is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 1, 1932-1933, no 10, 29-12-1932

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29 Dec. 1932. Ie jaargang. LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No. 10. Tweede Blad.

Hoe kritiek de toestand van den Landbouw reeds geworden is. En hoe deze zich vermoedelijk verder zal ontwikkelen. Alvorens aan te vangen met bovenstaand onderwerp wil ik gaarne lets zeggen naar aanleiding van de verschijning van het orgaan der Boerenbonden. Met groote sympathie heb ik enkele maanden geleden de verschijning van „Landbouw en Maatschappij” begroet. Er bestond een, groote behoefte aan een op neutraal-politieken grondslag staand landbouworgaan, dat mede door economische voorlichting wil streven naar de verheffing van den landbouw en het platteland uit den crisisput en verhooging van bet algemeen© welvaartspeil in ons land. Buiten den landbouw heersebten. en heerschen nog averechtsche denkbeelden betreffende de factoren, waarvan de welvaart hier te lande afhankelijk is, zelfs inde hoogste en geleerdste kringen. Dit feit blijkt ook vooral bij vergelijking van uitlatingen van Ministers en bekende economen hier te lande met die van buiten!andsche. Zoo hébben ons pas weer getroffen de gezonde economische beschouwingen van Mac Donald in Engeland, terwijl ook de landbouwpolitiek van Duitschland, inde moeilijke omstandigheden, waarin dit land verkeert, gezond moet worden genoemd, in tegenstelling tot de landbouwpolitiek van onze Regeering tot dusver. Het was dan ook wel zéér noodig, dat een orgaan werd opgericht, waarin juistere economische denkbeelden worden ontvouwd en met politieken invloed op den achtergrond onder de aandacht van autoriteiten worden gebracht. De bestaande organen van landbouworganisaties en deze laatste zelf hebben wel veel nuttig werk verricht we erkennen dit gaarne maarde politieke ruggesteun ontbrak te vee!, nog daargelaten, dat er meermalen, op de economische beschouwingen van heeren redacteuren van gezond landbouwstandpunt bezien nog al wat aan te merken was, waardoor onze landbouwpositie niet werd versterkt. Ik wil daarover niemand hard vallen, omdat ik we! weet met hoeveel toewijding algemeen inde kringen van de landbouworganisaties is gewerkt! Menseheewerk is tenslotte nooit volmaakt! „Landbouw en Maatschappij” zal naar mijn diepe overtuiging zeer veel kunnen bijdragen tot de redding van onzen landbouw en de algemeene welvaart van ons land, onder voorwaarde, dat de redactie gevoerd blijft op dezelfde degelijke en hoogstaande wijze als tot dusver. Te minder bestaat er aanleiding om daaraan voor de toekomst te twijfelen, nu meer en meer voormannen uit de landbouwkringen hun moreelen steun aan de Boerenbonden geven. Ik wensch de redactie van „Landbouw en Maatschappij” een zoo groot magclijk succes toe bij haar streven. In dat verband lijken mij gedaehtenwisselingen over de onjuiste denkbeelden van tegenstanders vaneen bijzonder belang, mits natuurlijk de goede toon in acht genomen wordt en persoonlijke gevoeligheden zooveel mogelijk worden ontzien. Het is mij dikwijls opgevallen, dat in landbouwbladen hier te lande zoo angstvallig schijnt te worden vermeden, om critiek te oefenen op de uitlatingen van Ministers, ook wanneer daarvoor m.i. alle aanleiding zou bestaan. Men volstaat met de vermelding in het orgaan, en overigens adresseert men eenmaal, tweemaal en ten derdenmale, zonder dat van eenige uitwerking iets wordt gemerkt (denk aan Ouchy). Men is blijkbaar bevreesd de ministers te