is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 2, 1933-1934, no 13, 25-01-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ.

No. 13 Tweede Blad.

2e jaargang.

25 Jan. 1934.

Onze Hoogere Roeping. Over bovenstaand onderwerp sprak op de algem. vergadering van den Drentschen Boerenbond de heer D. v.d. B O'S poort te Emmen. Spr. begon met te zeggen, dat voor veler begrip de woorden roeping en boer iets zoover uiteenloopends uitdvukke.n, dat het onderwerp „Onze hoogere roeping” voor een vergadering van boeren klinkt als het opgeven vaneen raadseltje. Nochtans hebben boeren een hoogere rosping. Zij zijn te vergelijken met de eenvoudige visschers aan de stranden, die de reddingboeien bevolken als dat noodig is. Zooals het schuim het geweld van de branding teekent, zoo beteekenen de moeiten en de zorgen de levenszee der huidige maatschappij. Als een groote ocenaanstoomer in nood, is de huidige samenleving. Het schip is in nood, maarde lichtzinnige en onwetende opvarenden blijven nog dansen op de maat der muziek, liever dan zich gereed te maken om over te gaan in het huikje dat de reddingboot is. ’sZomers inde lachende zonneschijn, vermaken zich aan het strandde mondaine badgasten en den soberen visscherman gaan zij onachtzaam voorbij. Maar wanneer diezelfde badgast als passagier vaneen vergaand schip, overgaat inde reddingboot, wil hij dienzelfden visscher wei omhelzen. De nood moet maar eerst kloppen aan het hart. Er moge dan eerst geen vertrouwen zijn inde onaanzienlijke reddingboot, de bemanning bestaat uit stoere kerels met een roeping tot redden, waarvan zij zich bewust zijn en hetgeen hun kracht geeft. Zoo is volgens spr. voor het op de branding van de crisis deinende en in hoogen nood verkeerende schip der samenleving, de redding, boot het sobere platteland. Zoo zijnde boeren de redders met een roeping, el weet men dat nog niet en al worden zij nog minachtend voorbijgegaan door dé1* lichtzinnige badgasten, waarvan de wereld vol loopt. De reddingmaatschappijen doen telkens een beroep op de hulp van het volk, opdat zij in staat gesteld blijven hun werk in tijd va(n nood te doen. Wie het juist inzien, moeten op gelijke wijze een beroep doen op het voik. De heer Smid pleit met zijn ‘economische Stellingen voor het stoffelijk op kracht houden van de redders; hij vraagt loon voor de bemanning van de reddingboot, dat de samenleving verplicht is, haar te geven. Hun hoogere roeping geeft hun recht op erkenning als volwaardigen, gemeten met de eerlijke maat van rechtschapen billijkheid. De hoogere roeping der plattelanders is geen andere, dan het bewaren der beste bestand-Üeelen inde menschelijke maatschappij, het bewaren van Gods schepping zelve. En bewaren beteekent inde wereld van dit oogenblik allereerst redden. Want het wereldbeeld is toch dat vaneen bijna verlorene. ledereen heeft den mond vol van het woord crisis, honderd en een. dokters scharen zich om het ziekbed der maatschappij, maarde meesten komen niet verder dan zich bezig houden met de uiterlijke verschijnselen der kwaal en peilen niet de diepere oorzaak. Men spreekt overeen economischen, crisis, over omstandigheden die tegenwerken, maar men vergeet, dat het menschen zijn, die de economie inde war schopten en die de omstandigheden maakten, zooals ze zijn. Wil het beter worden, dan moeten de menschen veranderen en dat gebeurt niet door het verkondigen van allerlei t theorieën, waarvan er al zóóveel zijn opgesteid, dat we inde theorie dreigen om te komen. Wij moeten bevrijd worden van de doodpratende theorie en terug naar de erkenning van de zichtbare en onzichtbare waarheden van het leven zelve. Dat bevrijdingswerk is de cultuurtaak van het platteland. Velen zullen dat een waanwijsheid noemen, maar hen herinnert spr. er met eerbiedigen schroom aan, dat twintig eeuwen geleden door de steedsche leiders van het volk te Jeruzalem ook de vraag gesteld wer: Kan uit Nazareth iets goeds