is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 3, 23-08-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ.

23 Aug. 1934. 3e jaargang.

No. 3

Tweede Blad.

Uitkomsten van het groenlandbedrijf. Fris o wijdt in het Fr. Landbouwblad een beschouwing aan eenige cijfers uiteen boekhouding vaneen Frieschen greidboer, wiens gegevens hij voldoende betrouwbaar acht, om daaraan eenige algemeen© bespreking te wijden. „Het bedoeld© bedrijf is een zuiver groenlandbedrijf, waar t.o.v. de bedrijfsvoering kan werden opgemerkt, dat de post loonetn alle werkzaamheden betreft, uitgezonderd die van den beer zelf. Het bedrijf wordt beschouwd te zijn melkbedrijf, zoodat ook de nevenbedrijven (varkens, enz.) beschouwd worden als noodzakelijk aanhangsel van de melkproductie (Systeem Tamminga). Als we dan uiteindelijk slechts d'e melk zien als het ©enigste product en we verrekenen verdere bedrijfsinkomsten en uitgaven met elkaar, dan resteert er ten slotte een bedrag, dat we do totale productiekosten van alle geproduceerde en aan de fabriek afgeleverd© melk kunnen noemen. Dat bedrag gedeeld door het totaal aantal K.G. geleverd© melk is dus op een zuiver melkveeh ouders bedrijf de productieprijs vaneen K.G. melk. • Nu stellen we voorop, dat de productiekesten van het onderhavig© bedrijf natuurlijk niet zonder meer kunnen doorgaan voor de productieprijs van de melk. De verschillende bedrijfsomstandigheden zullen daarbij zeicer leiden tot zeer uiteenloopende resultaten. Wel echter zijn d'e cijfers van het bedoelde bedrijf ©en aanwijzing, hoe of de loop der productieprijs van melk overeen reeks van jaren is geweest. Over de jaren 25/’26 tot en met 33/’34 nu bedroegen de productiekosten der melk op dit bedrijf resp.: 9.00, 9.55, 8.65, 9.59, 8.91, ,7.13, 5.58, 4.54 en 4.83. Verschil in oogst, invloed van veeziekte ©nz. veroorzaken natuurlijk belangrijke schommelingen op één bedrijf. Zoo ook hier. Toch kunnen we constateeren, dat over de eerste 6 jaren het kestenbedrag schommelt om de 9 cent per K.G., dat het inde jaren 29/’3O tot 32/’33 scherp daalt tot ongeveer 4Va cent en dat het daarop in het laatste jaar weer eenige delging tot sfeiging vertoont. We hebben geenerlei redenen om aan te dernen, dat deze lijn in ’t algemeen anders zal verloopen en kunnen dan opmerken, dat uit deze cijfers blijkt; 1. dat er in het veehoudersbedrijf een zeer sterke aanpassing aan de gewijzigde productievoorwaarden naar voren komt, waardoor in het betrokken bedrijf de kostprijs der melk daalde met ongeveer 100 */«. 2. dat na een snelle val van ’3O op ’33, de aanpassing van de kostprijs naar beneden is verbroken. 3. dat ondanks deze rigoureuze kostprijsverlaging van 100 «/o, het bedrijf er niet in is geslaagd tot loonende productie t© geraken, .(opbrengst der melk op dit bedrijf in ’33/’34 ; 4.66 cent) maar dat er een verlies is geleden van 0.17 cent per K.G., terwijl de boer geen vergoeding voor eigen werk, noch nis ondernemer, heeft verdiend, zoo dat hij haast de kosten van levensonderhoud ook nog direct bedrijfsverlies heeft af te boeken. Het onder 1 geconstateerde feit achten we van groote beteekenis. Het zal misschien van belang zijn hierop nog e-ens terug te komen, nis wede beschikking hebben gekregen over voldoend cijfermateriaal over de geheele provincie. Het toont n.l, overduidelijk aan, dat het geroep, dat de Landbouw zich heeft aan te passen en dat ze zich niet moet vastklampen aan crisissteun, hetgeen dan die aanpassing zou belemmeren, voor den Frieschen greidboer geen zin heeft. Als de cijfers over ’t algemeen zijn, als we in dit geval constateeren. dan kunnen we van den veehouder zeggen; „Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan 1” Met temeer recht kunnen