is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1890, no 7, 1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GROEN VOEDER PERSEN.

het waarnemen van den warmtegraad binnen inde mijt, levert de heer Stout voor f 12.50.) Ten slotte nog eenige voorbeelden uit de praktijk van meer of minder goed geslaagde bereidingen van geperst voeder. De belangstellende lezer zal er nog eenige behartenswaardige wenken uit kunnen opmaken. Wij beginnen met die uit ons eigen land. De heer F. B, Löhnis te Frederiksoord deelde aan den heer Stout mede, dat verleden jaar het voeder in kuilen (ensilage) beter is geworden dan dat in pers-mijten. „Ten deele is dit te wijten”, zegt de heer L., „aan den voortdurenden regen tijdens het opstapelen, waardoor het voeder a. h. w. werd uitgeloogd. Het komt mij bepaald noodzakelijk voor het geheel met een afdak te bedekken. Ook heeft de ondervinding geleerd, dat het wenschehjk is het voeder er niet nat in te brengen en het eerst wat te doen verwelken, als zijnde de eenige methode om zoogen. zoet persvoeder te bereiden” (1). Yan den heer W. van Hoijtema te Culemborg ontving de heer + j dat de klaver verleden jaar onder de ongunstigste omstandigheden (voortdurend zware regenbuien) werd ingereden en dat daardoor, waarschijnlijk ook door ongeoefendheid, aan de buitenkanten van de mijt veel verlies is geweest (ca. 80 centimeter). Het binnenste persvoeder werd door het vee met graagte gebruikt. Behalve de laatste goede getuigenis roemen nog een paar andere klanten van den heer S. de gunstige uitwerking van het voeder op de melkopbrengst, zonder aan de boter eenigen verkeerden smaak mede te deelen. „Om het voeder echter goed te persen” voegt de heer H. G. van Leeuwen te Boxtel hierbij „is het noodig, dat men de mijt niet grooter neemt dan de pers goed kan bevatten en men het voeder goed geschud en gelijkelijk opstapelt. In het „Maandblad der Vereeniging van Oud-leerlingen der Rijkslandbouwschool” verschenen Maart 1890, doet de heer L. H. H. Haan eemge mededeelingen van eene proefneming op eene boerderij bij iNieuwstadt, waaraan wij het volgende ontleenen: b‘sdem AZ- pers werd een Weinië stro° Kelegd, en daa™P direct het gras uitgespreid, waarbij mijn eerste zorgwas, dat het gras nergens (vooral niet aan de kanten) in vouwen kwam te liggen. Dit is mijns inziens eender voornaamste punten, waarop te letten valt, omdat komen1 worden Veßl b6t6r °P eltander sluit en zooveel mogelijk alle ruimten voorwP,a,he! opstapelen van het gras zoo regelmatig mogelijk te maken, is het gewenscht, telkens vaneen anderen kant het gras af te laden Daar men bij het opzetten meestal in het midden der mijt staat, zoo zal het on heil ■Ti, 'f M™ m°el dit trachtea te voorkomen en er steeds op bedacht zijn, dat de kanten vast aangetreden worden. dano6!, gJalwwed s'“tts door 1 Paard aangevoerd. Bracht het eene beladen kar, dan werd het dadelijk weer voor eene leêge gespannen. De eerste werd dan door z man gelost en zeer regelmatig uitgespreid. (1) Inde Landb.-Courant van 5 Dec. 1889 beschrijft de heer L. de door hem genomen proeven uitvoerig. Eene laag van 30 cM. dikte aan de buitenkant der mijt was vergaan eu als voeder onbruikbaar. Het voeder binnen in was best en de boter der er mede gevoederde koeien geel van kleur en uitstekend van kwaliteit.

105