is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 2, 1933-1934, no 18, 05-04-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kon verklaren, dat gemiddeld de prijzen van voor den oorlog bereikt waren. Ja, dan zou de geachte doctor, beschaamd uit zijn pen neerdalen en zijn excuses voor zijn luguber pogen leggen aan de voeten van den vaderlandschen bodembewerker, die in deze tijden wel iets meer verdient aan te hooren dan zoo ondoordacht naar zijn hoofd geslingerde miskenning. We geven de hoop nog niet op! B. MEIHUIZEN.

INGEZONDEN. M. de Red. De heer Louwes is het niet eens met mi}, dat ik als oorzaak van de tegenwoordige positie van den landbouw, aanwijs de democratie. Volgens zijn meening is dat een gevolg van het feit, dat ons volk niet agrarisch voelt en denkt en dat de boerenstand te kort geschoten is, om de openbare meening in die richting te beïnvloeden. Wat de beide laatste punten betreft, ik ben dat met hem eens. Daar is een geweldig stuk werk in deze richting te doen. Dat de Duitschers altijd meer „agrarfreundlich” georiënteerd waren en dat dit dus niét op rekening der Duitsche nationaal-sociaüstische partij kan worden geschreven, heeft slechts een grond van waarheid. Het geeft echter blijk, dat de heer L. het laatste jaar zich niet met den Duitschen boer persoonlijk heeft onderhouden; onze boeren aan de Oostgrens weten het in dezen dan ook zeker beter, als zij zeggen, dat sinds de N.S.D.A.P. in Duitschland aan het roer is gekomen, de toestand der boeren daar ideëel zoowel als materieel veel verbeterd is. Zeker, wij moeten ons best doen, om inde N. welke een beweging uit alle klassen onzer samenleving beoogt, de juiste plaats in te nemen. Ineen parlementaire staat kan dat niet, al mochten er ook enkele partijen ©en zuiver standpunt innemen tegen de boeren, b.v. de Vrijheidsbond en nog enkele anderen; wat helpt dat nog tegen de veelheid der partijen in ons regeeringseollege? Inzake verborgen botsingen om den Leider te beïnvloeden, heeft de heer Louwes een zeer slecht inzicht inden corporatieven staat. Hij beschouwt dit als het rijk der duisternis. Neen, er zullen uit de corporaties van werkgevers en werknemers in het landbouwbedrijf de vertegenwoordigers naar voren komen, welke in de allereerste plaats over de maatregelen ten behoeve van dien landbouw zullen oordeelen. Wij willen een regeering van deskundigen voor de verschillende bedrijfstakken van ons vaderland. Om die deskundigheid moet U tegenwoordig maar eens komen. Ziet gij nu in deze regeering van deskundigen, ieder op hun gebied, de duisternis? Ik kan er niet anders dan licht in zien. U praat over openbaarheid. Is U als landbouwdeskundige er ook in gekend, dat uw partijgenoot Belinfante „het liberalisme gebruiken wil, om de uitbuiting van het land door de stad voort te laten duren?” Ik betwijfel het ten zeerste. U zegt verder, wij hebben als boerenstand niet alleen te winnen, ook te verliezen. Ik ben al weer zoo vrij, die meening niet met U te deelen. Wij moeten alleen winnen, niet verliezen, want wij staan nog op den rand van den afgrond. Er is een geweldig wanbegrip in andere kringen, ook in vele politieke partijen, (zie artikel Belinfante in het officieel orgaan van den Vrijheidsbond), een onwetendheid ten opzichte van het platteland, welke zeer duidelijk zegt, dat wij slechts hebben aan te vallen om ons te redden. Want de offers, zooals de minister ze pleegt te noemen, worden niet ten bate der boeren gebracht, maar ten bate van het geheele Nederlandsche volk. De boer vraagt toch niets anders dan zijn rechtmatig deel, hoe dikwijls is dat door onzen leider der Boerenbonden reeds op heldere wijze betoogd. Wat U verder beweert overeen