is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 4, 30-08-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30 Aug. 1934. 3e jaargang.

Is de Nederlandsche „geld” politiek juist ? Door |. Oortwijn Botjes. In „Landbouw en Maatschappij” van Donderdag 16 Augs. schrijft de heer Smid, dat hij zich schaart bij hen, die de crisis wijten aan de door verschillende omstandigheden veroorzaakte schaarschte aan ruilmiddelen. De oorzaak zou dan liggen bij het geld en niet bij de productie of bij het verbruik der goederen. Of dit al of niet juist is, durf ik 'niet te beoordeelen. Wel heb ik den indruk gekregen, dat op de economische conferentie te Londen de vertegenwoordigers van de Vereenigde Staten en van Engeland, deze opvatting deelden. Zij meenden, dat die sterke ophooping van goud bij sommige circulatiebanken en het daardoor ontstane gebrek aan goud op andere plaatsen, ais eender redenen voor het abnormaal lage peil der goederenprijzen moet worden beschouwd. Zij wenschten door internationale maatregelen tot een toestand te komen, waarbi] men de waarde van het geld tenslotte zou kunnen regelen. De conferentie te Londen heeft tot geen enikel resultaat geleid, omdat de afgevaardigden van de zoogenaamde goudlanden Frankrijk, Italië, Zwitserland, België en Nederland inde eerste plaats den gouden standaard wenschten te handhaven, terwijl men in andere landen zich niet aan het goud wenschto te binden, In Engeland, inde Scandinavische landen, in Amerika, in Zuid-Afrika, in Japan en in Australië heeft men den gouden standaard losgelaten ©n heeft men de verbroken verhouding tusschen geld en goederen min of meer hersteld door aan het te duur geworden geld een lagere waarde te geven. Inde goudlanden heeft men dit niet gedaan. In sommige dier landen Frankrijk, België «n Italië was een wijziging inde verhouding van geld en goederen ook minder noodig, omdat een vroeger plaats-gevonden devaluatie bewerkt had, dat de verhouding minder scheef was geworden. In Zwitserland en Nederland was dit niet gebeurd. In deze landen heeft men dan ook de meest onhoudbare verhouding tusschen geld en goederen ge kregen, D© goederen, die op de vrije markt met buitenlandsehe goederen moeten concurreeren, zijn er zoo laag in prijs, dat de ondernemer rente en loon, welke voor de productie noodig zijn, niet kan betalen. De ondernemer, hetzij boer, fabrikant of reeder, die met het buitenland moet concurreeren, is in den regel genoodzaakt zijn bedrijf in te krimpen of te sluiten, indien hij althans niet op de een of andere wijze door den staat wordt geholpen. De personen, die inde eerste plaats verantwoordelijk zijn voor onze monetaire politiek Mr. Trip, de president van de Nederlands che Bank, Dr. Coliju, de minister-president en ]\4r oud, de minister van Financiën _ zijn tevens vurige voorstanders van den vrijen handel. Zij wenschen dus tot een toestand te-Itig te keeren, waarbij Nederlandsche producten, zonder regeeringshulp met buitenlandsehe producten kunnen concurreeren. Door hun monetaire politiek hebben zij echter bereikt, dat de productiekosten in Nederland tengevolge van de hooge loonen en grooten schuldendruk, buitengewoon hoog zijn. 2i) zien volkomen in, dat hun ideaal van vrijhandel niet vereendgbaar is met abnormaal hooge productiekosten en daar zij deze niet Willen verlagen door muntcorrectie, blijft er geen ander middel over dan loonsverlaging. Het is echter wel gebleken, dat de tegenstand tegen sterke directe loonsverlagingen, die voorafgegaan zouden moeten worden door zeer groot© verlaging van den werkloozensteun, te groot is om ook dooreen krachtige ïegeering overwonnen te kunnen worden. Als «en Minister den weg zou willen bewandelen ®m door directe loonsverlagingen Nederland eer in staat te stellen op voet van gelijkheid met landen met gedevalueerde valuta te concurreeren, zou men hem inde