we dan een bercep doen op de Regeering om maatregelen te treffen, dat ook ander© groepen der bevolking eens cp deze manier gaan „aanpassen ’. Uit het onder 2 gestelde zou kunnen blijken, dat voorshands de aanpassingsmogelijkheid is uitgeput. In dezen tijd valt de daling van huren, van meststoffen, veevoer, enz., welke daling nu mearendeels een einde heeft geheimen, ja zelfs gedeeltelijk ineen stijging is veranderd. We zullen hier terdege den invloed van de monopoJierechten en eontingenteeringen van granen en koeken als kostenverhoogende factor in ’t oog hebben te vatten. Als we dan ook naast deze maatregel der Regeering met hun kostenverhoogende invloed hog zien, dat ook de loonpolitiek der Regeering is gericht cp een, terecht of ten onrechte, daar gaat het hier niet om, tegenhouden van ingrijpende loonsverlaging en als we daarbij neg een actie zien, die de saneeïing onzer bedrijven wil zoeken in productiebeperking, met weer als onmiddellijk gevolg, kostprijsverhooging, dan zal het wel duidelijk zijn, dat men van verdere aanpassing naar beneden geen al te groote verwachtingen zal moeten koesteren. Als trouwens een algemeene kostprijsverlaging inden lande van 100 »/« zou worden doorgevoerd, dan waren we o.i. al een heel eind inde goede richting. Dus nu de beurt aan anderen. Wat we onder 3 opmerkten, is niets nieuws. Het is slechts een bevestiging van de nu ook over ’t algemeen wel bekende bedrijfsuitkoirnsten. W© willen de wensch uitspreken, dat hel met deze uitkomsten voor oogen nu eens ernst wordt om' den boer, die zélf met aanpassing cp een lager niveau zoo’n bijzonder Voorbeeld gaf, erkentelijk te zijn, door de in verhouding tot deze prestatie zoo geringe „aanpassing” van de huidige verliesgevende melkprijs aan de kostprijs van dat product, dan ook op korten termijn te voltooien. ♦ * * Met het in bovenstaande beschouwing tegenwerken van ingrijpende loonsverlaging, waarover we ons hier verder geen oordeel aanmatigen, bedoelen we vooral het stelsel van werkloozensteun, dat op de huidige manier een basis voor de loonen vormt, waar beneden in ’t algemeen niet verdiend zal worden. Wil men dus toch komen tot afbouw, óók van het loonpeil, dan zal geleidelijke verlaging van dien steun moeten vooropgaan. En hu komt ©r daarbij iets naar voren, waarop We wel eens den nadruk zouden willen leggen. Voor ons ligt een staatje van de noodzak eilijke uitgaven vaneen arbeidershuishouding

ineen onzer groote steden. We zullen he staatje niet weergeven, omdat er natuurlijk bi de besteding van de inkomsten inde onder scheiden huishoudingen nogal verschil zal be staan. Het opvallendste bedrag bij die uit gaven is evenwel een bedrag aan woning huur van f 4.5 0 per week, hetgeen bi de ons ter beschikking staande gegevens nfe een bijzondere toestand, doch een normaal ver schijnsel weergeeft. Een huur nu van vier gulden of méér nog, rooit kant nog wal bij een inkomen vaneen werklooze arbeider. Het huurpercentage zal op die manier vaak schommelen tusschen 25 en 35 o/o van het totale loon (ondersteuning). Het komt ons voor, dat we hier een factor hebben aangegeven, die de aanpassing van het loonpeil aan de nieuwe afzetmogelijkheden ten zeerste tegenhoudt. Waar alles is gedaald, waar zoo goed als een ieder zich een groote waardevermindering van z’n bezittingen heeft moeten getroosten, daar is het nu ook zaak om in dit huurvraagstuk mee te gaan. Het zal er vroeg of laat toch van moeten komen, dat ook de huizenbouwers en huiseigenaren de nu fedtelijk al bestaande waardevermindering van hun bezit gaan realiseeren. Hoe eerder men dat dan doet, hoe beter voor ’t algemeen. En a's onze Regeering ernst maakt van haar streven naar kostprijsverlaging, dan valt er hier iels te doen. Inde