terugleiden in het diensthuis, wat onder de dictatuur zou gebeuren, dit is in strijd met wat U in ’t begin van uw artikel zei, dat bet in dit blad niet de plaatswas, om op te komen tegen de opvattingen welke inde N.S.B. heerschten. Gij schijnt als buitenstaander over de plaats van den landbouw inden corporatieven staat en niét inden dictatorialen staat, zooals U steeds zegt, reeds bij voorbaat overtuigd te zijn. Ik wil dan besluiten met een variatie op de slotwoorden van den heer Louwes en de goede raad van den heer Smid nog eens onderstrepen, en de Liberalen er op wijzen, dat zij bij voorbaat over de positie van den landbouw inden door hen gewenschten parlementairen staat, met zijn ettelijke partijen, waaronder vele, die den landbouw als een noodzakelijk kwaad beschouwen, allerminst gerust moeten zijn. Ik wil thans nog een enkel woord richten tot den onbekenden belangstellende „Houdt Koers-man”. Het is goed, dat wij als ras Boerenbonders, gij zoowel als ik, onze standpunten in „L. en M.” uiteenzetten. Probeer daarom niet om een deel der Boerenbonders, al behooren zij dan ook niet tot de Houdt-koers-menschan, den mond te snoeren. Wij hebben immers één doel en gedachte, dat is de verheffing van den boerenstand tot dezelfde hoogte als onze andere volksgroepen. De N.S.B. ziet inde Boerenbonden géén vijand, maar een organisatie van boeren, welke zich bewust zijn geworden van hun plaats in onze samenleving, dus het begin van de corporatie van werkgevers in het landbouwbedrijf vaneen nationaal-socialisti-Bchea staat. Het zou van ons daarom een groote dwaasheid zijn, zoo’n organisatie afbreuk te doen. Met dank voor de plaatsing, R. O. KRUIZINGA. De Landbouworganisaties en wij. Mag ik naar aanleiding van de jaarvergadering van den G. 8.8., gehouden op 16 Febr. in „De Pool” te Groningen, eenige plaatsruimte in Landbouw en Maatschappij? Door den heer Ter Velde van Kiel-Windeweer is daar een inleiding gehouden over de verhouding tusschen de Landbouworganisaties en den G. 8.8., waaruit bleek, dat met name de V.8.8. nog steeds niet bereid is tot samenwerking roet den G. 8.8., wat door den inleider ten zeerste werd betreurd. In verband hiermede werd door hem dan ook de vraag gesteld, of het niet wenschelijk * zou zijn, om te trachten de voormannen van die landbouworganisaties, die niet bereid zijn tot samenwerking met den G. 8.8, bij een eventueel© 3

verkiezing te vervangen door personen, die hebben getoond, doel en streven van den G. 8.8. te willen steunen. Waarschijnlijk doordat de tijd het niet toeliet (de agenda was wel wat overladen), is op voorstel van den voorz. over dit punt geen discussie gevoerd, waardoor mij de gelegenheid is ontnomen om mijn instemming te betuigen met het gesprokene van den inleider. Naar mijn meening wordt het meer dan tijd, dat er een eind wordt gemaakt aan de dwaasheid, dat twee organisaties op landbouwgebied, die elkaar in alles tot steun moesten zijn om gezamelijk te trachten voor den landbouw ©en bestaan te verwerven, door de houding van den V.8.8. niet tot samenwerking kunnen komen. Nog is de tijd er niet naar, al is de toestand dan wel wat dragelijker geworden (door wie?), dat wij, landbouwers, ons de weelde kunnen veroorloven om elkaar maar wat tegen te werken, en daardoor inde hand te spelen van stad en industrie, die dag en nacht klaar staan cm ons te ontnemen wat ons nog is gebleven in deze geweldige crisis. Mij wil het somwijlen voorkomen, dat de heeren in Veendam zich niet ten volle bewust zijn van de namelooze ellende, die deze crisis heeft veroorzaakt in tallooze landbouwgezinnen, want anders kan ik mij niet voorstellen, dat door de voormannen van den V.8.8. niet de gelegenheid is