ontstemmen. Als daarvoor inderdaad gevaar bestaat, zoo acht ik deze gevoeligheid een fout bij de ministers, voortvloeiende uiteen onjuiste opvatting van het begrip „gezag” en van de positie vaneen Minister tegenover het Volk. Volgens mijn opvatting behoort een Minister zich te gevoelen als eerste dienaar van het Voik. En wanneer een vertegenwoordiger van een groote volksgroep critiek uitspreekt, dan kan de Minister zich deze critiek aantrekken of wel naast zich neerleggen, maar hij mag als dienaar des Volks geen boos antwoord geven en verder zijn plichten tegenover die volksgroep niet uit het oog verliezen wegens een in zijn oogen oneerbiedige bejegening. Bij ons constitutioneel regeeringsstelsel zijn de Ministers verantwoordelijk tegenover de Volksvertegenwoordiging. En bij bet recht van vrije gedaehte-uitimg (binnen bepaalde grenzen), welk groot voorrecht hier te lande bestaat, staat bet m.i. ook ieder ingezetene vrij, om de uitingen van Ministers te bespreken en te critiseeren, mits persoonlijke beleedigingen. achterwege gelaten worden. Het is mijns inziens ten zeerste in het belang van den landbouw, dat critiek op uitlatingen' vaneen Minister inde landbouworganen wordt opgenomen, indien daartoe aanleiding bestaat. We weten, dat het nagelaten wordt in verband met een soort officieel© erkenning van de C.L.O. door de Regeering, doch ik acht de zaak niettemin ongezond. * ♦ * Doch mijn inleiding is reeds te lang geworden en ik wil tot mijn onderwerp overgaan. Dit is: hoe kritiek de toestand van den landbouw reeds geworden is 6n hoe deze zich vermoedelijk verder ontwikkelen zal. Ik woon temidden van landbouwers met gemengd bedrijf op zandgrond. Het is mij daardoor van nabij bekend, dat de financieel© uitkomsten van het bedrijf het laatste jaar nog veel ongunstiger zijn dan in het vorige. Gevolg: de neringdoenden klagen sterk, terwijl een groot deel der huurboeren geen of weinig pacht en hypolheekboeren geen of weinig rente kunnen betalen. De crisispachtwet staat daartegenover machteloos. Wanneer pachters en borgen niet meer kunnen betalen, dan helpt het niet of de Crisispaohtkamer 25 of 50 of zelfs 100 pet. reductie verleent. Ondanks de pachtwet gaan vele boeren hun ondergang tegemoet! De oorzaak is, zooals bekend, dat dfe prijzen der producten nog steeds beneden de productiekosten liggen. En het ziet er voorloopig niet naar uit, dat daar spoedig veran- *

dering in zal komen. Verwacht kan dus worden, dat de moeilijkheden en ontreddering op het platteland verder voortgang zullen hebben, en dat bet Rijk voor steeds grooter moeilijkheden zal komen te staan. De moeilijkheden zijn vooral begonnen op het platteland, maar zullen ten slotte het hevigst zich uiten inde steden. Inde belangrijke openingsrede van de najaarsvergadering van het Drentsch Landbouwgenootschap, heeft de voorz., de heer H. Meijeringh van Gieten, cijfers medegedeeld, waaruit ook de zeer ongunstige toestand van de provincie Drenthe als gevolg van de crisis inden landbouw duidelijk kan blijken. Aan deze cijfers is m.i. inde pers niet die aandacht geschonken, die ze verdienen. De heer Meijeringh deelde mee, dat volgens de gegevens van het boekhoudbureau de bruto-opbrengst der bedrijven gemiddeld gedaald was met een bedrag van ongeveer f 250 per hectare (vergeleken met normale jaren), welke daling over de geheele provincie op ongeveer 37>/s millioen gulden te berekenen is. Naast dit bedrag wordt gesteld de som der aanslagen in de inkomsten-belasting voor de jaren 1929 en 1930 voor de geheele