eerste plaats *te vraag moeten stellen: „Excellentie, waar zijn Uwe kanonnen?” Trip, Colijn en Oud hebben door hun monetaire politiek bereikt, dat het bedrijfsleven in Nederland zich niet kan handhaven zonder regeeringssteun. Bij den door hen gevolgden koers is slechts een tot het uiterste doorgevoerd protectionisme in staat uitkomst te bieden. Ik vind dit op zich zelf minder erg. Oip het gebied van de economische politiek behoort men zich niet aan dogma’s te binden. Vrijhandel is uitstekend voor een volk, als dit volk Jn bet algemeen goedkooper produceert dan andefe volken. Als het tegendeel het geval is, Werkt dit stelsel funest. Ik heb daarom reeds bescherming bepleit, toen dit inde kringen van het K.N.L.C. nog als ©en bewijs vaneen soort geestelijke minderwaardigheid werd beschouwd. Tegen een sterk doorgevoerd protectionisme, waarbij men vrijwel alle ondernemingen, die met het buitenland concurreeren, in sterke mate hulp verleent, bestaan echter toch wel groote bezwaren. De smokkelarij aan de grenzen en ook in het binnenand wordt er door bevorderd; het buitenland J®. geneigd zeer groote uitvoerpremiën als dum* le beschouwen; de ndet-gesteunde groepen er bevolking komen tegen een zeer hoogen S eun m verzet. Bovendien kan men bij een krachtig doorgevoerd protectionistisch systeem niet volstaan met invoerrechten en uitvoerpremiën, maar zal men, bij producten, «ie worden uitgevoerd, den omvang der productie moeten regelen; zooals thans reeds bij den landbouw geschiedt, en ook noodzakelijker wijze geschieden moet. Wie zich tegen een dergelijike regeling verzet en tevens voorstander is vaneen sterke bescherming, verlangt het onmogelijke. Hij eischt voor zich een schaap met vijf pooten. meen in verband met deze bezwaren, dal men er m ons land met bescherming alleen met komt. De verhouding tusschen geld en goederen en de daardoor ontstane verhouding usschen loonen en renten ©enerzijds en de Productenprijzen anderzijds, is zóó scheef, dat ®en met een kunstmatige verhooging der productenprijzen alléén niet in staat is het berijfsleven t© herstellen. Als men ons land m ® tot een zekeren bloei wil brengen, dan oet men den moed hebben om, behalve het ogma van den vrijen handel, ook het dogma aa den gouden standaard over boord te wer-

pen. Dan moet het uit zi}n met de aanbidding van het gouden kalf. De waarde van het geld moet inde toekomst niet afhangen van de waarde van het goud. Men koopt zoo weinig goud in het dagelijkseh leven, dat de verhouding van geld en goud geen beteekenis voor ons heeft. Wij moeten streven naar waardevast geld, naar geld dat steeds eenzelfde goederenwaarde heeft. In Engeland, waar men in 1931 den gouden standaard heeft losgelaten, heelt het Pond van 1931 tot 1934 vrijwel precies dezelfde goederenwaarde gehouden, terwijl bij ons de gulden een steeds grootere goederenwaarde en de goederen dus een steeds kleinere geldswaarde gekregen hebben. Aan deze te klein geworden geldswaarde der goederen gaat het economische leven te gronde. Wij worden daardoor uitgeschakeld uit de rij der concurreerende volken. Een vermindering van de waarde van den gulden oefent slechts een zeer geringe druk uit op hen, die hun inkomen inden vorm van guldens genieten. Tenslotte betaalt de eene arbeider den anderen. Een gelijktijdige daling van alle loonen, gepaard met ©en gelijktijdige daling van alle huren, pachten en interesten, wordt heel weinig gevoeld. Volgens ©en minutieuze berekening van Prof. Polak zouden, bij een devaluatie van 25 pet. de kosten van het levensonderhoud slechts met 5 a 7 pet. stijgen. Evenmin als de kosten van levensonderhoud sterk daalden toen de waarde van den gulden, in goederen udtgedlrukt, met 50 pet. steeg, zullen ze in sterke mate stijgen als deze waarde met 25 pet, naar beneden wordt gebracht, Maar boer, fabrikant en reeder, zullen 25 pet. mindeer aan