aangegrepen, om zich aan te sluiten bij den G. 8.8., om gezamenlijk te trachten met vereende krachten deze ellende zooveel mogelijk te verzachten. Men heeft dit in Veendam niet gewild en derhalve zal ons, Boerenbonders, wel niets anders resten dan gebruik te maken van onze macht cm de minder gewenschte elementen de deur uitte zetten, tenzij men daar ter elfder ure gaat inzien, dat van koers moet worden veranderd en dat andere tijden vragen andere groepeering, andere organisatie, maar bovenal!, dat inde eerste plaats noodig is een innige samenwerking tusschen al wat beer is. JOHs. H. FLUKS, Afgevaardigd© van de Afdeeling Harkstede-Scharmer van den G. 8.8. De Huisvrouw en de Steunmaatregelen. In ons nummer van 8 Febr. plaatsten wij onder bovenstaanden titel een artikel van den Nederlandschen Bond van Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen. In aansluiting daarop, ontvingen wij van de Ned. Vereeniging van Huisvrouwen een uitvoerig schrijven, dat wij tot onze spijt tot heden moesten laten liggen, wegens gebrek aan plaatsruimte. Ook thans kunnen wij om dezelfde reden slechts tot gedeeltelijke plaatsing overgaan. Wij volstaan daarom met de vermelding van het adres, dat vanwege genoemde vereeniging, naar aanleiding vaneen verzoek van haar afd. Rotterdam tot den Minister van Economische Zaken is gericht. Aan Zijne Exc. den Minister van Economische Zaken, Den Haag. Excellentie, Het Hoofdbestuur van de Nederlandsche Vereeniging van Huisvrouwen volgt uit den aard der zaak steeds met de grootste belangstelling alle maatregelen, die gedurende den loop van de z.g.n. crisisperiode, die ons land doormaakt, werden genomen en die meer of minder diep ingrijpen in het huishoudelijk leven. Immers, die maatregelen leiden alle tot het gevolg, dat het leven duurder wordt, hetgeen de huisvrouw als zoodanig dagelijks gevoelt. Kon van de eerste maatregelen worden gezegd, dat zij alleen opvingen de catastrofale prijsdaling van de verschillende artikelen op de vrije markten en bleven ondanks die maatregelen de prijzen op een veel lager niveau dan inde jaren ma den oorlog het geval was geweest, zoodat kon geacht worden, dat de verbetering der toestanden van landbouw en bedrijven die maatregelen wettigden, langzamerhand vervult het steeds toenemend aantal maatregelen ons met zorg, nu de vrij belangrijke prijsstijging van sommige eerste levensbehoeften gepaard gaat met een daling van loonen en salarissen, zoowel in het overbeidsals in het particulier bedrijf. Uit de afdeelingen bereikten ons berichten, dat de leden verontrust waren door de stijging der prijzen gedurende de laatste weken van belangrijke artikelen als aardappelen, vleesch en suiker. Ernstig moet thans worden gevreesd, dat voor velen het levenspeil aanzienlijk verlaagd wordt en vermoedelijk komt te liggen beneden dat van 1914. Evenals tot nu toe, onthouden wij ons van een beoordeeling van de mérites der genomen maatregelen, die, dit is ons voldoende duidelijk, alle in groot verband moeten worden beschouwd. Wèi vragen wij ons af, of bij een ver doorgevoerde prijsstijging van de kleinhandelsprijzen de voordeeien eenerzijds verkregen, niet zullen worden te niet gedaan door de nadeelen anderzijds bewerkt. Voor een reëele beoordeeling van deze feiten zijn betrouwbare en omvattende statistieken onmisbaar. In dit verband moge gewezen worden naar de uitspraak van de Commissie Schouten, die erkent geheel in het duister te tasten, wat betreft den levensstandaard inde verschillende Nederlandsche gemeenten. Een uitgebreide budget-statistiek zou niet alleen veroorloven de gevolgen van de vele bovengenoemde maatregelen nauwkeuriger te overzien, maar zou ook bij de beoordeeling van