is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 1, 1932-1933, no 1, 25-08-1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LANDBOUW. 1 I ■ . ■— 1 Wij zouden gaarne een enkel woord onder , de welwillende aandacht van onze lezers bren- ■ gen betreffende het begrip landbouw, bedoeld • dan inden ruimen zin van het boerenbedrijf. , We kunnen zeggen, dat dit bedrijf heden ten 1 dage moeilijk, zwaar en niet loonend is, maar dan geldt dit slechts in vergelijking met andere ; bedrijven in industrie, handel, nijverheid enz. Bij de beoordeeling van het landbouwbedrijf als , zoodanig moet men steeds het economisch geheel van onze samenleving goed in het oog houden. Immers op deze manier alleen kunnen wij ©enig inzicht krijgen inde functioneel© beteekenis van ons maatschappelijk leven. Daarvan is de boerenstand een onvervreemdbaar onderdeel, een onderdeel, dat men zoo maar niet kan verwaarloozen. Nu gaat de graad van nuttigheid ons in de eerste plaats niet aan. Misschien dat men inde jaren, die vlak achter ons liggen, in het algemeen wel eens te gering over het boer-zijn heeft gedacht. Zooiets kan reactie •opwekken en een overschatting van het agrarisch element in onze samenwerking is misschien inde toekomst niet onwaarschijnlijk. De maatschappelijke verhoudingen gaan tenslotte immers altijd, ©enigszins mank aan een zekere onevenredigheid, maarde groep die zijn evenredig deel niet thuis krijgt, heeft dit ook wel eens aan zichzelf te wijten. De boeren zelf echter dienen hunne maatschappelijke taak beter dan tot dusver te leeren begrijpen, niet zoozeer, om er directe materieel© voordeelen mee te behalen dan wel uiteen oogpunt van algemeen belang, om namelijk meer bewust deel te hebben aan een gezond maatschappelijk leven. De natuurlijke groei van onze volksgemeenschap ga voorop! Hier staan wij levend ingebouwd ineen levend organisme, en ook de landman moet daarin zijn menschelijke functie kennen, die is tegelijk nietig en groot. Kent hij deze functie dan niet of niet in voldoende mate? Eten enkel voorbeeld moge deze beschouwing verduidelijken. Inde brandende dagen hebben pachter en zoom gewerkt «MH We nemen een pachter en zijn veertienjarigen zoon. Samen hebben ze den hooioogst moeten verrichten op de groote pachthoeve. Inde brandende dagen van den vollen zomer hebben ze werkend de zon zien op- en ondergaan. Zooiets kan op zichzelf een voorrecht beduiden, een voorrecht van geheel eigen zin en beteekenis. Maarde pachter en zijn kind, zij zijn in deze Westersche hoog gecultiveerde maatschappij niet enkel mensch zonder meer. Zij zijn tevens de onvrijen, de maatschappelijk vernederden in één naar onmatigheid dorstende samenleving. Het beeld van den Woelenden zoon met zijn bedwongen speelzucht slaat ons met ontzetting voor oogen. En het lust ons niet dit beeld ten voeten uitte teekenen. leder, die zich ook maar eenige moeite wil geven om de toestanden op het platteland te leeren kennen, kan dit beeld voor zichzelf wel nader uitwerken. Het zal hem een gevoel van groot misnoegen bereiden, een gevoel van weerzin kan men wel zeggen, bij de gedachte aan den huldigen ontwikkelingsgang der maatschappij. Een ander voorbeeld. Een jonge boer met een eigen oorspronkelijken kijk op leven en levensomstandigheden, bewoont de groote boerderij van zijn ouders. Hem is, ter fixeering van zijn maatschappelijke positie, heel wat theoretische kennis bijgebracht van het landbouwbedrijf, hem is een ruime mate van voortgezette ontwikkeling verstrekt. Hij bracht en brengt de theorie in praktijk, doch teleurstelling op teleurstelling werd zijn deel, commercieel©, financieel©, en, bij een man van zijn ontwikkelingsstaat, ook moreele. De gansche georganiseerde landbouw met zijn moderne fabrieken, zijn geweldige laboratoria, zijn comfortabele kantoren, staat hem belangeloos ten dienste, opdat hij zijn werkkracht en werklust, zijn energie, zijn kennis rationeeler naar buiten zal kunnen