is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1891, no 4, 1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OYEK GBAiS VEREDELING.

instandhouding en veredeling van aanwezige soorten door meer of minder nauwkeurige keus en gepaste teelt van het beste uit iedere soort. Deze handelwijze kan met betrekkelijk geringe moeite en met het vooruitzicht op zekere uitkomsten dooreen groote menigte landbouwers ten uitvoer gebracht worden. Welke graad van intensiteit bij zulk eene kweeking bereikt kan worden, hangt van individueele en plaatselijke toestanden af. In ieder geval verdient het hier gezegde ernstige overweging voor alle graanteelers, en biedt zich hier ook eene uitstekende gelegenheid aan voor landbouw-maatschappijen en vereenigingen tot hoogst nuttige en praktische werkzaamheid. EOG EEN PAAR BIJDRAGEN YOOR DE SUIKERBIETENCULTUÜR. Inden vorigen jaargang van dit Maandblad (blz. 11, 26) werd uitvoerig mededeeling gedaan, van dein 1889 onder leiding van den heer S. Lako (Wageningen) genomen cultuurproeven met suikerbieten, op een 24tal proefvelden in Noord-Brabant en Zeeland, door leden van de Yereeniging van landbouwers in die provinciën die suikerbieten verbouwen. In 1890 is men in deze richting voortgegaan, thans door te onderzoeken welken invloed het ver van elkander of dicht bijeen staan der planten en op verlangen van sommige afdeelingen der genoemde Yereeniging eenige meststoffen op de opbrengst en het suikergehalte uitoefende. Yan deze, op nieuw onder de persoonlijke leiding van den heer Lako met de meest mogelijke zorgvuldigheid genomen proeven, is weder door hem een verslag opgemaakt en, gedrukt, onder de leden der Yereeniging verspreid. Het is in zijn geheel opgenomen, o.a. inde Landh.-Cour. n°. 1 van dit jaar. Enkele bijzonderheden en de gevolgtrekkingen waartoe de heer L. naar aanleiding van de verkregen resultaten komt, verdienen ook hier wel vermelding. Deze resultaten zijn in twee tabellen, betrekking hebbende, de eene op de verschillende plaatsruimte door de bieten ingenomen en de tweede op de verschillende bemesting, verzameld. In beide komen behalve de reeds op blz. 28 Maandbl. van 1890 vermelde rubrieken omtrent bemesting, cultuur en opbrengst, nog de volgende voor: afstand der rijen en der bieten inde rij, berekend en gevonden aantal bieten op de hectare benevens pCt. der berekende bieten. Het suikergehalte werd aan het Rijkslandbouwproefstation te Breda bepaald en wisselde af tusschen 19 en 12 pCt. „Ongeveer 10 bieten per vierk. meter” zegt de heer L. in zijn verslag „heeft bijna overal de gunstigste resultaten geleverd; men verlieze echter niet uit het oog, dat de kosten van dunnen, enz., bij een geringer aantal per vierk. meter ook geringer worden, en het dus in sommige gevallen ten slotte voordeeliger worden kan, ze iets wijder te plaatsen.” Daarbij wordt de opmerking gemaakt, dat volgens meening van den verslaggever „bij de tegenwoordig gebruikt wordende zaadsoorten, de invloed der plaatsruimte op het suikergehalte veel geringer is dan vroeger; de opvolging der gewassen,

58