voortkomen? Dat was dezelfde geringschatting jegens het platteland, die we ook thans waarnemen. Wij hebben pas Kerstfeest gevierd en dat heeft er weer de aandacht op gevestigd, dat, alle geringschatting ten spijt, God het platteland, de eenvoudige herders bij het armelijke vee het eerst Zijn grootste boodschap voor alle tijden en alle menschen heeft laten verstaan. En nu zijnde steden veranderd en het platteland is veranderd, maar nog altijd is het platteland geroepen tot het verstaan en het doorgeven van de stem van den Schepper. Spr. verklaarde dan verder, dat het hem niet gaat om de steden en de dorpen, maar om Üe menschen en hun geluk. Niet de mensch als vernuftig productie-apparaat, maar ais hoogste schepsel, met een ziel, is het, die hem bezighoudt. Niet of we nog meer stoffelijk goed kunnen winnen, nog meer machines kunnen uitvinden, nog grootere snelheid kunnen bereiken of nog' meer wedstrijden kunnen winnen, maar of er hooger innerlijk geluk mogelijk is. Dit moet de vraag zijn, die beantwoord wordt. Fiesschenkinderen, leert de medische wetenschap, zijn minder sterk dan kinderen, die de moedermelk krijgen. De stedelingen zijn fiesschenkinderen en zelfs de melk voor de flesschen moet van ons, plattelanders komen. Niet alleen lichamelijk, ook geestelijk geldt dat. Aan de hand van statistische cijfers van Nederlandsche en Duitsche onderzoekers toonde spr. den groei der wereldsteden aan, alsmede het feit, dat die groei ook gelijk zou zijn zonder een gezand platteland. Inde moderne grootstad moet in het derde of vierde geslacht, iedere familie uitsterven, volgens een Duitsch geleerde, die aantoonde, dat de jacht van het moderne stadsleven het vermogen tot voortplanting ondermijnt. Zonder aanvulling van het platteland zou Berlijn in dertig jaren een millioen zielen minder tellen en in vijfmaal dertig jaren ontvolkt worden, bloedbron des volks. I Vandaar dat men terecht het platteland de bloedbron des volks noemt. Dat behalve lichamelijke verzwakking, ook karakterzwakbeid en geestelijke achteruitgang det noodzakelijke gevolgen van het stadsleven

zijn, zette spr. vervolgens uiteen. Hij beriep zich daarbij op den christelijken Duitschen arts Dr. Grassi, die den boerenstand noemt: oorsprong van al het leven, hoeksteen vaneen gezonden staat, bewaarder van zeden en godsdienst. Daarin is vervat de hoogere roeping van he platteland. De spreker wees er ten slotte op, dat alleen een zichzelf begrijpend platteland door de maatschappij begrepen zal worden en dat, om ten volle de hoogere roeping te kunnen vervullen, het platteland een eenheid moet vormen en niet moet voortgaan zich in allerlei organisaties te versplinteren. Landbouw en Maatschappij is voor het leiden van de cultuurtaak aangewezen, naast de technische leiding der landbouworganisaties bij welker nuttigen arbeid alleen de boeren belang hebben —, terwijl L. en M. ook andere standen in zich moet opnemen. Aan het adres van den Ohr. Boeren- en Tuindersbond, die zich tegen L. en M. keert, zeide de heer Van de Bospoort, dat het zich afscheiden in uitgesproken christelijke organisaties neerkomt op het samenknijpen van den zuurdeesem, op het op een hoopje leggen van het zout der christelijke beginselen, die. naast het brood, waarvoor zij bestemd zijn, moeten verschimmelen en verslaan, instede van het brood der samenleving smakelijk te maken. Spr. wees de leiders dezer organisatie op hun verantwoordelijkheid van juist in ander milieu Christen te durven en te kunnen zijn. Met een krachtig pleidooi voor aansluiting bij L. en M. en het bewaren van den algemeenen geest van het christelijke geloof ten plattelande en inde maatschappij eindigde spr. zijn rede. Zendtijd. Onvervalschte Avro-vrienden wierpen ons dezer dagen tegen, „dat het toch; voor de Avro niet aangaat alle mogelijke belangengroepen Voor de microfoon aan het woord; te laten”. Dit naar aanleiding van de actie, die door „Landbouw en