provincie, welke ongeveer 53 millioen gulden bedroeg. Deze cijfers nader beziende, kan opgemerkt worden, dat indien dit tekort inde opbrengsten ook inde andere provincies gemiddeld evengroot zou zijn, het voor heel Nederland een bedrag van ongeveer 550 millioen zou uitmaken. Een paar jaren geleden werd hetzelfde tekort nog slechts berekend op 130 millioen gulden, wel een bewijs, dat dte toestanden in den landbouw, ondanks alle zoogenaamde steunmaatregelen, inde laatste jaren nog veel ongunstiger geworden zijn, en inderdaad kritiek genoemd mogen worden. Men heeft in Den Haag, ook in Regeeringskringen, lang op het standpunt gestaan, dat de landbouw zich. moet aanpassen aan een lager prijsniveau, evenals in 1880. Zou men nog denken, dat dit bij de tegenwoordige wereldmarktprijzen mogelijk is? Engeland kan anders het antwoord geven, waar beste gronden in jachtvelden herschapen zijn. Het andere cijfer van 53 millioen gulden, als som van de aanslagen inde inkomstenbelasting, in heel Drenthe ineen min of meer nog normaal jaar, stellende naast de 37.5 millioen tekort inde opbrengsten van het landbouwbedrijf, blijkt duidelijk welk een funeste invloed van dat tekort op de. belastingaanslagen ineen volgend jaar zal moeten uitgaan. Want dit bedrag van 37.5 millioen kwam zeker voor het overgroote deel van buiten de provincie, en een groot deel ervan zal op een of andere wijze inkomen vormen van Drentsche ingezetenen. Voor een deel natuurlijk van arbeiders en anderen, die niet aangeslagen zijn inde inkomstenbelasting. Het is zeer moeilijk na te gaan welk deel van de 37.5 millioen in mindering zal komen van de som der belastingaanslagen ineen volgend jaar. Doch, het zal denkelijk een groot deel zijn. Want ten» gevolge van het bekende feit, dat het inkomen van den een ook weer voor een groot deal inkomen is van anderen, zal de som van alle, belastingaanslagen ineen provincie of in het geheele land belangrijk meer dalen dan het bedrag, waarmede feitelijk het totale inkomen verminderd is. Ik meen zelfs niet ver van de waarheid te zijn, indien wede eerstgenoemde daling op het dubbele stelen van het feitelijk© bedrag der vermindering. Het ware o.i. niet zonder belang, dat hieromtrent aan de werkelijkheid ontleende cijfers konden worden verzameld.1) In. de najaarsvergadering van de Groninger Maatschappij van Landbouw heeft de voorz., de heer Louwes, ook een cijfer genoemd van het tegenwoordige tekort der landbouwbedrijven. Doch dit cijfer is anders genomen dan dat van den heer Meijeringh. Daarom kunnen beide getallen niet zonder meer naast elkaar geplaatst worden. De heer Louwes heeft dan gezegd, dat volgens de uitkomsten van het boekhoudbureau in Groningen, het bedrag dat de bedrijven gemiddeld per H.A. meer zouden moeten hebben ontvangen om vaneen ©enigermate loonend bedrijf te kunnen spreken, rond flOO bedroeg. In aanmerking genomen dat Groningen in zeer veel grootere mate van den tarwesteun profiteert dan Drenthe, meenen we dat het tekort per H.A. voor de Drentsehe bedrijven, genomen inden zin van den heer Louwes, meer bedraagt dan flOO en vermoedelijk wel f 150. Trouwens, dit bedrag moet voor die verschillende bedrijven individueel wel zeer uiteenloopen. Een bedrijf dat goed „inde mest” zit en uit oud land bestaat, terwijl al het werk geheel met eigen werkkrachten kan geschieden, verkeert ineen zeer veel gunstiger conditie dan een bedrijf op nieuwen grond, en dat bovendien veel gehuurde werkkrachten nemen moet. ♦ * ♦ Komende tot het tweede deel van mijn onderwerp, hangt de