uitdragen, en toch inde ure van bezinning, overmannen hem twijfel en moedeloosheid. Wetenschap en techniek stuwen het bedrijf met kracht stroomopwaarts, maar het bedrijf zelf richt zich te gronde, alvorens een veiliger stroombed is bereikt. Deze jonge boer voelt zich object ineen tredmolen,' die door krachten van buitenaf wordt voortgedreven. Gelijk het oude manneke, die, toen het over de crisis ging, sprak van circus. En hij stamelde: „Wel is het een circus, want we komen er nooit meer uit.” Men dwingt talrijke nijlveren lot den bedelstaf. Wat is nu het kenmerkende inde positie van hen, die in het landbouwbedrijf staan en van dezulken, die er zakelijk ten nauwste bij zijn betrokken. Het is dit, dat men de geheel eigen plaats van den landbouw in onze volkshuishouding uit het oog beeft verloren en aldus een allerbelangrijkst orgaan in het meer en meer zieke lichaam onzer xnaatschapipij heeft verwaarloosd. Daardoor dwingt men tallooze nijveren stelselmatig tot den bedelstaf, en, alsof dit nog niet genoeg ware, men berooft de geheele landbouwende bevolking tevens van haar eigenlijke levenstaak. En dit laatste is reeds een misdaad op zichzelf. Tal van factoren hebben saamgewerkt om dezen ellendigen toestand voor de boeren te scheppen. De sociaal-econoroische opvattingen van de laatste halve eeuw hebben zeker niet weinig hiertoe bijgedragen. Doch ook hebben meer interne aangelegenheden het boerenbedrijf betreffende, aan dezen achterstand schuld. De ontwikkelingsgang in het boerenbedrijf is een sterk eenzijdige geweest. Met behulp van techniek en wetenschap heeft men inden landbouw slechts bet oog weten te richten op productie, omdat men vaneen sterk opgevoerde productie slechts heil meende te kunnen verwachten voor de landbouwende bevolking. In sommige streken van ons land kan men zelfs van roofbouw spreken, omdat men den bodem uitput dooreen te intensieve bemesting. Op deze wijze wordt de werklust en de werkkracht van de plattelandsbevolking misbruikt, terwijl deze bevolking steeds meer en meer verarmt. In onze moderne cultuurstaten

heeft' men den landbouw aan een ergerlijken i vorm van parasitisme onderworpen, waarbij ) plant, dier en mensdh op bedenkelijke wijze 1 worden uitgebuit. < Om het welvaartspeil op het platteland te stabiliseeren, daartoe is meer noodig dan een 1 tot in het dolzinnige opgevoerde productie. De • toekomstige ontwikkeling van het landbouwbe- i drijf moet op een geheel ander plan ge- ] baseerd worden. ; Men moet niet, zooals tot dusver, de land- : bouwtechnische aangelegenheden in het bedrijf i op den voorgrond plaatsen en de economische, ■ sociale en politieke verzaken. De boeren moeten zich opwerken tot volkomen gelijkwaardigen binnen het kader van een gesloten volksgemeenschap. Dit heeft met stoffelijken welstand weer niet inde eerste plaatste maken, doch wel met geestelijke waardigheid. Nu vindt men dit ge- . meenlijk bij den een meer dan bij den ander, maar boer noch landarbeider behoeft daarvan verstoken te blijven. Het is zelfs voorwaarde voor een gezonde samenleving. Ook om deze meer algemeen menschelijke doeleinden na te streven, daartoe moet men zich. ten plattelande vereenigen. En deze vereenigingen moeten nieuwe vormen aannemen, omdat het nieuwe leven zich slechts van nieuwe vormen wil bedienen. Wij denken hierbij aan tal van toekomstmogelijkheden voor onze agrarische en boerenbonden. Ook de jeugd moet zich dit ter harte nemen en de ouderen kunnen daartoe een krachtigen stoot geven. Naar een nieuwe vastberaden eenheid dus om landbouw geheel voor ontwrichting en uitputting te vrijwaren. Er is slechts één pad, dat naar meer levensvreugde, naar grooter levensvoldoening op het platteland voert: Het is onze weg. Heerenveen, Juli ’32. SYBESMA. WEET Gl]: dat in Nederland over 1930 alleen aan sigaretten f6l millioen werd uitgegeven en aan tabak en sigaren samen f 122 millioen? dat aan alcoholische dranken in datzelfde jaar f 