is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1891, no 12, 1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER WISSELINGEN VAN HET KLIMAAT.

de laatste groote schommeling, namelijk de hoogste stand omstreeks 1850, de laagste stand tusschen 1860 en 1865 (nieuwe hoogste stand omstreeks 1880), een algemeen verschijnsel was. Daarbij komen nog de waterpeilen van 13 vloedmeeren en 13 rivieren. Ook deze geven hetzelfde resultaat. Gaande gemiddelde waterstanden van rivieren en vloedmeeren op en neer, dan kan slechts eene schommeling inde hoeveelheid gevallen regen daartoe aanleiding geven. Daarom werden de waarnemingen van 321 over de geheele aarde verspreide meteorologische stations voor het onderzoek bijeenverzameld. Slechts van 4 stations beginnen de waarnemingen bij het begin der11e9e eeuw, de meeste vangen eerst in 1831 of nog later aan. De uitkomst is: overal op de aarde verandert de hoeveelheid regen na lange perioden, en steeds in groepen van 10 tot 15 jaren, waarin zij boven het gemiddelde stijgt of daar beneden daalt. In vier vijfde van het waarnemingsgebied volgen de schommelingen weder inde richting van die der meeren en gletschers. Uitzondering vormen de gebieden die langs de oevers der Oceanen gelegen zijn; hoe verder men naar het binnenste van de vaste landen doordringt, des te sterker worden de verschillen inde hoeveelheid regen inde natte en droge perioden, des te beter stemmen ook de jaartallen. In Europa bedraagt de afwijking van het gemiddelde van vele jaren ongeveer 10 pCt., daarentegen viel in het binnenland van Siberië tijdens het maximum meer dan dubbel zoo veel regen als tijdens het minimum. In het binnenland van Amerika bedraagt dat verschil bijna even zooveel; voor de gezamenlijke landoppervlakte der aarde is dus de schommeling dezelfde en wel hoogst aanzienlijk. Het ligt nu voor de hand, dat ook de temperatuur eene gelijke schommeling mede moet maken, want regenachtig weder is steeds koeler dan helder weder, eenvoudig omdat wolken het zonnelicht afsluiten. En ook deze veronderstelling wordt volkomen bevestigd. Weder toonden de waarnemingen van verschillende meteorologische stations afwijkingen van het gemiddelde in denzelfden zin als die van de andere, bovengenoemde elementen aan. En daar ook de aanteekeningen omtrent de temperatuur niet ver teruggaan, heeft Brückner mede gebruik gemaakt van eenen anderen indicator, die der wijnoogst. Op deze wijze kan men de afwisselingen in het klimaat 5 eeuwen terug nagaan. Steeds komt met de koele en regenachtige periode een late-, daarentegen met een warme en droge periode een vroege wijnoogst overeen. Zoodoende komt Prof. Brückner tot het besluit, dat hetzelfde karakter van het weder na perioden van 25 tot 40, gemiddeld 35 jaren terugkeert. In 35 jaren zijn dus twee tijdperken, een droog en een nat begrepen, ’t Spreekt wel vanzelf, dat ineen droog tijdperk niet alle jaren warm en droog, en ineen nat tijdperk niet alle jaren koud en nat zijn, want dan zou deze verhouding niet zoo lang verborgen gebleven zijn, maar in het eerste zullen warme en droge en in het tweede steeds koude en natte jaren de overhand hebben. Maarde ijverige onderzoeker is nog een schrede verder gegaan. Ook de verdeeling van de luohtdrukking is op de weersgesteldheid

183