andere vraagstukken van groot practisch en actueel nut zijn. Zonder dus aan Uwe Excellentie op het oogenblik te verzoeken, genomen maatregelen weer ongedaan te maken, dringen wij er met de meeste klem bij Uwe Excellentie op aan, het Centraal Bureau voor de Statistiek op te dragen, een uitgebreid budget-onderzoek in te stellen, zoodat een beeld verkregen kan worden van de wijze waarop het inkomen besteed wordt bij diverse inkomensklassen In gemeenten van verschillende grootte. De hieruit te verkrijgen uitkomsten zouden in staat stellen na te gaan, in welke mate het gezinsinkomen belast wordt door de bovengenoemde steunmaatregelen. Onze Vereeniging, die 33.000 gezinnen vertegenwoordigt, stelt zich gaarne beschikbaar, om een dergelijk onderzoek met alle haar ten dienste staande middelen te steunen. Met het oog op de toenemend© ongerustheid in vele bij ons aangesloten en ook in

i niet aangesloten gezinnen, zouden wij het op hoogen prijs stellen, indien U deze zaak spoedig ter hand zoudt willen nemen. Met een mededeeling omtrent Uwe beslisi sing, zoudt U ons ten, zeerste verplichten. Hoogachtend, Namens het Hoofdbestuur der Ned. Vereen, van Huisvrouwen, C. EERDMANS—DE HOLL, Presidente D. R. E. OPPENHEIMER—BELINFANTE, Secretaresse. In het begeleidend schrijven werd o.a. medegedeeld, dat de Ver. van Ned. Huisvrouwen zich onthoudt van elke beoordeeling der genomen maatregelen niet alleen, maar eveneens van het vragen om den een of anderen maatregel te herroepen of te wijzigen. ♦ ♦ * Wanneer wij echter het betreffende adres bekijken, kunnen wij niet anders constateeren, dan dat daaruit duidelijk naar voren komt de stedelijke oriënteering van genoemde vereeniging. Alhoewel het aan te bevelen is, te onderzoeken op welke wijze de Nederlandsche huismoeders het inkomen, dat haar is tosvertrouwd, weer verdeden, dient toch voorop gesteld, dat in tal van plattelandsche vooral in boerengezinnen —■ geen inkomen hoegenaamd is te verdeden. Wij zouden de Ned. Ver. van Huisvrouwen daarom allereerst ernstig willen aanraden, daaraan aandacht te besteden. Bestudeering van de indexcijfers der landbouwproducten in vergelijking met de kosten voor levensonderhoud van thans en van voor 1914, zal daarvoor aanbeveling verdienen. Wanneer genoemde vereeniging daarnaast mede zou willen werken aan een verlaging van den broodprijs, niet door den prijs van het meel, maar veeleer die van den bakker tot den consument te helpen drukken, zou zij zeer in het belang der huisvrouwen werkzaam zijn. Boeren: „Past op Uw Zaak” In steeds groeiende mate maken handel en industrie zich op, om het publiek en ook de regeering te overtuigen van de noodzakelijkheid den steun aan den landbouw niet verder op te voeren. Van regeeringszijde heeft men reeds gehoord: er moet een punt achter gezet worden, dus niet verder doorgaan. Van verschillende andere zijden wil men nog verder gaan en wordt de noodzakelijkheid van verlaging van den steun aan den landbouw bepleit. Door den steun aan de agrarische producten wordt het leven duurder en hierdoor kan de industrie moeilijk tot verlaging der loonen overgaan om daardoor haar productiekosten te verlagen. Men vergeet hierbij mede te deelen, dat de geheele steun aan den landbouw maar enkele procenten van het totale levensonderhoud uitmaakt. Ook wordt de aandacht niet gevestigd op het feit, dat de groothandelsprijzen der agrarische producten belangrijk beneden de prijzen van 1913 zijn. Hoe staat het nu met handel en industrie? Door middel van kartels, enz., worden degroo-t-handelsprijzen van do industrieele producten zoo hoog mogelijk gehouden. Ook de regeering doet hieraan mee. Zie maarde vastgestelde steenkolenprijzcn, alsook de