vraag, hoe die toestand van den landbouw zich verder ontwikkelen zal, m.i. vooral af van de wijze waarop ons land in de eerstvolgende jaren zal worden bestuurd. Blijft het regeeringsbeleid van thans (handhaving in naam van den zoogenaamden vrijhandel) bestaan, dan zie ik de toekomst zóó, dat de verarming van het platteland nog verder voortschrijden zal. Vele gronden, vooral ontginningen, zullen onbebouwd blijven liggen en tot heide weerkeeren. (Reeds thans gebeurt dit hier en daar.) Het aantal werkloozen zal nog belangrijk toenemen, en werkverschaffing of armenzorg zal uitgebreid moeten worden. Toch zal niet voorkomen kunnen worden, dat honger en gebrek hun intrede in vel© gezinnen zullen doen, vooral inde gezinnen van kleine renteniers. De gemeenten zullen in steeds grooter mate een beroep op rijkssteun moeten: doen, doch zuilen wel niet meer geholpen kunnen worden want ook het Rijk zal in groote moeilijkheden komen te verkeeren, zoodra de leeningsmogelijkheden zullen zijn uitgeput. Dit is thans nog niet het geval. Overheidsinstellingen zooals de Rijkspostspaarbank, Postgiro-dienst, Rifksverzekeringsbank, enz., schijnen voorloopig nog voldoende inde kasgeldbehoefte van het Rijk te kunnen voorzien. Ik meen echter inderdaad, dat daaraan eenmaal een einde zal komen en dan zal het m.i. wel heel moeilijk zijn om aan een inflatie van het ruilmiddel te ontkomen. Nu acht ik een kleine inflatie niet zoo heel erg, mits de waarde der munteenheid maar niet verder daalt dan tot een bepaald punt, waarop zij gestabiliseerd

kan worden. Doch het gevaar is groot, dat eenmaal op het bellend viak zijnde, een steeds verder gaande depreciatie noodzakelijk wordt, met de funest© gevolgen, welke het Duitsche volk heeft meegemaakt en waarnaar men daarginds niet weer verlangt. Deze voorspellingen klinken wel zeer pessimistisch, maar waarom zal men ineen zóó ernstige aangelegenheid de toekomst minder zwart schilderen dan zij zich zéér goed ontwikkelen kan? Stellen we nu daartegenover hoe de welvaartstoestand in ons land zou kunnen zijn, indien een ander en beter regeeringsbeted werd gevolgd. Dan moet vooropgezet worden, dat voor zooveel mogelijk inwoners van ons diebtnevoikte land werkgelegenheid in het vrije bedrijf behoort te bestaan. Bit zal vermoedelijk zelfs bij sterke loonsverlaging niet meer kunnen gelukken inde industrie, doch is wel mogelijk inden land- en tuinbouw, indien deze bedrijven loonend kunnen worden beoefend. En dit laatste kan alléén, wanneer de bedrijven in hoofdzaak produceeren voor de binnealandsche consumptie, met uitsluiting van het teveel aan buitenlandschen aanvoer. Een welvarend en intensief arbeidend platteland kan heel wat industrie-productien afnemen, terwijl het daarbij ook den tusschenhandel en da neringdoenden goed kan gaan. Geheel zonder buitenlandseben handel zal ons land het niet kunnen stellen. Bij een welvarend platteland zal die handel echter toenemen., terwijl bij; het tegenwoordig beleid die handel steeds meer zal inkrimpen, aangenomen dat de wereldtoestand ongewijzigd blijft. In Regeeringskringen schijnt men nog steeds te denken, dat de wereldcrisis slechts enkele jaren duren zal, doch velen achten dit een groote vergissing. Al zullen er inde toestanden inden loop der jaren zeer zeker schommelingen voorkomen, toch zijn er redenen te over om geen terugkeer van de oude toestanden te kunnen verwachten. Mijn conclusie ten slotte is, dat de ontwikkeling der binnenlandsche toestanden te ernstig is om het verder maar met bej tegenwoordige Regeeringsbeleid