rente, pacht of arbeidsloon te betalen hebben, terwijl al het andere gelijk blijft. En nu zou ik aan den heer Smid, den, geestelijken leider van Landbouw en Maatschappij, de vraag willen stellen hoe hij over onze muntpolitiek denkt. Ik stel hem deze vraag niet als tegenstander. Integendeel, ik beschouw hem, met Ir. Louwes, als de beide mannen,, waaraan onze landbouwende stand het allermeest verplicht is. Samen hebben de heer Smid en ik gepleit vóór bescherming, vóór actieve handelspolitiek en tegen het ongelukkige verdrag van Ouchy. Toen wij te Groningen critiek uitoefenden op de handelspolitiek van Dr. Nedlerbraght, bleek, volgens de eigen woorden van den heer Smid, dat hij en ik tot in bijzonderheden gelijk dachten. Ik stel het oordeel van den heer Smid op buitengewoon hoogen prijs. En daarom durf ik hem hier de vraag stellen of hij ook niet meent, dat de toestand in die onbeschutte bedrijven in ons land slecht zal blijven, zoolang de gulden zijn abnormaal hooge waarde behoudt. De heer Smid zou mij en anderen zeer aan zich verplichten als hij zich ook over deze, voor onzen landbouw zoo belangrijke vraag, zijn oordeel zou willen uitspreken. Onderschrift. Op de vraag, die Dr. Oortwijn Botjes aan het slot van zijn beloog, waarmede ik het over het geheel eens ben, stelt, wil ik het volgende antwoorden. Naar mijn meening spelen bij de crisis, vooral hier te lande, de volgende factoren de hoofdrol: 10. de waardestijging van het goud, waardoor de prijzen op de wereldmarkt, in goud uitgedrukt, tot een ongekend laag peil zijn gedaald; 20. de heerschende opvattingen inzake het Joon, waardoor aanpassing a-an het lage prijsniveau onmogelijk wordt gemaakt; 30. de verandering inde wereldstructuur, die leidt inde richting van meer nationale zelfvoorziening. Nu werken deze factoren samen om de problemen, waarvoor wij slaan, zeer ingewikkeld te maken. En zonder nu nog te willen zeggen, dat de problemen onoplosbaar zijn. zonder waardedaling van den gulden en zondier ook van die waardedaling alleen heil te verwachten, zoo wil ik toch gaarne verklaren, dat naar mijn meening de oplossing door het loslaten van het goud, zeer zou worden vergemakkelijkt. J. SMID. De boer als kooper op de binnenlandsche markt. s>Als kooper” zal men onwillekeurig vragen. „Een boer verkoopt toch op de binnenlandsche markt”. Dat stemmen wij volkomen toe. Toch is een boer ook kooper en nog wel een zeer belangrijke kooper; feitelijk bepaalt hij voor een groot deel de welvaart van menigen winkelier en menigen middenstander. En door de meer of mindere welvaart van menigen middenstander krijgen weer andere middenstanders werk en brood. Het is één vicieuze cirkel. Deze begint echter op het landbouwbedrijf en dat heeft men in ons land zeer sterk uit het oog verloren. Aan het feit, dat de boer de welvaart vaneen groot deel van hel Nederlandsche volk bepaalt, heeft men, te weinig aandacht geschonken. En dal geldt wel in bijzondere mate ineen tijd als dezen, waarin de buitenlandsche handel, onze export van industrieproducten, onze scheepvaart, enz., door afsluiting, invoerrechten of contingenteering, sterk zijn ingekrompen. De beteekenis van den boer op onze binnenlandsche markt van industrie- e.d. producten, zou nog sterk vergroot kunnen worden, als onze Rcgeering er voor zorgde, dat datgene wat de boer aan dep Nederlandschen bodem onttrekt, weeleen loonenden prijs kan opbrengen. Eu dat is immers mogelijk als men ziet* hoe groot de invoer van levensmiddelen en voedergraan ujt het buitenland nog steeds moet zijn om het Nederlandsche volk etende te houden. Perspectief is er genoeg, als de wil er maar is! Terug naar het land, dat zal het devies moeten worden! Werd het boerenbedrijf weer rendabel, kon de uitwisseling van arbeidsproducten weer op dezelfde hoogte plaats hebben,

LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ.