184 millioen werd uitgegeven? Alleen aan sigaretten, sigaren, tabak en al cohol dus ongeveer f350 millioen per jaar? Is het U ook bekend dat alleen in Amsterdam gedurende 3 maand ruim 21/2 mill. gulden aan bioscoop, schouwburg, sport en cireusbezeek werd uitgegeven of f3 per hoofd van de Amsterdamsohe bevolking? • f’’ Wanneer men zulke cijfers leest, dan duizelt men, want bet beteekent per jaar en per hoofd van de bevolking meer dan f43. Zulke cijfers bewijzen, dat het niet noodig is, dat de boeren hun producten met verlies leveren aan den consument, of het moest zijn dat ©en van de belangrijkste takken van volksbestaan zoo niet de belangrijkste niet zoo zwaar woog als de sigaar of de sigaret. Ineen tijd als deze, nu zoo heel velen het moeilijk hebben, is het wel droevig te ervaren, dat de massa’s der bevolking inde steden precies doorgaan, zooals ze dat de laatste jaren gewend zijn. Banketzaken, bioscopen, danszaken en kroegen, ze tieren er als paddestoelen. En het geld wordt voor deze dingen uitgegeven alsof het noodzakelijkheden zijn. Als wij al deze dingen lezen en hooren, dan willen wij er nog meer voor ijveren om voor ons sober levende en hard zwoegende platteland van onze Regeering krachtiger steunmaatregelen los te krijgen, opdat het product van landbouw en veehouderij een loonenden prijs verkrijgt. Daarmee worden deze belangrijk© welvaartsbronnen in stand gehouden en mocht tengevolge van de hiervoor zoo noodzakelijke maatregelen, bereikt worden, dat anderzijds minder geld op luchthartige wijze wordt weggesmeten, dan zal er ook aan dien kant winst zijn te boeken. En dit te weten, is een reden temeer voor allen die het wel meenen met ons heel© volk, om zoo krachtig raogelijfcen druk in deze richting uitte oefenen. Natuurlijk moet er naar gestreefd worden om de lasten zoo licht mogelijk te houden voor wie het al moeilijk hebben. Doch zeer velen zijn er, die door heel hun levenswijze toonen, dat ze zeer goed in staat zijn een voldoenden prijs voor het iand- en tuinbouwproduct te betalen niet alleen, doch ook, dat het in hun welbegrepen eigenbelang zal zijn, wanneer ze daartoe ten spoedigste worden gedwongen. Gratis. Gratis. Leden van de Boerenbonden, die zich na de verschijning van dit eerste nummer direct als abonné laten inschrijven, mogen voor zoover de plaatsruimte het toelaat in het tweede nummer gratis een kleine advertentie (rubriek Vraag en Aanbod) plaatsen. Dus twee vliegen in één klap; een abonnement . op een blad, dat gij noodig hebt en een gratis advertentie. • 1 Geen Krachtenversnippering, maar eendrachtig optrekken Van allen, die belang hebben bij een welvarend platteland. Waarom behooren naast eigen boer, ook pachter en hypotheekboer in onze Boerenbonden ? Reeds verschillende keeren werd van onze zijd© er op gewezen, hoe noodzakelijk het is, dat de prijs der landbouwproducten 1 o o n en d gemaakt dient te worden, zóó loonend, dat de boer aan zijn verplichtingen tegenover anderen ■ zal kunnen voldoen. Van de zijde van den Bond van Landpachters i werd soms gezegd, dat de Boerenbonden toch

niets künneni en willen doen voor de pachters, maar wij vragen: „Welk recht hebben deze . heeren, om dit aan de boeren voor te houden?” Ook wij wenschen verbetering in ons pachtwezen. Echter niet in die mate, als de Bond van Landpachters zijn leden voorhoudt. Wettelijk dient, naar onze meening, te worden bepaald, dat in overleg met den verpachter aangebrachte verbeteringen van het goed, op redelijke wijze dienen te worden vergoed als de pachter de boerderij verlaat. Ook behoort o.i. de eigenaar te deelen in het verlies door natuurrampen. Verder meenen wij, dat het stelsel van mobiele pacht ernstig moet worden bestudeerd, omdat het ons redelijk voorkomt, dat eigenaar en pachter deelen in het risico van prijsdaling (en -stijging), voor zoover deze niet geheel kan worden voorkomen door prijsstabilisatie, welke o.i. noodzakelijk is. Verder zijn wij van