aan te zi©n. Het is m.i. noodig, dat de Regeering het roer omgooit, en wanneer zij zich daartoe niet in staat mócht achten, dan behooren andere stuurlui op het schip te gaan, die dat wél kunnen. We zijn overtuigd, dat de noodige bekwame stuurlui wel in ons land te vinden zijn, zij het ook misschien niet inde eigenlijke politieke kringen. Assen. E. DREESMAN IJ. i) De schrijver roert hier een zeer belangrijke kwestie aan. Het inkomen uit landbouwbedrijf is oorspronkelijk inkomen, waarvan de andere inkomens ineen uitsluitend landbouwende provincie als Drenthe worden afgeleid. Naarmate dit oorspronkelijk inkomen verdwijnt, zullen ook de andere inkomens verdwijnen. Het gaat er mee als met een huis, waarvan het fundament ineenzakt. Het geheele huis gaat dan mee te grond© Red. L. en M. : ZOEKLICHTJES. Professorale inzichten .... Inde Tel. stond ©en artikel van Prof. Polak over de Tarwewet. Hierin wordt door den hooggeleerde een becijfering gegeven omtrent het duurder worden van ’t brood, tengevolge van ’t hcoger percentage der inlandsche tarwe. Volgens zijn berekening zal de broodprijs IV2 a 2 cent verhoogd moeten worden, als tenminste de bakker zijn zelfde winst zal willen behouden. Hij meent, dat het niet gerechtvaardigd is boven de reeds opgelegde lasten voor tarwe, zuivel en anderen agrarischen steun, de stadsbevolking opnieuw te bezwaren ten bate der boeren. Bovendien acht hij het heelemaal onjuist, dat ook de vermogende boer, of hij, die nog vermogende familie heeft, den regeerlngsprijs voor tarwe ontvangt. Wat jammer, dat de heer Polak geen zitting had inde Commissie-Welter. Dan hadden zeker alle professoren, ambtenaren, leden van de Tweede Kamer enz. enz., die een zeker vermogen bezaten, of vermogende familie hadden., geen cent traktement gekregen. Wat had dat een bezuiniging kunnen worden, welk© mooie en monumentale gebouwen had de regeering daarvan kunnen zetten. Denkt de heer Polak nu werkelijk, dat de regeerlngsprijs voor tarwe zoo hoog is, dat een boer met ©en vrij groot bedrijf, hiermee een professors-inkomen verdient? En de „vermogende” boer, zou die dus zijn land moeten bezaaien, wanneer hij voor zijn te verbouwen product een prijs kreeg, die verre beneden den kostprijs bleef? Hoe spoedig zou hij dan ook behooren tot de „nooddruftigen” en hoeveel steuntrekkende arbeiders zouden er dan weer bij komen. De heer Sneep zei in zijn openingsrede van de Nb. Maatschappij van Landb., dat alle weerstandsvermogen der boeren weg is en dat de ontwrichting zoo groot is geworden, doordat te lang met hulp is getalmd. De landbouwstand zonk zoo diep weg in het economisch moeras, dat alleen krachtige maatregelen over de heele linie het platteland nog kunnen redden. Ik ben het volkomen eens met den Duitschen minister van Landbouw, wanneer hij zegt, dat slechts een organische agrarische politiek een uitweg kan bieden uit de moeilijkheden. Eerst dan zal ’t een gezonde toestand worden, wanneer de Nederlandsche korenverbouwer en de Nederlandsche breodeter elkaar beschouwen als medewerkers. Een stuk als dat van den heer Polak zaait haat en tweedracht. Wat dr. Labat zegt van den Franschen boer, geldt in niet minder mate voor den Nederlandschen, n.l. dat de toekomst en de glorie vaneen land rusten op het bewaren en de vervolmaking van de ziel zijner boeren. Laat er dan geen afgunst zijn bij de stedelingen, wanneer een of ander landbouwproduct in prijs wat verhoogd wordt, want er is nood, bittere nood op het platteland en wee als de ziel van het boerenvolk verloren gaat.