samenwerking tusschen de stikstofproducenten. Door al deze maatregelen wordt getracht de bedrijven loonemd te houden, zonder dat men rekening houdt met dat gedeelte der bevolking, dat de producten van de verschillende beschermde industrieën moet gebruiken. Alleen de hooge bedrijfsonkosten alsmede de hooge loonen der arbeiders moeten gehandhaafd kunnen blijven. Men gaat inzien dat deze kunstmatige instandhouding der prijzen niet vol te houden is, en nu „leert” men zoowel aan de regeering als aan het volk, dat een verlaging der prijzen belet wordt door den steun aan het agrarische gedeelte der bevolking. De loonen moeten verlaagd worden, dus het leven moet goedkooper worden, en het oog wordt gericht op den boer. Zijn vooroorlogsche prijzen moeten nog maar wat lager. En nu de Handel. Ook de groep der bevolking die hierin zijn bestaan vindt, streeft naar goedkooper leven. Maar ook hier ziet men den werkelijken toestand niet zuiver in. Over verlaging van het winstmarge wordt niet gesproken. Toch moeten de artikelen goedkooper worden, dus dan maarde groothandelsprijzen naar beneden, ook die der landbouwproducten, en vervolgens het winstmarge kunstmatig zoo hoog mogelijk opgevoerd. Zie bijvoorbeeld het bakkerssaneeringsbesluit, de door den georganiseerden melkhandel inde groote steden als Den Haag, Amsterdam, enz., vastgestelde winstmarge, enz. De plattelandsche industrie doet in dezen dapper mee. Ook zij heeft haar prijzen vastgesteld, waarmede zij zich laat betalen. Of de boer dit kan, daar vraagt men niet naar. Men zegt eenvoudig; ze kunnen onze diensten niet missen, dus de door ons vastgestelde prijzen moeten betaald worden. De arbeiders in de agrarische bedrijven verdienen 50 pet. minder dan ongeveer alle andere arbeiders, ook die der plattelandsindustrie. Deze hooge loonen moeten blijven en een verlaging van deze loonen is dan pas mogelijk, als de boer nóg wat minder voor zijn producten ontvangt. Het loon op het peil van 1913 brengen buiten den boer om, is niet mogelijk meent men, dus den boer dan maar weer het gelag laten betalen. Men gaat zelfs zóó ver, dat het als een groote fout wordt beschouwd, dat men den boer niet onbeschermd aan de wereldmarkt heeft overgelaten. Wij konden dan vrij invoeren goedkoope suiker, tarwe, vleesch ,enz. Wat zou het leven dan veel goedkooper kunnen zijn. De gevolgen vaneen onbesohermden boerenstand, naast door vakvereeniging en kartelvorming, enz. beschermde arbeiders, handelen industrieele groepen der bevolking, ziet men niet, of wil men niet zien. Deze zijn echter zeer duidelijk waar te nemen. I. Een totaal waardeloos worden van den vaderlandschen bodem. Dus alle galden, welke door particulieren, spaarbanken of hypotheekbanken in onzen bodem belegd zijn, kunnen ais verloren beschouwd worden, daar van deze geen inkomsten meer te verwachten zijn. 11. Het land is niet meer in staat de kosten van bemaling, onderhoud dijken en wegen enz. te betalen. Deze zullen dus door de gemeenschap overgenomen moeten worden. 111. Het zal niet mogelijk zijn aan de arbeiders der agrarische bedrijven een ©enigszins behoorlijk loon uitte keeren, dus een groote toename der werkloosheid. IV. De handel en industrie zullen tot hun schrik

g INGEZONDEN MEDEDEELING. Heerenkleeding naar Maat 1 1 I LAAT THANS UW I ! MAATCOSTUUM MAKEN. Onze collectie is geheel compleet en bestaat uit de ■ meest moderne binnen- en buitenlandsehe stoffen. Onze naam waarborgt U een Costuum waarvan de prils, de kwaliteit en de coupe niet te evenaren is. Wij nemen voor ieder Costuum de volle verantwoording. Costuum naar maat f 37.50 tot 174.00 VRAAGT STALEN. Gebr. Röben Tel. 243 WINSCHOTEN i■