oordeel, dat de pachter door den verhuurder schadeloos moet worden gesteld als deze laatste den pachter zonder aan nemelijke reden de pacht opzegt. Maar wij zijn tegenstanders van het continuatierecht, omdat dit naar onze meening het eigendomsrecht te sterk aantast. Zóó sterk, als op geen ander gebied geschiedt. Daarom moeten wij ons daartegen verzetten. Uit het vorenstaande moge blijken, dat ook wij voor wegneming zijn van misstanden op het gebied van het pachtwezen. Echter dienen de landprijzen hoog genoeg te blijven. En wel om de instandhouding van de vruchtbaarheid van den grond en het aanbrengen van grondverbeteringen rendabel te maken, waardoor ook speciaal de hypotheekboeren voor ondergang zulten worden behoed. Juist deze laatste categorie van boeren heeft het nog moeilijker dan de zwaarstbelaste pachtboeren. „De Boerderij” van 2 Aug. wijdde hieraan een geheel artikel. Waar we het geheel eens zijn met den inhoud daarvan en het ons gO‘ed toe lijkt, dat deze kwestie nog eens weer onder de aandacht wordt gebracht, drukken we dit artikel elders in dit nummer over. ■ Verschillende keeren werd door den Drentschen Boerenbond, zoowel in het door 40.000 mannen en vrouwen geteekende petitionnement als ineen afzonderlijk gericht adres in Mei j.l. aan de Nederlandsche Regeering op een en ander gewezen. Zooals inden aanvang van dit artikel reeds werd geschreven, is eerst© eisch om onze Nederlandsche Boerenstand voor ondergang te behoeden; hoogereprijs voor zijn producten. Niet ieder onderdeel apart steunen. Ons lijkt nog steeds de weg, aangegeven in het beginselprogram, de meest verkieslijke. Uit vorenstaande moge blijken, dat eendrachtig aaneensluiten van den geheelen Nededandschen Boerenstand een eisch is van de eerste orde. Niet een Bond van Landpachters, een Bond van Hypotheekboeren enz. enz., maar één groote Nationale Boerenbond, waarin allen zich kunnen thuisgevoelen. Op Boeren, kent uw macht, sluit u aaneen en laat de politieke partijen, laat het Nederlandsche volk zien, dat ge door de crisis wakker geschud zelf in staat zijt voor uw belangen te strijden! ï „Landbouw er» Maatschappij , een blad naar mijn smaak. Daarom verzoek Ik onmiddellijk per brief, mij als abonné in te schrijven. DE NOOD DER HYPOTHEEKBOEREN. Herbaaldelijk hebben we er op gewezen, dat de toestand voor vele hypotheekboeren zoo uiterst moeilijk is. En dat alles, wat voor de pachtboeren mocht gebeuren, even noodzakelijk zou moeten geschieden voor de hypotheekboeren. We hebben betoogd, dat alles wat door wettelijk ingrijpen inde pachtovereenkomsten ten bate van de huurders mocht geschieden, noodzakelijk tengevolge moest hebben, dat de situatie voor de hypotheekboeren nog meer onhoudbaar moest worden. We gelooven, dat de gang van zaken ons helaas! voor honderd procent in het gelijk heeft gesteld. Dit voorjaar moest worden opgemerkt, dat onder degenen, die reeds „kapot” waren, zeer vele hypotheekboeren voorkwamen. Sedert dien heeft het wetje-Ebeis voor den zwaarstbeiasten pachter eenige verlichting en uitstel gebracht. Doch voor de hypotheekboeren geschiedde nog niets, en door het voortschrijden van de crisis ■komen honderden in steeds moeilijker omstandigheden, zoodat regeeringsingrijpen dringend noodzakelijk moet worden geacht. Uit het bovenstaande moet men niet besluiten, dat wij het wetje-Ebeis als zoodanig overbodig of nadeelig zouden achten. Dit is niet het geval. Inde gegeven omstandigheden was het noodig. Doch de omstandigheden zelf had men zoover niet mogen laten komen. Men had moeten voorkomen, dat de prijzen der landbouwproducten tot zoo’n laag peil konden dalen. ♦ * ♦ Doch waarom wel ingrijpen in pachtovereenkomsten, welke voor twee of drie jaren werden gesloten en niet in koop-overoenkomsten, welke toen tot stand kwamen, voor zooverre deze het opnemen van vaak zware hypotheken noodzakelijk maakten? Is de toestand voor den hypotheekboer minder erg, dan voor den pachtboer?