De Crisisvergadering te Leeuwarden. Dat de gedachten, welke wij voorstaan, ingang vinden, bleek voldoende uit d© belangstelling voor bovengenoemde vergadering, gehouden 16 Dec. j.f. Op het vastgestelde uur waren beide vergaderzalen van het hotel „Amicitia” overvol met belangstellenden, die vanuit de geheele provincie opgekomen waren om van onzen eminenten adviseur het antwoord te booren op de vraag: „Wat dient gedaan om een volslagen inzinking van het platteland te voorkomen?” De vergadering werd gepresideerd door den heer J. K. Douma, van Opeinde (Sm.), voorz. van den Agr. Bond in Fr, De opening. De heer Douma sprak het volgende openingswoord : Dames en heeren! Het woord crisis wordt in den tegenwoordigen tijd veel gebezigd. Dit is zeer verklaarbaar, gezien de ontwrichting der verhoudingen, welke zich heeft voltrokken in ons economisch leven. Hoewel we vooropstellen, dat in vele takken van bedrijf, tengevolge van de hierboven genoemde ontwrichting, moeilijkheden rijzen, dient daarnaast dan toch te worden geconstateerd, dat onze Nederiandsche landbouw staat inden hoek, waar harde klappen worden uitgedeeld. Onze landbouw is tot dusver steeds geëxploiteerd inde richting van export. De door onze regeering tot dusver gevoerde landbouwpolitiek, gericht op het beginsel van vrijhandel, gaf hieraan steun en perspectief. De verschillende Landbouwmaatschappijen doen uitstekend \yerk op het gebied van voorlichting en verbetering van het landbouwbedrijf: selectie van de gewassen, verbetering van den afzet, bevordering van controle op melkopbrengst en vetgehalte, cursussen, proefvelden, te veel om op te noemen. De regeering verleent hierbij steun en medewerking. Coöperatieve vereenigingen op landbouwgebied zorgen voor doelmatige in- en verkoop van landbouwbenoodigdheden en -producten. De coöperatieve zuivelbereiding heeft veel gedaan tot verbetering en verhooging van kwaliteit en kwantiteit onzer zuivelproducten. Inderdaad, onze Nederlandsche landbouw is naar mijn meening, wat de techniek van het vak betreft, uitstekend geoutilleerd, en onze landbouw- en veeteeltproducten hebben zich dientengevolge een dusdanigen goeden naam verworven in het buitenland, dat vaneen wereldreputatie mag worden gesproken. Daarom raden wij ook iederen boer aan, zijn organisaties te steunen met woorden daad, omdat zeer zeker ook inde toekomst,, door opvoering der techniek en rationalisatie der bedrijven, het veie werk van landbouwmaatsebappijen, enz. rijke vruchten zal afwerpen voor den boerenstand. Het expioiteeren van den landbouw inde richting van export is steeds goed gegaan, zoolang de vrijhandel practisch internationaal'werd toegepast. Wij allen zijn thans bekend met de belemmerende bepalingen, die onze verschillende afzetgebieden onzen export hebben opgelegd en de catastrofale daling, die onze Landbouw- en veeteeltproducten dientengevolge heb ben ondervonden. De Nederlandsche landbouw heeft zich ernstig rekenschap t® geven van de reconstructie, welke zich gaat voltrekken in bet economisch leven van de omringende Europeescbe landen; onze afzetgebieden. Daarnaast beeft zich in onze samenleving ontwikkeld een streven, dat dtoor vakorganisatie, bond, trust en kartel, tracht het bereikt© loonniveau en joonende prijzen te behouden. Het gevolg vaneen en ander is, dat de boer, de artikelen welke hij voor zijn bedrijf, huis» houding, enz., noodig heeft in verhouding duur moet betalen, terwijl datgene wat hij produceert, weinig opbrengt. Al de factoren, welke op deze situatie van invloed zijn geweest, voor U uiteen te zetten, het zou mij te ver voeren. Het is bovendien ook niet noodig. Onze adviseur, de beer Smidi, zal zeer zeker bij zijn inleiding bovengenoemde factoren onder de loupe gaan nemen, die oorzaken van de landbouwcrisis U gaan demonstreeren, doch wa,t meer zegt, U tevens richtlijnen wijzen, waarlangs naar zijn inzichten verbetering is te verwachten. De Agrarische Bond in Friesland staat practisch nog in