanddeelen verdrogen en vergaan en er blijft een doode aarde over. De wortelonkruiden worden verdeeld en bij regenachtig weer zelfs vermeerderd inden grond verspreid, De zaadonkruiden ontkiemen, doch men geeft hen geen tijd om zich goed te ontwikkelen. Het ontkiemde zaad is tegen een gedurig omploegen bestand , het wordt door veel ploegen niet vernietigd. Men ploegt en egt het land fijn, de oppervlakte wordt effen en slaat bij regenachtig weer dicht; wind en weer kunnen er geen vat op krijgen, sneeuw wordt er door den wind overgejaagd en vult gruppels en sloten. In één woord, het doel wordt niet bereikt de grond wordt er niet vruchtbaar door, men werkt achteruit. En nu de bemesting met stalmest. Dat de mest bestemd voor tarweland tot Augustus ineen doelmatige mestput, en met gips vermengd, bewaard wordt, is goed, daar valt niets tegen in te brengen. Maar: geheel anders is het met den mest die bestemd is voor het land, waarop in het volgende jaar mangel- of bietwortelen verbouwd zullen worden Het verrotten van zulke mest heeft hoofdzakelijk plaats boven den grond, inden mestput, en de laatste periode ineen rusteloos onder en boven ploegen en eggen, zoodat gedurig andere deelen aan eene directe werking van zon en wind worden blootgesteld. Vaneen krachtig rottingsproces inden grond, die eigenaardige chemische werking waardoor de grond zoo bij uitnemendheid vruchtbaar \voidt („gaar zeggen de Duitschers) kan dus geen sprake zijn, en een der belangrijkste goede eigenschappen van den stalmest gaat verloren. Ongeveer Mei is uw mest inden mestput gemiddeld drie maanden oud; nu verloopt er nog een vol jaar vóór dat het zaad van mano-elol bietwortelen m den grond wordt gebracht; de mest is dan reeds lo maanden oud. Hoeveel is er nu van de waarde van dien mest verloren gegaan ? Inden mestput, hoe goed ook bewaard, verliest de mest in waarde, en inden grond, door al dat ploegen en eggen is er een groot gedeelte van die dure stikstofmest inde dampkring verdwenen. AI dat onder en boven ploegen en eggen van bemest land is niet alleen onnut werk, dat veel kost, maar zelfs zeer nadeelig voor e vruchtbaarheid van den grond. Het verrottingsproces van stalmest moet inden grond plaats hebben. ~.|ln j06!16 £oe(1 ‘"gerichte boerderij moet de mestput in twee geyke deelen worden verdeeld. De mest van November tot en met Januari moet gebruikt worden voor zomergewassen, die van Feruan tot en met Mei, voor wintergewassen. Heeft men nu van One maanden mest inden put, dan is de onderste mest ± 3 maanien en de bovenste 3 dagen. Dus geen gelijkhaltige mest. I*

3