Neen, dat is niet het geval. Wie enkele jaren terug een boerderij kocht en daarop 60 pet. hypotheek nam, is door de daling van de verkoopwaarde van den grond zijn bezit thans geheel kwijt, zit op zware lasten de hypotheekrente is 4Va! a 6 pet. en loopt gevaar thans van zijn hofstede verdreven te worden. Niemand zal in ernst kunnen volhouden,, dat zulke menschen er beter aan toe zijn, dan de het zwaarst belaste pachters. Nu zijn niet alle hypotheekboeren tot het uiterste belast, zal men zeggen. Dit is juist. Doch hetzelfde geldt voor de pachters. Ook onder hen zijn er velen, die door den verpachter reeds op vrij redelijke Wijze tegemoet werden gekomen. In Nederland is het aantal eigen boeren nog wat grooter, dan het aantal pachtboeren. En procentsgewijze zullen er onder hen wel tennaastebij evenveel zijn, die te zwaar belast zijn, als onder de pachters. De eene groep is zeer waarschijnlijk tennaastebij even groot ais de andere. En maatschappelijk beschouwd, is een eigen boerenstand van zoo groote beteekenis, dat ook uit dat oogpunt moeilijk volgehouden zou kunnen worden, dat regeeringsingrijpen niet gewettigd zou moeten worden geacht. Terwijl het wetsontwerp-Ebels in behandeling was, is er den Minister van Binnenl. Zaken en Landbouw met aandrang Op gewezen, hoe wenschelijk het zou zijn, om tegelijk met een wettelijke regeling ten behoeve van de pachters, ook een regeling voor de hypotheekboeren te treffen. In deze bespreking werd er ook op gewezen, dat ingrijpen inde pachtovereenkomsten ongewild de neiging moest hebben de verkoopwaarde van den grond te doen dalen. En naarmate dit geschiedde, moest de hypotheekboer in grooter moeilijkheden komen. De minister beloofde, dat de regeering ernstig zou overwegen, wat ze in dezen kon doen, doch meende, dat eerst moest worden afgewacht of de Kamers het ontwerpje zouden aannemen. 1 Intusschen is dit al geruimen tijd geleden geschied. De Kamers zijn met vacantie gegaan en de regeering heeft al heel wat tijd gehad om te overwegen, doch van regeeringsplannen nog minder van regeeringsvoorstellen heeft men iets gehoord. En het aantal van hun erf verjaagde hypotheekboeren stijgt steeds. Dan hoort men hier een geval, dan daar. Al die „enkele geval- ' len” samen vormen reeds een respectabel aantal. Bovendien dit lot treft niet slechts dezulken, die met het betalen der rente achter zijn. Uit betrouwbare bron vernemen we thans gevallen, waarin aan hoogst respectabele landbouwers, die nog steeds prompt op tijd konden betalen, de hypotheek is opgezegd, omdat de overwaarde door de daling der grondprijzen kleiner is geworden dan dé voorschriften der betreffende bankinstellingen eischen. * * * Thans nu de omstandigheden zoo zijn geworden, dat de prijzen der landbouwproducten daalden tot een peil, dat de boer niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen en wettelijk Is inbegrepen inde pachtovereenkomsten, behoort zoo spoedig mogelijk iets voor den hypotheekboer te gebeuren. Waar de eigenaar gedwongen kan worden genoegen met een lagere pacht te nemen dan overeen werd gekomen, is het billijk dat ook de hypotbeekgever gedwongen kan worden iets te schikken. En het opzeggen van hypotheken moet tijdelijk onmogelijk worden gemaakt in al de gevallen, waarin deze vast te stelten rente nog opgebracht wordt. Waar hypotheekgevers hun geld beslist zelf moeten gebruiken, moet een, staatshypotheekbank de hypotheken overnemen of beboeren deze beleenbaar te worden gesteld bij de Ned. Bank. Natuurlijk ontstaan door zoo’n ingrijpen groote