kringen van industrie en handel zal men dan ook goed doen om naast de invloed van de landbouwsteun op het minimumloonpeil eens terdege te letten op dit huurvraagstuk. We Zijn er dan van overtuigd, dat ook in die kringen zal worden ingezien, dat de verhooging van kosten door steun aan de voortbrengselen van den bodem niet op één lijn is te stellen met de kostprijsverhooging door te hooge huren. Aan dat laatste ligt geen groot maatschappelijk en volksbelang ten grond als aan het eerste. Onze Strijd. Het is sieehts kort geleden dat het platteland zijn stem ging verheffen, omdat er niets werd gedaan en men het zeer gewoon vond, het platteland aan zijn lot over te laten. En dat platteland zélf zag evenmin het onrecht, voelde het wel, maar begreep het niet. Landbouw en Maatschappij, de bond, die eerst niet anders kon doen dan de noodklok luiden, was later in staat te zeggen en te bewijzen, dat nood zijn oorzaak vond in onrecht. Men is gaan begrijpen dat er buiten de stedelijke en industrieele werkers, nog een catagorie was, die aanspraak op den naam van menseb maakte en dus ook haar maatschappelijk recht opeischte. Doch dat woord „eischen” werd hun kwalijk genomen; men meende dat wij de houding eens bedelaars moesten aannemen. Thans is het echter zoover, dat duizenden buiten onzen bond en duizenden buiten dien landbouw beginnen te begrijpen ©n dit ook erkennen, dat ons recht gelijk is aan dat van anderen en dat dit recht niet afgebedeld mag worden, doch geëischt mag worden. Dit resultaat is voor een groot het werk van Landbouw en Maatschappij en van geen ander lichaam. Gaarne erkennen wij dat verschillende personen buiten onze beweging, zich in dit opzicht verdienstelijk hebben gemaakt, maar zij zijn dan ook zonder onderscheid bereid onze beweging te steunen. Velen hebben het onrecht niet willen inzien en hiervan getuigt dan ook het geheele crisisapparaat met al zijn omslachtigheid, zijn dure en lastige uitvoering en zijn gansche leger van ambtenaren. En als we dan zien naar de resultaten van zeer vele der genomen maatregelen dan wanhoopt men, want bet gaat met die maatregelen dikwijls als met vliegen vangen: als men er één dood slaat, komen er 10 op de begrafenis. Immers, een nieuwe maatregel maakt het nemen van ver schillende andere noodzakelijk. En men begint te beseffen dat het niet goed gaat. Schoorvoetend komt men steeds verder op den weg door ons altijd gewezen. Maar langzaam, o zoo langzaam. En hoe langzamer dit gaat, des temeer moeilijkheden ontstaan er, want de verbetering voor den een gaat dan ten koste van den ander. En juist doordat men niet doortastend is, wordt alles steeds meer uit zijn natuurlijk verband getrekken. En als men daar dan mee klaar is, zegt men, dat de door ons gewezen weg ook niet zonder meer te berijden is, dat daar ook ambtenaren voor noodig zijn. Ja, natuurlijk, hoe langer men wacht des te erger dat wordt. Had men echter dien weg direct gevolgd, dan had alles behoudens een kleine uitzondering zich aangepast en hadden we geen tonnen gouds noodig gehad om koeien af te slachten enz. Ook wij begrijpen zeer goed, dat wanneer men met een auto een verkeerden weg is ingeslagen, men verstandiger doet, de auto te behouden om op een goeden weg te komen, inplaats van deze te laten staan en terug te gaan wandelen. Evenwel is het onrecht nog aanwezig en is het daarom onze plicht er °p te wijzen. Daarvoor moet men sterk zijn en om sterk te worden moet men de menschen, die onder het onrecht lijden, vereenigen, hun wijzende op dat onrecht. Dat klinkt soms hard, vooral inde ooren van hen, die zich in alle mogelijke bochten kronkelen om de gunst te behouden van beide groepen. Dezulken noemen ons werk wel eens: ontevredenheid exploiteeren. Ik