doel af, en dat ineen sterfelijk milieu, voorbij» ziende eigen stoffelijke belangen, alles beschouwende in onderling verband. We hopen dat de gereformeerde boeren in Groningerland hem dankbaar zullen zijn, want ze zijn er schaarsch inde stad, die met del azijnflesch durven werken. M. Boeren en Middenstanders, Ineen goed georganiseerden staat, zijn prcduceerende boeren een niet te versmaden categorie van consumoerende staatsburgers. Von Thünen. Naar aanleiding van bovenstaande woorden, ontleend aan den Duitschen econoom Von Thünen, die een goede honderd jaar geleden leefde, wil ik iets zeggen omtrent de verhouding tusschen boeren en middenstanders te plattenlande. Sommige middenstanders zierï die verhouding nog niet juist in. Anderen echter beginnen meer en meer te beseffen, dat hun bestaan valt met dat van den boer. Vindt de boer zoodoende inden middenstand eeit steun als producent, als consument moet hij dit met een niet minder loyaal gebaar beantwoorden. Al moet de boer zuinig zijn tot in het noodzakelijkste, toch kan hij niet alles wat hij noodig heeft, voortbrengen en moet hij bij anderen bet een ©n ander voor zijn bedrijf of voor zijn levensonderhoud aanvullen. Dus is hij ook consument. Laat hij dan als consument er inde eerste plaats aan denken, die middenstanders te steunen, van wie hij in zijn strijd ook steun1 ondervindt. Zij onder de middenstanders, die lid zijn van „Landbouw en Maatschappij” of zij, die in het orgaan onzer beweging adverteeren, verdienen op hun beurt ons aller medewerking. Wij moeten bij hen koopen, waf wij noodig hebben, want uit onze aaukoopen bij hen komt weer hun grootere kracht. Zoo zullen boeren en middenstanders elkaar leeren verstaan en waardeeren. En mochten eenmaal alle neringdoenden te plattenlande met ons optrekken inden economischen strijd, dan zou daarvan een groote kracht uitgaan. De boer hoort thuis in zijn dorp. Hij leeft in het dorp en hij moet bét dorp laten leiveni van hem. De boeren brachten het dorp voort,, niet het dorp de boeren, zoodat de boer als moeder van het dorp, den plicht heeft, het dorp te laten leven. Het is daarom verkeerd van den boer om te gaan winkelen inde stad en speciaal inde groote warenhuizen. De stad dient het centrum vaneen grootere omgeving te zijn, waar de kleinhandelaren hun voorraden kunnen inslaan, doch de boer moet koopen in het dorp en niet inde stad, die aan het dorp verkoopt. Wanneer echter ten spijt van alle advertenties de met ons samen werkende midden* standers geen grooteren omzet kunnen waarnemen, volgt daaruit niet, dat de boer hert negeert. Zij moeten bedenken, dat de boer steeds minder geld kan laten rollen. Het is echter zeer wel mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat de niet-adverteerende middenstander zijn debiet juist daardoor zeer zag verminderen, zoodat ook bij geen vooruitgang in omzet toch de adverteerende middenstander kan aannemen, dat het adverteeren hem winst heeft gebracht. Alles wel beschouwd is het onze eerste plicht bij onze adverteerders te koopen en verder in het dorp en niet inde stad. En wel het allerlaatst inde warenhuizen. J. H. HOLM. Boekbespreking. Wij ontvingen: » 1. „Het stiefkind Drenthe” door Mr. J. Linthorst Homan, te Vlerfder. De schrijver geeft in dit werkje een warm pleidooi voor zijn gewest, dat nog herbaaldelijik als minderwaardig beoordeeld en ten achtergesteld wordt. Het werk is opgedragen aan den stoeren oud-Drenth, Mr. Harm Smcenge. De prijs is f 1.25; het is verschenen bij Van Gorcum & Comp. N.V. te Assen, 2. Een Brochure over ontsmetting en voorkieming van suiker- en voederbietenzaden. Uitgegeven door N.V. Landbouwbureau M. Wiersum te Groningen, is deze brochure op aanvrage bij genoemd bureau gratis verkrijgbaar.