zijn kinderschoenen. Het is thans nog geen jaar geleden, dat zich in dfe omgeving van Drachten een Comité van Actie heeft gevormd. Velen Uwer zullen zich zeker herinneren de openbare vergadering, gehouden in Mei 1932 in deze zaal te Leeuwarden met den heer Smid als spreker. Op die vergadering heeft onze Bond zich provinciaal bevestigd. Het comité kreeg medewerking toegezegd van vele personen, uit verschillende deeten van de provincie. Er bestaat een uitstekende verstandhouding en samenwerking tusschen de Noordelijke Boerenbonden, n.l. de zustervereeniging in Drenthe en in Groningen, waarbij ook thans nog de provincie Overijsel is gekomen. Dit stelde ons in staat, over te kunnen gaan tot uitgifte vaneen eigen orgaan, dat sedert Augustus iedere veertien dagen onder den titel „Landbouw en Maatschappij” verschijnt. In dit blad worden geregeld doel en streven van onze beweging uiteengezet. Verder wordt steeds gewezen op de fundamenteele beteekenis van den landbouw in ons economisch leven, en op de belangrijkheid dientengevolge voor den landbouw en de indirect betrokkenen, om op politiek economisch terrein zijn invloed te laten gelden. Deze vergadering is belegd met het doel, propaganda te maken voor onze beweging, door onze inzichten in het openbaar te verkondigen. Daarom wek ik de aanwezigen op, de straks door onzen inleider uiteen te zetten ideeën ernstig te overwegen. Het bestuur heeft getracht aan deze vergadering, door advertenties inde verschillende bladen, enz. publiciteit te geven. Daarnaast zijn autoriteiten, besturen van corporaties en vereenigingen, uitgenoodigd voor deze vergadering. Ik weet niet wie van de bovengenoemde besturen, enz., hier tegenwoordig zijn, omdat ik al deze menschen niet persoonlijk k©" Daarom zal zeer zeker niemand bet mij ten

kwade duiden, wanneer ik geen namen ga noemen, doch in het algemeen ieder van hen, die door zijn aanwezigheid op deze plaats blijk ’ van belangstelling geeft, namens ons bestuur een bijzonder woord van welkom toeroep. Daarnaast een afzonderlijk woord van wel kom tot onzen inleider, den heer Smid, die ondanks het kliiftmen zijner jaren, op een zoodanige intense wijze meeleeft met de tegenwoordige moeilijke positie van onzen landbouw, dat hij zich geroepen en geïnspireerd gevoelt, hieraan zijn kennis, ervaring en inzichten te geven. De Boerenbonden stellen dit op hoogen prijs. Tenslotte vergadering, welkom aan U allen. Het doet het bestuur genoegen, dat ge in zoo groeten getale hier aanwezig zijt. Uwe aanwezigheid is voor den Agrarisohén Bond in Friesland, het sprekende bewijs, dat doel en streven van deze beweging in het teeken der belangstelling staan. Het bestuur hoopt, dat uwe belangstelling tot medewerken mag leiden. De rede van den heer J. Smid. Hierna werd het woord gegeven aan den heer Smid. Deze vangt aan met te zeggen, dat twee omstandigheden hem hebben bewogen, zijn medewerking te verleenen aan de actie der boerenbonden,. Inde eerste plaats zijn afkomst uiteen arbeidersgezin, dat het met moeite tot den kleinen boerenstand had gebracht. De problemen, die spreker in zijn jeugd daarbij heeft leeren kennen, zijn voor hem aanleiding geweest, zijn geheele leven aan de bestudeering daarvan te wijden. En als hij nu ziet, dat tal van nijvere menschen, die altijd zijn sympathie hebben gehad, dooreen zeer verkeerde politiek naakt worden uitgekieed en van alles wat zij met zooveel moeita hadden verworven, worden beroofd, dan kan spreker dit niet als werkloos toeschouwer aanzien. Daartegen komt zijn sociaal gevoel in opstand. In dit verband wordt door spr. uitgewerkt het vrijhandelsbeginsel, als zijnde in strijd met sociale opvattingen, Inde tweede plaats acht spreker het een groote fout, dat men onzen bodem verwaarloost. Juist met het oog op de moeilijkheden, waarmede onze scheepsvaart, onze export» industrie en onze Indische ondernemingen hebben te kampen, waardoor duizenden hun bestaan verliezen, is het van het allerhoogste belang, onzen