moet zeggen (en ik meen wat ervaring te hebben), dat men met tevredenen ineen tijd dat onrecht hoogtij viert, evenveel doet als met een blinde kat ineen huis vol muizen. Neen, van de daken moet het verkondigd worden, altijd weer, dat onze bodem en zijn werkers geen verwaarloozing kunnen en mogen dulden! Daar moet men karakter en moed voor hebben, maar ook de kracht en het onderricht. Karakter om je niet te laten omkoopen, moed om het op te nemen tegen hen die ons dwarsboomen en dat vooral inden beginne. Nooit zal ik vergeten den eersten winter van mijn moeilijk werk; hoe men ons bestreed van alle zijden, op de meest ergerlijke wijze in daad, woord en geschrift. En ze zijn er nog, die zich niet ontzien ter wille van positie, politiek of goede vriendjes, dat platteland te exploiteeren tot een object van handel en verdienste, zulks op de meest geraffineerde wijze. Maar zooals wijde kracht gekregen hebben om het zoover te brengen als bet nu is, m.a.w. dat, terwijl nog een groot gedeelte van het platteland zijn positie niet begrijpt, reeds velen daarbuiten het wel begrijpen, zoo hopen wij ook de kracht te hebben deze parasieten te ontmaskeren en dan hebben deze daarmee hun

eigen graf gegraven. Voorts hopen wij nog i lange jaren onderrioht te worden door hem, die reeds zooveel belangeloos deed en door wiens onderrioht wij zoo sterk zijn geworden. leder lezer weet wien ik bedoel. Natuurlijk den heer Smid. Juist aan hem hebben wij het te danken dat wij nooit iets geschreven of gepropageerd hebben wat niet uitvoerbaar was en ik tart ieder te bewijzen, dat wijde waarheid te kort deden. Lauwheid en gelatenheid heeft men soms verward met voorzichtigheid, maar het is juist de bekende boerenvoorziohtigheid, die ons veel ellende heeft gebracht en die lang niet in overeenstemming is met onze plichten jegens gezin en bedrijf. Ik weet dat thans vele onzer leden hunkeren naar sterker strijd, scherpere woorden, ja, dat sommigen nog verder zouden willen gaan, doch een wijs koning zei; „Geef den toorn geen plaats.” Ik kan dien leden echter gerust stellen. Er is geen sprake van, dat ook maar iemand naar de oogen wordt gezien of ook maar iemand verschoond zal blijven, als het gaat om het belang van ons platteland en zijn werkers. Eens komt de tijd dat het recht zegeviert. Vóór dien moeten wij ons toerusten met begrip, met meer kennis en dat kan niet zonder bet lezen van Landbouw en Maatschappij, het eenige blad in Nederland, dat het meest noodig is gelezen te worden door lederen plattelander. R. De L. Korte Berichten Inventarisatie van den Rundveestapel. Blijkens de reeds gepubliceerde cijfers aangaande de algemeene landbouwinventarisatie, welke inde tweede helft van Mei van dit jaar werd gehouden, kan reeds, wat den rundveestapel betreft, worden medegedeeld, dat in vergelijking met 1 Juli 1933, deze met 113.401 stuks is verminderd. Bedroeg de totale veestapel op 1 Juli 1933...... 2.877.230 stuks, inde laatste helft van Mei 1934 was dit geslonken tot 2.764.829 of met ca. 4 pet. Het aantal koe- en stierkalveren onderging een beperking van 14 pet. Het aantal stieren van 1 jaar en ouder vermeerderde met niet minder dan 43 pet. Het aantal melk- en kalikoeien verminderde met 58.631 stuks of met ca. 4 pet., terwijl het mestvee met 21.498 stuks verminderde of met bijna 20 pet. Hoogere fruitprijzen in de Betuwe. Men meldt uit de Betuwe, dat er dit jaar veel belangstelling bestaat voor de verkoopingen „op het hout”. Vooral voor de appels worden goede prijzen besteed en konden b.v. voor de goudreinetten, waarvan dit jaar een goed beschot wordt verwacht, prijzen van flO a fl2 per H.L. aan den boom worden gemaakt. Bij een dezer dagen te Eist gehouden verkooping bracht de