is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1891, no 12, 1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NATUURLIJKE PIIOSPHATEN.

phosphorzuurhoudende mergel, die reeds meermalen inde krijtformatie is aangetroffen. Hierboven werd de aanwezigheid van Belemnieten en van andere dierlijke resten vermeld; de medegenomen exemplaren werden aan een nader onderzoek onderworpen en hierbij de aanwezigheid geconstateerd van: Belemnitella mucronata. Tandjes van exemplaren behoorende tot eene uitgestorven familie der beenvisschen (Enchodus faujasie) (1). Zeeëgels (Ananchytes ovata). Uit de aanwezigheid dezer fossielen en uit de samenstelling van het groenzand waarin zij gevonden werden, volgt gereedelijk, dat de lagen in quaestie behooren tot de krijtformatie en wel tot de Senonische periode van het Bovenkrijt. Hoewel deze glaukonietische mergellaag als phosphaat van weinig beteekenis kan worden genoemd, zoude zij toch, om haar kaligehalte in verband met haar kalk en phosphorzuur-gehalte, belangrijk voor den landbouw kunnen worden, vooral wijl de exploitatie aan betrekkelijk geringe kosten zou verbonden zijn. De matière wordt reeds op geringe diepte in zoo fijn verdeelden toestand aangetrolïen, dat een fijnmalen nauwelijks noodig kan worden geacht. In Amerika (New-Jersey) toch waar het glaukonietische zand in groote hoeveelheden voorkomt, wordt het reeds met succes voor bemesting gebezigd; het denkbeeld dat de uitgestrekte groenzandlagen in Limburg een werkzame meststof zouden opleveren, kan dus zeer goed worden verwezenlijkt. Inde eerste plaats is echter daartoe noodig, dat met dit materiaal vergelijkende bemestingsproeven worden genomen, waartoe zich in Noord-Brabant vooral, genoegzaam gelegenheid zal aanbieden. Met het oog op de reeds gevonden bruine matière met eenigszins hooger phosphorzuur-gehalte, is de mogelijkheid volstrekt niet buitengesloten dat nieuwe boringen een rijk phosphaat het daglicht doen zien (2). Eijkslandlouwproefstation Breda, Nov. 1891. OVER WISSELINGEN VAN HET KLIMAAT. (Vervolg en slot van blz. 147.) Op dergelijke wijze als op blz. 147 (Maandbl. n°. 10) is vermeld, werden verder de schommelingen van het Neusiedlermeer in Hongarije, dat, zooals men weet, dikwijls geheel verdwijnt, de Armenische meeren, evenals talrijke meeren van het groote bassin van Noord-Amerika, in Australië en elders onderzocht, en er kon met slechts enkele uitzonderingen aangetoond worden, dat ten minste (1) Dr. H. Bos, leeraar aan ’s Rijkslandbouwschool te Wageningen, had de welwillendheid deze tandjes voor mij te determineeren. (2) Naar wij van den inzender nader vernemen, hebben nieuwe monsters rijkere gehalten aangetoond waarom het onderzoek, waarvan door den directeur van het proefstation te zijner tijd een uitvoerig verslag aan den Minister van Waterstaat zal worden uitgebracht, nog niet als geëindigd mag worden beschouwd. {Red. Maandbl.)

182