is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1890, no 1, 1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DB BDXDERHORZEL.

te vaak met de insgelijks tot de tweevlougeligen behoorende dazen (1) worden verward. Wanneer men hoort beweren, dat de horzels vliegen zijn, die mensch en dier steken, dan kan men zeker zijn, dat deze vergissing plaatsgrijpt; want de horzels steken niet, de dazen wèl. De dazen hebben een krachtig gebouwd lichaam, een’ grooten, vooral breeden, kop en een plat achterlijf. De veedazen (Tabanus L.) behooren tot de groote, de goudoogdazen (Chrysops Meigen) en de regendazen (Haematopota Meigen) tot de middelmatig groote vliegen, ’t Zijn alle zeer levendige dieren, die brommend over weiden en wegen heen zweven, nu en dan inde lucht blijven stilstaan en vervolgens ineens met een’ ruk op zij gaan. Zij zijn bij warm , broeiend weder het meest inde weer en men beweert dat zij vooral lastig zijn, als onweer op handen is. De wijfjes hebben sterk ontwikkelde, spits eindigende monddeelen, die gezamenlijk eenen zuigsnuit vormen, waarmee zij flink kunnen steken, en dien zij dan ook gebruiken om mensch en vee bloed af te zuigen. De mannelijke dazen hebben dergelijke monddeelen, maar zeer in ’t klein: monddeelen, die wèl geschikt zijn om plantensappen op te zuigen, bijv. sappen uit vruchten of uit de boomen vloeiende vochtdroppels, maar voor het doorboren van de huid niet deugen. Dat de wijfjes bloed zuigen, terwijl de mannetjes zich met weinig voedzame plantensappen tevreden stellen, heeft een goede reden, ’t Is deze: de mannetjes sterven spoedig na de paring, terwijl de wijfjes nog een’ tijd lang inleven blijven, gedurende welken tijd zich de eieren in haar lichaam verder ontwikkelen, zoodat deze geschikt worden om te worden gelegd. De wijfjesdazen zijn dus lastig voor mensch en vee door de steken, welke zij hun toebrengen; maarde dazen brengen geen enkel tijdperk harer ontwikkeling als parasieten in het lichaam van andere dieren door; de larven zijn rolrond en leven inden grond. De ware horzels zijn minder forsch gebouwd dan de dazen, zelfs wanneer zij dezelfde lichaamsafmetingen bereiken; haar achterlijf is niet zoo breed als bij de dazen, en in ’t algemeen gelijken zij meer op gewone muggen; de zeer behaarde soorten hebben een eenigszins hommelachtig voorkomen. De kop is half bolvormig, opgeblazen; de monddeelen echter zijn niet tot steken ingericht, hoogstens kunnen zij er wat zweet mee opzuigen. Inde vlucht laten de horzels een brommend geluid hooren. – Hoewel de ware horzels onzen huisdieren geen pijn doen, zooals de dazen, heeft men toch opgemerkt, dat zij dikwijls door dezen gevreesd worden. Zoo drukken de schapen hunne neusgaten tegen den grond, wanneer de schapehorzel (Oestris ovis) wil trachten hare jonge maden (want de eieren komen reeds binnen het lichaam der moeder uit) aan den rand der neusgaten van het schaap te déponeeren. Misschien dat de daardoor veroorzaakte jeukte aanleiding geeft tot den angst van het dier. Men kan althans moeilijk aannemen, dat de huisdieren een voorgevoel zouden hebben van het leed dat hun te wachten (1) Zie over de dazen het door mij bij den uitgever van dit Maandblad uitgegeven werk: //De dierlijke parasieten van den raenscti en de huisdieren”, bl. 187— 189, en over de horzels dit zelfde werk, bl. 199 225.

6