moeilijkheden. Bankvereenigingen, levensverzekeringmaatschappijen en dergelijke, die een lager hypotheekrente ontvangen, tengevolge van wettelijk ingrijpen, zuilen moeite krijgen om aan hun verplichtingen te voldoen. Maar dezelfde bezwaren gelden ook vrijwel In vele gevallen, waar de verpachter minder ontvangt dan bij contract is overeengekomen. De bezwaren hier en daar wegen vrijwel even zwaar. En daarom meenen wij, dat allereerst krachtig gestreefd moet worden naar een toonenden prijs van de producten, opdat als regel de boer zal kunnen betalen wat hij schuldig is, doch dat daarnaast geageerd moet worden voor een regeeringsingrijpen inde hypotheekovereenkomsten op geheel overeenkomstige wijze als ten opzichte van de pachtovereenkomsten is geschied. * ♦ * Snelle hulp is dubbele hulp. Dat geldt nergens sterker dan hier. Laat daarom de organisaties, op welker weg dit het allermeest ligt, nog weer eens een krachtig geluid laten hooren voor een spoedig ingrijpen ten behoeve van de hypot theekboeren! Overigensben ik van meening, dat Carthago verwoest : moet worden. L‘ Velen Uwer zullen zich ongetwijfeld uit de r Romeinsche geschiedenis nog wel herinneren, i dat Cato, consul van het groote rijk der Romeinen, als scheidsrechter naar Afrika werd 1 gezonden, ter oplossing vaneen conflict tusschen koning Masinissa van Numidië en Car– thago. Hierbij viel hem op, dat deze stad, na – Hannibals glorietijd, weer een geweldige macht had gekregen en weer ©en groot ge– vaar voor Rome was. Terug in Italië be– sloot bij elke rede, onverschillig over wat i onderwerp, steeds met de woorden; „Overigens : ben ik de meening toegedaan, dat Carthago r verwoest moet worden.” Inden beginne Lachte men inde Senaat om deze ©ogenschijnlijk dwaze beëindiging van elke rede van Cato. Deze ging echter onverstoorbaar – verder dezen slotzin aan elk zijner redes te – verbinden. Door deze vasthoudendheid kwam , men er in het Romeinsche rijk langzamerhand ï toe, eens een nader onderzoek aangaande Cari thago in te stelten, waarbij men tot de ontr stellende overtuiging kwam, dat de macht in i deze stad werkelijk weer ©en groot gevaar voor Rome was geworden. Toen ieder dit

voldoende was bijgebracht, rustte men niet eerder, voordat Carthago geheel aan de verwoesting was prijsgegeven. Die boeren worden verguisd. Inden toestand, waarin Cato zich bevond in het begin van zijn campagne tegen Carthago, waarbij hij stuitte op ongeloof, tegenkanting en het belaehelijkmaken van alle zijden, bevindt zich op het oogenblik het platteland in ’t algemeen en de boeren in ’t bizonder. Ook zij worden door de overige bevolking' niet geloofd, verguisd en door velen zelfs als uit den tijd zijnde beschouwd. Men gelooft niet aan het groote gevaar voor het geheele land, als het straks een totaal verarmde en tot den ondergang gedoereden boerenstand bezit. Laat daarom het geheele platteland als één man optrekken en de verkeerde meeningen, welke er ten opzichte van dit platteland inde steden beerschen, verwoesten. Maar laten we dan met eenzelfde hardnekkigheid als Cato, steeds op hetzelfde aambeeld hameren en duidelijk maken bij de stedelijke bevolking, bij onze regeering, bij de politieke partijen en bij allen die blind zijn voor het groote gevaar vaneen ten ondergang gedoemden landbouw: „Stel den landbouw en het platteland gelijk aan de industrie en de steden, zij zijn even onmisbare schakels der algemeen© landswelvaart.” Om echter voor den landbouw weer een plaatsje onder de zon te veroveren, dienen alle boeren