is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1890, no 12, 1890

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERSCHILLENDE HOEDANIGHEID DER MELK.

gaven niet alleen meer maar bovendien aanzienlijk vettere melk; eenige koeien leverden gedurende de geheele laktatieperiode (dus van het kalven af tot aan het droog worden toe) dubbel zoo veel boter als andere. Bij de meeste koeien oefende het weiden een gunstigen invloed zoowel op de hoedanigheid als op de hoeveelheid der melk. Belangwekkend is de vergelijking van de resultaten van twee koeien, moeder en dochter. De moeder gaf steeds weinig vette melk en die der dochter kwam daarmede overeen, een nieuw bewijs voor de erfelijkheid der eigenschap van veel en goede melk geven. Ook stieren van zulke dieren afkomstig moet men niet voor de fokkerij gebruiken. Het is te hopen, zegt de verslaggever, dat dit nieuw bewijs van het groot verschil in waarde voor den veehouder van de eene koe vergeleken bij eene andere, er toe zal medewerken om er meer nog dan tot nu toe op te letten, of iedere melkkoe werkelijk wel waard is aangehouden te worden en vooral ook om de kalveren er van voor de fokkerij aan te houden. De hoeveelheid boter die men van eene koe ineen jaar krijgt moet de eenig geldende maatstaf zijn, en deze eigenschap is bepaald aan sommige dieren, niet altijd aan een bepaald ras eigen. Door zulke boven andere uitmuntende koeien aan te houden en voort te fokken, zal de veehouder ongetwijfeld eerder en goedkooper tot het doel: veel zuivere winst van de veehouderij, komen dan door overmatig krachtige voedering. De hoeveelheid melk, die eene koe ineen jaar geeft, moet door ze wekelijks éénmaal te meten (of wegen) bepaald worden en ook het vetgehalte dient men een keer ’s weeks te bepalen, welk laatste met behulp van de handlaktokriet ook door den landbouwer zelf zeer goed kan geschieden. Kost het aanschaffen van de handlaktokriet nog al geld zegt de verslaggever men krijgt deze uitgaaf spoedig met winst weder terug, zoodat hij het aanschalfen ten sterkste aanraadt. Hetgeen boven omtrent het vetgehalte gezegd is geldt ook voor het gehalte aan kaasstof. Yan de drie genoemde koeien te Göttingen was inde melk van de Oostfriesche koe 2.5 pet., in die van de Simmenthaler koe 3.25 pet. en in die van de Jersey-koe 3.5 pet. kaasstof; de laatste leverde dus 1 pet. kaasstof meer dan de Oostfriesche koe. Ofschoon nu ook aan het kaasstofgehalte niet dat gewicht moet gehecht worden als aan het vetgehalte, is het toch van belang ook in dit opzicht het productievermogen te kunnen verhoogen. Nog een punt moet hier in aanmerking genomen worden, dat hoe langer hoe meer in beteekenis toeneemt, d.i. de gesteldheid van het botervet dat de dieren voortbrengen. Hoewel nu ook al de kwaliteit van de boter voornamelijk afhangt van de wijze van behandeling der melk en van de boterbereiding, is toch eveneens de gesteldheid van het vet zelf van invloed. Bij de drie genoemde koeien is gebleken, dat de grootte en geaardheid der vetkogeltjes inde melk der Jersey-koe van die der andere verschilde. Men kon dit reeds aan de boter zien: de boter van de Jersey-koe was fijner ten opzichte van smaak, geur en stevigheid dan die der beide

178