Maatschappij” wordt gevoerd om ook via de Avro da gelegenheid te bekomen middels de aether van zich te doen hooren. Daar er hier kennelijk misverstand aanwezig is of bezig is zich te vormen, zal het zaak zijn, onze doelstellingen ten aanzien van de radio wat nader te belichten. De oorzaak van het meermalen misverstaan worden, waarbij „L. en M.” versleten wordt voor een belangengroep of zelfs voor een politieke partij, zal te vinden zijn inden grondtoon van al haar actie tot dusver, welke in de eerste plaats de herovering van emige bestaansmogelijkheid en bestaanszekerheid van den boer inden ruimsten zin betrof. Maar ook ten aanzien daarvan werd noodt nagelaten, ja juist vooropgesteld, dat de voorgestane maatregelen niet slechts in het belang waren van den landman, maar ook en vooral van het gansche platteland en uiteindelijk van de gansche natie. Al spoedig werd daarnevens meer en meer aandacht besteed aan het grondvesten vaneen deugdelijke plattelandscultuur, welke kan voorkomen, dat de uitputtende grootestadscultuur het land ten gronde richt. Als middel om tot deze doelstellingen te komen, waarvan de tweede de eerste als het ware overstolpt, bedient „Landbouw en Maatschappij” zich van de politiek inde goede be*- teekenis van het woord, en is zij dus een p o 111 iek-economische organisatie, welke meteen de draagster is vaneen cultuurbeweging. Langs politiek-economischen weg tracht ze Invloed uitte oefenen ten goede op alle politieke partijen en bewegingen volgens het beproefd recept, dat inden kop van dit blad 'staat vermeld. Al direct dringt zich bij eenig nadenken naar voren, dat de groota en grootsche taak, die „L. en M.” zich stelt, tweeledig kan worden gezien, n.l. objectief, voor zoover men de beteekenis van het platteland en het integreerend deel daarvan: de Landbouw, aan het Nederlandsche volk kenbaar gaat maken; en daarnaast het subjectief element, waarbij als weg tot beterschap wordt uitgedragen de opheffing van de tegenstelling tusschen beschutte en onbeschutte bedrijven, door ook het onbeschutte deel te beschermen zóódanig, dat der sociale rechtvaardigheid niet langer geweld wordt aangedaan, en voor zoover der tijden teruggang daartoe noopt, we het als volk in zijn geheel „slechter” zullen hebben. ♦ * * Nu zijn we zoover, dat ook de radio als middel wordt gevraagd om des te vruchtdragender werkzaam te kunnen zijn inden zin, boven uiteengezet. Dies bewandelen we daarbij twee wegen. De eerste weg. We vragen aan de Avro, als aigemeene vereeniging radio-omroeip, om dit euituurinstituut uitte bouwen inde richting als door ons wenschelijk en noodig wordt geacht. We vragen dus geenszins van de Avro een offer, om b.v. „die boeren de gelegenheid te geven hunne belangen naar voren te brengen”. Maar „Landbouw en Maatschappij” biedt aan, vraagt gelegenheid, om door nu en dan een „Landbouw-halfuurtje” te verzorgen, in objectieven zin, de Avro als euituurinstituut te vervolmaken. Het resultaat van dezen zendtijd zal hopelijk zijn, dat de plaats van den Landbouw inde Maatschappij, beter wordt begrepen. Vooral in dezen tijd, nu ieder „verstand” beeft van landbouw, zal dat niet anders dan winst kunnen beteskenen. Wij zien de stof niet als een serie voordrachten over het mesten van varkens en dergelijke, maar als een uiteenlo opende collectie van onderwerpen die actueel genoemd mogen worden. De spreker behoeft ook niet altijd een ras-Boerenbonder te zijn, het platteland geeft organisaties en figuren te over, waarbij de verzorging van interessante cultuurgrepen in vertrouwde handen is. We denken b.v. aan den Bond van Boerinnen en Plattelandsvrouwen. Een lichtpunt langs dm hier aangewezen weg is nog de persoon van den tweeden voorzitten der Avro, Dr. Molhuizen, den secretaris van het Kon. Ned. Landbouw-Comité, die zijn deskundig oordeel aan deze belangrijke zaak dienstbaar zal kunnen maken, en meteen een waakzaam oog over de gepresenteerd© stof laten weiden.

