is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1891, no 12, 1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PLANNEN TOT BEPOLDERING DER ZUIDERZEE. (Vervolg en slot van blz. 173.)

Juist in dit opzicht (nl. het goed van te voren overwegen en voorbereiden der onderneming) verdient de werkzaamheid derZZ.Y. algemeene waardeering. Nog is het onderzoek, of liever het Yerslag ervan en de gevolgtrekkingen die er uit gemaakt zullen worden niet afgeloopen; de twee laatste nota’s, n°. 7 en 8, die reeds bijna gereed zijn, zijn evenwel door het Bestuur der V. nog voor het einde des jaars toegezegd. De zes nota’s die reeds verschenen zijn, leveren echter ruimschoots de bewijzen dat een stevige grondslag gelegd is, waarop nu verder met uitzicht op goed gevolg kan worden voortgebouwd. Het verrichte werk, dein de Nota’s verzamelde gegevens, bezitten daarvoor onschatbare waarde; de bodem van de Zuiderzee, hoewel nog met water bedekt, is geen onbekend land meer en het vóór en tegen der inpoldering is met zooveel nauwkeurigheid overwogen als van te voren nog niet geschied is en zeker moeilijk beter geschieden kan. De onderzoekingen van de Zuiderzee-vereeniging hebben geleid tot het gevoelen, dat de meest wenschelijke wijze, om de Zuiderzee droog te maken, is een afsluitdijk te leggen van de Ewijksluis over Wieringen naar Piaam ten zuiden van Makkum, en een dijk van Wieringen naar Terschelling, waardoor de moeilijkheden, verbonden aan het afdijken van het Texelsche Gat en het Vlie, vermeden worden. Op deze wijze zou een oppervlakte van 280 000 HA. land, waarvan 4/s beste kleigrond, worden drooggelegd; de lengte van de kustlijn zou van 52 worden verminderd op 7 uur gaans. De tijd ter voltooiing van het werk is 8 jaar, terwijl de kosten worden geraamd op 42 millioen gulden. Aan de ook ons door het Bestuur der Zuiderzeevereeniging toegezonden Nota’s voor welke beleefdheid hierbij onzen welgemeenden dank zijn, wat de beide laatste betreft, de volgende bijzonderheden ontleend. In het geheel zijn 1564 grondboringen verricht, allen in het noordelijk gedeelte der zee, boven de lijn van Kampen naar Enkhuizen; die in het zuidelijk gedeelte, het gedeelte ten oosten van Schokland, het Wieringermeer en de Friesche Wadden hadden reeds vroeger plaats. Op elke hoorplaats zijn grondmonsters genomen en één stel daarvan is naar het Rijksproefstation te Wageningen opgezonden en daar onderzocht op de hoeveelheid er in aanwezige klei en zand. De heer Lely komt naar aanleiding van de gedane onderzoekingen o. a. tot het volgende resultaat; Wanneer men zeer kleine bedijkingen, die op enkele plaatsen langs de kust wellicht mogelijk zijn, buiten beschouwing laat, dan kan worden aangenomen, dat. wat betreft de gesteldheid van den bodem , voor indijking en droogmaking op eenigszins groote schaal in aanmerking komen: a. het gedeelte ten zuiden van de ontworpen afsluitlijn over Wieringen, het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee, het Wieringermeer en het gedeelte ten noordoosten van Urk; b. ten noorden van die lijn twee op zich zelf staande gedeelten, namelijk een gedeelte van de Friesche Wadden en de Lauwerzee. Betreffende het schetsontwerp

185