bodem zoo intensief mogelijk te expioiteeren. Spr. verklaart ten dezen, dat de gevolgde economische politiek onzinnig is geweest en wijst dan op de belangrijkheid van den landbouw. De helft van onze bevolking kan bestaansgelegenheid inden landbouw vinden. Met het inzicht van Dr. Colijn, waar die heeft betoogd, dat wij onze landbouwproducten moeten uitbreiden, is spreker het volkomen eens. Wij moeten zorgen, dat nog meer menschen dan vroeger direct en indirect van onzen bodem kunnen leven. Wij doen echter precies het tegenovergestelde. In regeeringskringen is men stede'ijk en in» dustriëel georiënteerd; daardoor wordt de landbouwcrisis niet begrepen. De gevolgde sociale en economische politiek, welke tot nadeel van het platteland is geweest, wreekt zich thans. De landbouwende bevolking heeft voor een groot deel hieraan schuld, daar het steeds de politiek heeft gemeden. Sociaal en economisch heeft het platteland geslapen. Spr. schetst vervolgens twee graden van politiek: van lagere en van hoogere orde. Spr. wekt op tot den strijd voor politiek van hoogere orde. Het doel der Bonden is, de landbouwende bevolking op politiek gebied beter te scholen en haar daardoor grooteren invloed te ver-t zekeren, opdat een einde kome aan de uitbuiting, door middel van de politiek, van de landbouwende bevolking door de andere bevolkingsgroepen. Onze strijd is geen partijstrijd, maar een strijd tegen de fout van alle partijen, waar zij gemeen hebben, dat door zeer verkeerde inzichten op economisch eg sociaal gebied, het platteland ten offer wordt gebracht, om onder leiding vaneen het economisch spoor totaal bijster geraakte democratie, bepaalde bevolkingsgroepen tijdelijk te doen feest vieren met het uiteindelijk gevolg, dat stad en land beide ten onder gaan!! Spr. wekte vervolgens nogmaals op voor den strijd van politiek van hoogere orde. Naar één man wordt niet geluisterd, al vertelt hij waarheden ais koeien, naar de massa wel. Het streven der boerenbonden is er op gericht om met de bestaande landbouworganisaties een vruchtbaar samenwerken te bevorderen. Dan oefent spr. critiek uit op het regeeringsbeleid ten opzichte van de genomen crisismaatregelen; spr. noemt deze ontactisch en systeemloos. Te veel wordt steun verleend aan afzonderlijke producten, waardoor het bedrijf wordt ontredderd. Duidelijk wordt dit aangetoond met betrekking tot de tarwe, varkens en zuivel. Steun aan rogge wordt bepleit. Daarna gaat spr. over tot de bespreking van het beginselprogram der boerenbonden, noemt het belangrijkste punt daarvan het brengen vanl de prijzen van alle producten op een peil, dat een behoorlijke beiooning van den landbouwarbeid mogelijk maakt en een zoo intensief mogelijke exploitatie van den bodem bevordert. Om dit te bereiken, zal met den vrijhandel ggbroken moeten worden, daar dit niet te vereenigen is met onze sociale opvattingen. Men kan niet de loonen stabiliseeren en de prijzen der producten los laten. Onze productie voor export zal moeten worden Ingekrompen en die voor binnenlandsche •behoefte uitgebreid. Wij kunnen op den export niet steeds geld bijleggen. Aan een spoedig herstel vaneen loonenden export gelooft spr. niet. Verschillende oorzaken drijven de wolken meer en meer inde richting van zelfvoorziening. Dan behandelt spr. nog uitvoerig de sociale politiek. De boerenbonden nemen ten dezen als uitgangspunt het diep inde ziel der landbouwende bevolking levende besef der individueele bestaansverantwoordelijkbeid. Om te komen tot een betere maatschappij, moet ieder zooveel mogelijk zorgen door eigen kracht tot welvaart te komen. De overheid heeft tot taak, dit streven te steunen. Gezorgd moet worden dat ieder de vruchten van zijn, streven kan plukken. Daarvoor is noodig een stabiel prijsniveau, een vaste waard© van het geld. Groote schommelingen inde waarde van het geld maken credietbedrijven onmogelijk. De overheid mag door haar wetten er niet toe medewerken den een in nood Je brengen