Want nog eens; we zijn alsdan de gast in het Avro-huisgezin, die ten algemeenen nutte het onze willen bijdragen tot de glorie van de gastvrouwe. In het belang van de zaak, die we voorstaan, kunnen we het evenmin over zijn kant laten gaan, dat deze zelfde Avro, die ook ten jplattelanae zooi vele warme vereerders vindt, dit ons aanbed gaat negeeren! De eerste kennismaking is weliswaar teleurstellend geweest, zelfs zóó, dat in onze afdeelingen de reactie daarop duidelijk merkbaar werd. Maar misverstand zal hier de scepter reeds te lang hebben gezwaaid; we weigeren vooralsnog aan blijvende weigerachtigheid van de zijde der Avro te geiooven. * ♦ * De tweede weg. We vroegen aan en ijveren voor eigen zendt ij d, waarbij we dus binnen de perken van de voorschriften der radio-contróle-commissie baas in eigen huis zijn en naar hartelust ons volk kunnen doordringen van de grondwaarheid, dat de Landbouw het fundament is onzer samenleving, waarop handel en Industrie zijn gebouwd; ons volk te verlossen van de waanvoorstellingen, die over de positie van den Landbouw en de boeren zoo klakkeloos worden rondgestrooid en zoo dringend hunkeren naar eenig weldadig tegengif. Dan zullen wede takken van bodemcultuur voor de microfoon laten uiteenzetten en belichten, en ook in dan boezem van den boerenstand zal men ervaren, dat de belangentegenstellingen tusschen deze takken onderling, voor een flink deel kunstmatig in stand worden gehouden of in elk geval onrechtmatig op de spits gedreven. Hetzelfde geldt in beduidende mat® tusschen de diverse uitingen van organisatie ten platteland®. Dan zullen we ook den middenstand tot samenwerking kunnen brengen, den stand die in zijn angst, dat hij door boer en arbeider als overbodig wordt beschouwd, zulke rare sprongen maakt. Kortom, via „eigen” zendtijd zullen we ons subjectief kunnen uiten, met al het bekoorlijke, het pertinente en het propagandist!- sche van dien. Alles bij elkaar is deze tweeledige actie voor de weg door de aether wel de moeite waard; in het belang vaneen zeer intensief gedreven binnenlandschen landbouw als bron van welvaart voor boer, arbeider, middenstander etc., dus als algemeen belang, als basis voor een gezond opgewekt plattelandscultuurleven , dat reeds te lang is verwaarloosd. B. MEIHUIZEN, Uit en aan Friesland. Het platteland en het verkeersfonds. Het is niet alleen de landbouwgroep, welke een moeilijken tijd doormaakt en het zou niet, goed zijn geen open oog te hebben voor den nood van sommige andere bevolkingsgroepen, welke evenzeer van de crisis hébben te lijden. Wij noemen hier slechts het textielbedrijf, de scheepsnijverheid en wel niet in bet minst het vervoerwezen, zoowel te land als te water. Wij denken hier dan ook allereerst aan bet noodlijdend vervoerwezen te land, n,l. de spooren tramwegbedrijven. Doch dit zijn rijkslichamen en de verhoogde tekorten zijn slechts door verhoogde belastingen te dekken. Om nu echter de belastingen niet topzwaar te doen worden, waarna een verhooging slechts een daling der totaalinkomsten zou beteekenen, wil men een verkeersfonds in het leven roepen, waardoor een gedeelte der tekorten van de spoorwegen kan worden gecompenseerd door de verhoogde opbrengsten van het wegenverkeer. Men denkt, door het nog jeugdige motoren rijwielverkeer met een negen millioen per jaar zwaarder te belasten, (de tegenwoordige belastingen op dit verkeer bedragen al ruim 66 millioen per jaar) de bestaanszekerheid der spoorwegen te waarborgen. Doch als wij nagaan, dat er inde laatste jaren gemiddeld per jaar 50.000 nieuwe autobestuurders worden opgeleid, dat het totaal aantal personen (dat direct en indirect zijn bestaan vindt in het motor- en rijwielverkeer, de 175.000 reeds heeft overschreden en dat daarentegen bij de spoorwegen slechts een