eensgezind, met terzijdestelling van kleine partijbelangen dit groote doel voor oogen te houden, daar dit het allervoornaamste voor eigen behoud is. Zij moeten als Cato steeds weer naar voren brengen, overal waar zij verschijnen, dat de verkeerde meening, dat landbouw bijzaak inplaats vaneen der hoofdzaken is, zoo snel mogelijk vernietigd worden. En nu kunnen de boeren eensgezind1 deze meening zelf verspreiden, maar er dient hiervoor ook veel propaganda naar buiten te worden gemaakt en daarvoor is geld noodig. Voor 11.5» kan de boer zijn ondergang niet ofkoopen. Laat daarom, allen die belang hebben bij een welvarenden landbouw, opofferingsgezind geld bijeenbrengen en niet bedenken, voor een bedragje van f 1.50 hun ondergang te kunnen afkoopen. Neemt in dezen een voorbeeld aan Uw werknemers en gij ziet, dat deze 10 è 20 maal meer bijdragen voor hun bonden, dan gij op ’t oogenblik, maar ziet dan ook dat zij reeds 100 maal meer resultaten wisten te bereiken. Houdt daarom ook het spreekwoord voor oogen: „Zonder geld geen Zwitsers.” Ik wi! deze beschouwing eindigen met ©en variatie op Cato’s beroemd© slotgezegde, n.l. dat ik d© meening ben toegedaan, dat de verkeerde gedachten, die er bij een groot gedeelte van ons Nederlandsche volk beerschen ten opzichte van den landbouw en dientengevolge daarvan d© groote nood op ons platteland, zoo snel mogelijk vernietigd moeten worden, opdat een zonniger toekomst voor ons moge aanibreken. R. O. KRUIZINGA. Publiciteit over de drie Noordelijke provincies. Leden van de Boerenbonden, laat gij iets publiek verkoopen of verhuren, verzoekt dan Uw notaris of deurwaarder, een advertentie te plaatsen in „Landbouw en Maatschappij". De Besturen der samenwerkende Boerenbonden. Niet Overdrijven. De steun aan dg melkveehouderij Tegen den nog totaal onvoldoenden steuti aan de Melkveehouderij, wordt door de grootstedelijke pers nog al dikwijls van leer getrokken. • 1 Zoo kwam het „Handelsblad” kort geleden tot de conclusie, dat er reeds veel van den steun aan de melkveehouderij terecht was gekomen, omdat de toeslag van 11/* ©ent per L'. reeds geruimen tijd voor de Zuivelwet in werking trad, door de veehouders was ontvangen. En ging het blad verder de boeren mogen ook niet vergeten, dat zij onlangs f2.25 per melkgevende koe hebben ontvangen, welk douceurtje in zijn geheel een bedrag van 3Va millioen gulden heeft gevergd Ook wordt vooral inde Arbeiderspers tegen dezen steun geageerd. Het bezwaar dat de ar'■ beiders tot op zekere hoogte aan dezen steun mee moeten betalen, kunnen wij ©enigszins deelen, doch niet uit het oog mag men o.i. verliezen: 1. dat de laatste jaren de arbeiders inde steden er economisch veel beter voorstaan, dan de breede lagen van den boerenstand en de landarbeiders. 2. dat een keuterboer in dezen crisistijd totaal niets meer verdient, terwijl ©en grooter© boer geen landarbeider meer betalen kan, waardoor _ komen laatstgenoemden bij de werkloozen terecht dit ook op groote schade voor de. stedelijke arbeiders zal uitloopen; 3. dat volgens statistische gegevens ©en Amsterdaméoh arbeidersgezin ongeveer f 9 uitgeeft aan voeding per week, waarvan alle vetten tezamen slechts ongeveer 40 cent per hoofd vormen; 4. dat de consument op ’t oogenblik in het algemeen tengevolge van den lagen prijs der s producten ©en groote crisis-winst maakt, door ’ de veel te lage prijzen der landbouwproducten, s wat ten koste gaat van het zwaar zwoegende i sober levende platteland. I Een voortduren van dezen toestand is mo■ reel niet te verdedigen. L t