bemerken, dat een heele groote klant als kooper van hun producten is weggevallen. Wij mogen toch gerust zeggen, dat ook het grootste deel der steden geheel op het omliggende platteland is aangewezen. Als er voor de bevolking van ’t platteland geen bestaansmogelijkheid meer is, dan zal blijken dat ondanks de goedkoope ingevoerde buitenlandsehe artikelen, er ook voor den stedeling geen bestaansmogelijkheid meer is. Dit alles wil men aanvaarden om de prijzen der landbouwproducten, welke boveri den wereldmarktprijs liggen, terug te brengen tot de wereldmarktprijzen. Zooals hierboven reeds gezegd, de prijzen der landbouwproducten zijn lager dan die van 1913. De loonen der arbeiders zijn met ongeveer 40 pet. gedaald. Het grootste deel der boeren verdient met hard en lang werken véél minder dan een werkelooze stedelijke arbeider. De nood is, ondanks de verschillende crisismaatregelen, nog zeer groot, en toch wordt er heel hard gewerkt om den landarbeid nog minder loonend te maken. Dit alles vervult de plattelanders met vreeze en het is nog eens, dat ik met klem het opschrift herhaal: Boeren, past op uw zaak! B. H. Een Lente-geluid. Inde Gereformeerde Groninger Kerkbode van 31 Maart j.1., treffen we onder de artikelenreeks „Uit de practijk” het volgende aan, met als opschrift „Invoerrechten”. We achten het belangrijk genoeg om dit artikel in zijn geheel over te nemen. „Een ander schreef mij of het niet goed zou zijn door het heffen van invoerrechten de industrie te beschermen en daardoor ons land in staat te stellen zichzelf te hielpen, onafhankelijk van het buitenland. Ik moet eerlijk zeggen; „Van deze dingen heb ik niet zooveel verstand, dat ik me hierover een oordeel zou durven aanmatigen.” Maar wat mij wel altijd opvalt, dat is een ander ding, waarover dezelfde schrijver het heeft: n.l. het verschil dat er altijd is tusschen het loon vaneen landarbeider en andere menschee. Dat is ook iets waar ik nooit bij kan, waarom menschee, die met zwaren arbeid aan de aarde het brood ontworstelen, het allerlaagste loon moeten hebben. Vroeger was dat zoo, toen ik als jongen opgroeide op een kleidorp. Als iemand ophield arbeider te zijn en begon met iets anders, wat het ook was, dan verdiende hij altijd meer dan bij den boer. En dat is nog zoo. Nog eens, ik heb van deze dingen niet veel verstand; maar het lijkt mij toch toe, dat men, als in het landbouwbedrijf de prijzen zakken en do loonen dalen, op andere terreinen loonen en inkomsten niet kunstmatig op dezelfde hoogte moet zoeken te houden. Daardoor toch komt er in het maatschappelijk leven een onevenwichtigheid, waardoor de landarbeider den druk van zijn loonsvermindering dubbel gaat gevoelen. De producten uit de andere bedrijven blijven immers, door de handhaving van de loonen, op zulk een hoogte, dat de landmenschen ze niet kunnen betalen. Maar tegelijk doen die bedrijven zichzelf kwaad, omdat, als zij werken op een, voor de koopers te hoog prijsniveau, zij hun producten niet kunnen afzetten en zoodoende de werkloosheid doen toenemen; een werkloosheid, die weer allerlei kunstmaatregelen noodig maakt. Het lijkt mij toe, dat een gezonde opleving van de maatschappij alleen mogelijk is, als niet maar alleen een deel van de maatschappij naar beneden gaat, maar wanneer wij allemaal met elkander zullen komen op een lager niveau, om dan te pogen vanuit de laagte weer met elkander omhoog te worstelen, onder den zegen des Heeren. En nu kan ik mij voorstellen, dat ik dingen gezegd heb die „mis” zijn; welnu, ik zal mij graag laten onderrichten door menschen, die het beter weten dan ik.” We zouden aan dit artikel, geschreven door D. v. D. (Ds. D. v. Dijk) niets hebben toe te voegen, ware het niet, dat we hem erkentelijk willen zijn, dat hij óók op economisch gebied de waarheid durft te zeggen. Hier is geen sprake van „schipperen”, maar recht op het