kleine 40.000 menschen werkzaam zijn, dan is het duidelijk dat men niet straffeloos de eerste categorie topzwaar kan belasten, teneinde de verliezen der tweede categorie te verminderen. Mocht echter dit aanhangig gemaakte wetsontwerp toch worden aangenomen (wij geven het bij voldoende tegen-actie, geen groote kans), dan zou daar het gevolg van zijn, dat in hoofdzaak het platteland deze lasten weer zal moeten opbrengen, want het verkeer zelf zal het niet kunnen dragen. Er zijn dan twee mogelijkheden; öf veie kleine vrachtrijders, die het platteland zoo keurig dienen, zullen zich bij de zwaardere belasting niet staande kunnen houden, dus moeten verdwijnen en het werkloozenleger ten plattelande helpen vergrooten, óf de tarieven zullen moeten stijgen, met als gevolg zwaardere lasten voor de geheele plattelandsbevolking. Bovendien worden bij deze nieuwe wet de tertiaire (derderangs) wegen meer dan tot nu toe ten achter gesteld met als gevolg: of meer onderhoud voor de plattelandsgemeenten, waterschappen, enz., öf verwaarloosde wegen, waardoor meer slijtagekosten der wegberijders. Bovendien zal waarschijnlijk het beoogde doel ook niet worden bereikt, omdat het autoverkeer dan zat worden ingekrompen, het overblijvende deel meer vervoer zal krijgen en dus het spoorwegverkeer blijven ontlasten, zoodat er‘niet anders zal worden bereikt dan ondergang van vele kleine autoondernemers en groote schade voor het platteland en den landbouw. Er zijn bij deze wet dus wel degelijk plattelandsbelangen ten nadeele gemoeid en wij meenen ons dan ook krachtig tegen de aanneming hiervan te moeten verzetten. Het getuigt geenzins vaneen goed inzicht inde wetten der economie, wanneer men een bedrijf als van vrachtrijder en expediteur ten plattelande, een bedrijf dat ook zeer weinig rust heeft, dat steeds paraat is voor den klant, doch bovendien tot nu toe ook onafhankelijk is geweest en niet steunt op rijks-, gemeente- of provinciekassen, ten offer wil brengen aan het niet voor aanpassing vatbare, stugge en oneconomische staatsbedrijf als. de

I INGEZONDEN MEDEDEELING. VOOR HEEREN MODE-ARTIKELEN, HOEDEN EN PETTEN IS UW ADRES Jacq. van Calkar – Winschoten DOCH OOK VOOR WAATKLEEDING. alleen deze maand nog litnnul Bi] aankoop vaneen COSTUUM VAnAI PTliril een TWEEDE PANTALON nn-ir S'Al[li I GRATIS. UIL MAATWERK ONDER GARANTIE. Jacq. vort Calkar Torenstraat 19 – t.o. Wintertuin – WINSCHOTEN – Telefoon 451.

Nederlandsehe spoorwegen nu eenmaal zijn. Wat verder de groote tekorten bij de spoorwegen betreft, meenen wij dat een totaal; gemis aan verantwoordelijkheidsbesef bij vele spoorwegmannen, wel eenigermate tot de noodlijdendheid heeft bijgedragen. Bij een degelijke en langdurige voorbereiding voor een vergroot verkeer, zooals voor en tijdens de feestdagen, gaat het nog eenigszins, maar bij een onverwachte drukte, zooals wij tijdens de vorstperiode hebben kunnen waarnemen, komt het gemis aan plicht, eigenbelang en discipline wel zeer sterk tot uitdrukking. Binnen enkele dagen was vooral het goederenverkeer hopeloos inde war. Het is dan ook zeer de vraag of die enkele tientallen miffioenen per jaar niet op doelmatiger wijze besteed zouden kunnen worden, dan voor dekking der tekorten vaneen toch ook inde toekomst niet rendabel te maken spoorwegbedrijf. Wij gelooven dan ook niet dat de slechte rentabiliteit der sDoorwegen alleen een crisisverschijnsel is Cn dat straks bij opgaande conjunctuur het vervoer per spoor zal toenemen. Hoe verklaart men anders, dat in dezen voor een ieder slechten tijd, het passagiersvervoer per auto steeds nog toeneemt en dat der spoor- en tramwegen in gelijke mate daalt? Het totaal verkeer zal nog zeker met tientallen procenten toenemen, doch alleen op den weg en niet op de rails. Een belangrijke inkrimping (vooral op locaal verkeer) met daarnaast voor het overblijvende een veel verder doorgevoerde rationalisatie van het railverkeer (electrificatie), zal dan ook een noodwendig gevolg moeten zijn en zuilen daardoor geleidelijk meer spoorwegmannen bij het wegverkeer geplaatst moeten worden. Wij zeggen niet alleen met de bedrijfsautohouders „Laat den weg vrij”, maar help mee alle wegen te verbeteren en vooral te verbrceden, opdat ook het platteland meer uit zijn isolement wordt verlost en wij ons straks bij betere tijden en belangrijk vergroot verkeer op den weg, goedkoop, veilig en gemakkelijk kunnen verplaatsen. S. VELLINGA, Leeuwarden. Allerlei. Uit één onzer afdeelingen, waar de rogge ©en eerste plaats inneemt, schrijft men om extra aandrang op de betrokken overheidsinstantiën om den in het uitzicht gestelden richtprijs van fB, nu eindelijk eens te verwerkelijken. De hoogste noteering was tof dusver f7.45, zoodat nog 55 ct. aan het doel ontbreekt. Ook wij vinden het eigenaardig met respect voor de moeilijkheden, die er ongetwijfeld zijn, dat men voor tarwe den richtprijs van f 12 nog beter kan bereiken, dan voor rogge fB. ♦ ♦ ♦ We lazen met belangstelling de rede-Van Houten van 9 Jan. j.l. te Groningen, uitgesproken voor pachters en hypotheekboeren. Het bleek wederom, dat de heer Van Houten het grondbezit en het hypotheekkapitaal in handen van ras-kapitalisten veronderstelt, die ineen „gebeeldhouwde schaal” de huren en renten opvangen. We willen niet telkens herhalen, dat dit voor een kleiner deel slechts juist is en geenszins zoo, dat mem daarop mag pleiten voor exeeutieverbod, renteverlaging of hypotheekvermindering, wat mooi klinkt voor dein moeilijkheden verkeerande boeren, maar alles zou ontwrichten tot schade van degenen, waarvoor het middel zou zijn bedoeld. Loonende productie zij het parool! om een matige rente en matige huur te kunnen voldoen. Ook de heer Van Houten wil matige huur en matige rente. Wat verstaat hij daaronder in 1933? De heer Van Houten belooft den export te willen helpen handhaven; we hopen van harte dat het op het buitenland indruk zal maken, maar we vreezen Het vasthouden aan het continuatisrecht kan slechts de komst van ©en pachtwet vertragen. Een pachtwet komt er wei en ze zal veel gelijken op het rapport dienaangaande van den Drentschen Boerenbond, zooals alles wat door de Regeering t.a.v. Landbouw wordt gedaan den geest ademt van Landbouw en Maatschappij. De persoonlijke uitingen aan veler adres, die een bekwaam en gemakkelijk redenaar als de heer Van Houten, geen glorie kunnen brengen, gaan we schouderophalend voorbij; we behoeven waarachtig geen pleidooi te houden voor Landbouwvoormannen als Smid en Van den Heuvel. Het Gron. Landbouwblad noemde de woorden aan het adres van Mr. Dubois, directeur van de R.K. Boerenleenbank te Eindhoven, die voor alles den „bankdirecteur” zou uithangen, kortweg weerzinwekkend. De hypotbeekboer, de man met blijvende plichten, heeft het thans slechter dan de pachter. Hoe deze baat zal vinden bij een pachtersbond, die een sterk ingrijpende

— J pachtwet wil, wat de waarde van den grond zal drukken, zoodat het „eigen geld” van den hypotheekboer er nooit weer uit kan komen, is ons een raadsel. Laat men slechts ij veren voor een redelijke pachtwet! * Persuitingen. Ineen verslag vaneen rede over: „De beteekenis van den tuinbouw inde economische samenleving” in „De Telegraaf’ en gehouden, door den heer J. L. Verhagen, cand.