duurste boomgaard niet minder dan f3770 op. Valsche varkensoormerken. Een scherpe controle van den opsporingsdienst voor naleving der crisisiwetten, heeft weer fraudes op groote schaal betreffende valsche varkensoormerken aan het licht gebracht en wel inde buurt van Weesp, waar weer resp. 28 en 5 varkens, welke voorzien waren van valsche merken, in beslag werden genomen. Het betreft hier ©en koopman, die aan een veehouder deze 28 varkens had geleverd, doch bang werd voor het uitgebreide onderzoek inde buurt en daarom den veehouder adviseerde „de varkens maar zoo gauw mogelijk op te ruimen, want ze konden wel eens valsch gemerkt zijn.” De veehouder, die argwaan kreeg, gaf het bij de betreffende autoriteiten aan en na onderzoek bleken de merken inderdaad valsch te zijn. De varkenskoopers staat in dit geval niets beters te doen dan de betreffende varkens te laten oormerken, hetgeen op flO per varken komt te staan. Zouden echter de varkens in beslag worden genomen, dan zou dit in bovenstaand geval een schade van ongeveer f 1100 beteCkenen. In totaal zijn nu reeds inde buurt van Weesp 140 varkens in beslag genomen. He t is dus dringend noodig) dat men zich bij aankoop van varkens overtuigt van de echtheid der merken. De toestand in Amerika. Dat er door de aanhoudende droogte in Amerika noodtoestanden gaan ontstaan, berichtten wij reeds in onze vorige rubriek. Thans wordt bericht, dat de regeering 10 millioen runderen uit de geteisterde gebieden zal aankoopen, in plaats van 5 miKioen, zooals oorspronkelijk het planwas. Niettegenstaande uit Canada groote hoeveelheden fourage zullen worden aangevoerd, zal het vermoedelijk noodzakelijk zijn, dat het rantsoen van het vee tot op de helft wordt teruggebracht. Dientengege zijnde invoerrechten voor hooi en haver sterk verlaagd. Hoofdzakelijk ook tengevolge der droogte, is het aantal werkenden sterk gedaald en ging dit inde afgeloopen maand met 359.000 achteruit of met een wekelijksch loonbedrag van ruim 10 millioen dollar. Dat de werkloosheid er nog enorm is, bewijst wel, dat de regeering millioenen ponden boter en 10.000 ton perziken (deze laatste worden ingemaakt) heeft aangekocht, ter verdeeling onder de werkloozen. Duitsclie betalingsmoeilijkheden. Dat Duitsohland ten slotte in betalingsmoeilijkheden zou geraken, was reeds eenigen tijd te voorzien. Men behoefde slechts de onderhandelingen over de betaüngsaangelegenheden met DuitsChland te volgen, om tot deze conclusie te komen. Nederland heeft zich, gezien de negatieve resultaten van deze onderhandelingen, genoopt gezien, op Duitsohland de z.g.n- „Clearingwct toe te passen, wat beteekent, dat betaling van vorderingen op DuitsChlanid verkregen moeten worden door middel van de opbrengst van Duitsche goederen, die in ons land worden geïmporteerd. De Nederlands che Bank treedt als eenig betaMngskantoor op en op andere wijze vereffenen der vorderingen wordt gestraft met ten hoogste zes maanden gevangenisstraf of

was, als juist ons land. Dit wordt ook van Duitsche zijde erkend en wij vertrouwen, dat Duitsdhland wederkeerig bereid zal zijn, een overeenkomst af t© sluiten, die beide landen recht doet wedervaren. Ook in Engeland zal, wanneer de op Duitschland uitstaande vorderingen ten bedrage van één millioen pond sterling niet binnen komen, de clearingwet wofden toegepast.

een geldboete van ten hoogste f 10.000. De clearing is voorloopig slechts tot 1 Sept. voorgesdhreven en het is te hopen, dat de intussdhen voortgezette onderhandelingen tot een bevredigend resultaat mogen leiden. Wij mogen eöhter daaromtrent goed© verwachtingen koesteren, daar geen enkel land ter wereld,, zoowel tijdens als na den oorlog tot zooveel : hulp sa. bemiddeling jegens Duitschland bereid