-not. te Rijswijk, spreekt deze zich uit voor den internationalen vr ij hand cl, omdat da tuinbouw kwalitatief tegen ieder tuinbouwproduct van vreemden bodem op kan. De geachte spreker zal het met ons eens zijn, dat men in het buitenland zich er voor moet uitspreken. Binnenlands is dit geen probleem. Wel is binnenlands een pro-, bleem, of men ook voor nationalen vrijhand el, dus algehcelen vrijhandel is, Ook al is de heer Verhagen met ons een voorstander van absol u t en vrijha n d e 1, dan wil dat nog niet zeggen, dat er veel kans op is, dat dit ook werkelijkheid wordt. Daarom wil L. en M. ook het onbeschutte deel van het bedrijfsleven beschutten, om geert wanverhoudingen te krijgen als waaraan speciaal de landbouw zijn bloed heeft verloren. Dat de tuinbouw, zij het dan op beperkter basis, loonend moet worden, zijn we roerend eens met den spr. Dat de landbouw volgens hem afdoende gesteund zou worden en dat hij dit ook nog onbegrijpelijk en irrationeel vindt, is een reden om hem ons blad toe te zenden, inde hoop dat het zijn inzicht ver-, ruimt en verrijkt. i Bij de discussie na de rede van Prof. G, Minderhoud, gehouden inde vergadiring ven, de Ned. Mij. v. Nijverheid en Handel (Hbl-d* van 10 Jan.), betoogde de heer Zaalberg ons wel bekend dat „een bevolking vart 8 millioen f 160 mi Ulo en aan steun opbrengt voor den landbouw. 1 Met de omstandigheden der menschen die het moeten opbrengen wordt totaal geen rekening gehouden”. Wij vragen ons ernstig af of de heer Zaal' berg wel rekening houdt met de omstandig, heden van de menschen, die door die fl6O millioen te veel krijgen om te sterven en te weinig om te leven, en die zonder dat, allang inden vorm van werkloozensteun en armenzorg hun staatsburgerschap zouden hebben laten gelden, terwijl onze vruchtbare landouwen in prairiën zouden zijn verkeerd. Mr. Gort van der Linden vond, dat die steurt aan den landbouw zich ais een olievlek uitbreidt en dat straks de eene helft van Nederland de andere helft steunt, om met elkaar, te gronde te gaan. Hette gronde gaan zal wel wat indien de Regeering op den thans ingeslagen weg voortgaat. In elk geval moeten we het in tijd van neergang gezamenlijk slechter hebben. Al te lang wordt de wanverhouding inde indexcijfers van de prijzen der landbouwproducten (de woonstee van het loon van boer, en landarbeider), en die voor stedelijke ert industrieeie loonnormen, op zwarte bladzijden in het boek onzer economische geschiedenis geschreven. Ineen ingezonden stuk inde Prov. Gr on, Courant geeft Mr. J. Domela Nieuwenhuis als oplossing aan: Verhoogt het inkomend, want schrijft hij, de Regeering, Gemeenten of Landbouw, verhoogen telkens hun inkomen. Mr. Domela Nieuwenhuis houde ons ten goed© dat zijn woordkeus verre van onberispelijk is ten dezen. Immers de Landbouw zag in 1933 door de Regeeringsmaatregelen telkens zijn verlies verkleind. Zelfs zoo —laten we eens optimistisch zijn —, dat het nulpunt weer is bereikt. Dat wil dan, meteen zeggen, dat er van positief inkomen ineen normaal verschuld bedrijf nog geen sprake is. Niettemin hopen we, dat Mr. D. N, in 1934 zal kunnen bewijzen, dat de Landbouw werkelijk weer rendeert. Nog vestigt één onzer lezers te Meeden et de aandacht op, dat Bte in „De Vrijheid”, het orgaan van „Den Vrijheidsbond”, het wildoen voorkomen, dat de grens van de koopkracht der consumenten reeds thans is overschreden. Bte. drukt zich voorzichtig uit. Trouwens zoo’n stelling is moeilijk te bewijzen. Voor, zoover het de consumenten betreft, die ineen onbeschut bedrijf werken, zal het wel juist zijn, de consumenten uit de beschutte bedrijven echter des te beter. Bte. zal ook als axioma willen aanvaarden, dat de consument minstens den kostprijs van het product zal moeten betalen. Daarbij worde nooit uit het oog verloren, dat juist bij den aanvang van. onze gebonden Maatschappij ei nanciering der niet of met verlies te plaatsen productie-overschoiten, de rentabiliteit van den landbouw inden weg staat of den consument extra, zij het dan tijdelijk belast. 1934 zal leeren, dat sedert 15 Aug. 1933 de weg naar herstel is betreden. 3. MEIHUIZEN,