dan zou dat weer nieuwe kracht, nieuwe hoop, nieuw leven en nieuwen moed in de harten der boeren brengen en het zou een geheel andere sfeer op de binnenlandsche markt scheppen. Een feit is het, dat een welvarendia boerenstand niet alleen in het belang van de werkers in dien stand is, maar in dat van den geheelen staat. Deze onom stootelijke waarheid zeer helder te hebben ingezien en daarvoor fel te hebben gestreden gedurende tal van jaren, is de blijvende verdienste van den geestelijken leider onzer beweging, den heer J. Smid, geweest. Aan hem is geheel Nederland al wil men het thans nog niet overal erkennen en inzonderheid de landbouwende bevolking, groote dank verschuldigd. Velen hebben door zijn aanhoudende hameren op hetzelfde aambeeld een geheel anderen kijk op de huidige maatschappij gekregen. Hoe nauw de binnenlandsche markt en de landbouw met elkaar verbonden zijn en hoezeer de levenskracht van de binnenlandsche industrie afhangt vaneen innerlijk sterken boerenstand, bewijzen ons de vele bedrijfstakken, welke van de bodemproductie afhankelijk zijn. We noemen slechts de machinefabricage en-handel, de kunstmestfabrieken, e.d. Daarnaast zijn tal van bedrijven de voortzetting van de boerderij. We noemen o.m. de aardappelmeelfabrieken, suikerfabrieken, bo ter- en kaasf abri eken, slachterijen e.d. Voor deze fabrieken zijn opnieuw andere bedrijven inde weer voor het leveren van artikelen. Hoeveel arbeiders, ambtenaren e.a. zijn daardoor direct en indirect bij het boerenbedrijf betrokken! Naar schatting ongeveer de helft van ons Nederlandsche volk. Gaat het den boer dan ook slecht, dan zal het uiteindelijk alle bedrijven, die van het boerenbedrijf afhangen, slecht gaan. Het is onbestaanbaar, dat zulks niet geschiedt. Dooreen verbetering van ’t boerenbedrijf, zal het velen anderen bedrijven beter gaan, want de boer heeft machines, kunstmest, enz. noodig. Door de benarde tijden worden nu bijna geen machines, enz’, aangieschaft en ontstaat er zoodoende een steeds nijpender behoefte aan allerlei landbouwarlikelen. Het is voorts bekend, dat iedere inkomslenvenneerdering van den landbouw voor het grootste gedeelte wordt omgezet in aanschaffing van deze artikelen en dat iedere inkomstenvermeerdering inden vorm van bestellingen aan de stedelijke neringdoenden toevloeit. Hiermee komen we inden vicieuzen cirkel, die we bij den aanvang van dit artikel reeds noemden, inden kringloop der staatshuishoudkunde, waardoor de opbrengst van den bodem op de vlugste manier vla het boerenbedrijf vloeit naar tal van andere bedrijven. En evenals de kringloop van het water steeds ongestoord doorgaat, zoo moet ook de kringloop der Staathuishoudkunde voortgaan, doch thans hebben remmende factoren daarop invloed en wordt de zoo noodige regelmaat verstoord. D© werkers inde secundaire productie hebben den arbeid van hun collega’s in de primaire productie aan zich ondergeschikt gemaakt en zonder dat men het beseft, is het niet onmogelijk, dat daarin de grootste oorzaak ligt van de gehecle crisis. De voornaamste opgave voor de to'ekomst ligt o.i. in het feit of de niet-landbouwende bevolking (de werkers inde secundaire productie) wil erkennen, dal de boerenstand (d.i. de werker inde primaire productie) de stam van den boom (maatschappij) is, die reeds eeuwen en eeuwen arbeid en brood heeft gegeven en dat nog eeuwen en eeuwen zal doen. Het zal er om gaan of ook de industrie en de handel voldoende zullen beseffen, wal de boerenstand voor hen beteckent. Hel verschaft ook vele werkers in deze bedrijfstakken niet alleen voedsel, maar geeft dezen arbeid en verdienste. Wanneer men wil erkennen, dat de landbouw in Nederland evengoed als in welk ander land ook, de bloedbron der natie vormt op economisch, zoowel als op cultureel gebied, laat men er dan niet zooals helaas thans geschiedt ontelbare bloedzuigers op laten parasiteeren, waardoor de bron uilgeput raakt, maar laat men deze bron verbreed en en verdiepen, waardoor zij ook aan duizenden Nederlanders opnieuw lafenis kan schenken. Slechts èen welvarende, veerkrachtige en fiere boerenstand is een eerste voorwaarde voor een gezonde maatschappij. Verlies van kracht van dezen stand, zal ziekteverschijnselen in alle staatsorganen ten gevolge, hebben. Geeft den keizer wat des keizers is en den boer een loonend bedrijf; er komt daardoor koopkracht op de binnenlandsche markt! dp.enthenaar. Landdag 8.0. G. te Hemmen (Betuwe). Naar wij vernemen, heeft de heer Smid foegezegd, op den Landdag van den Bond van Oud leerlingen van Gelderland te Hemmen, op 14 Sept. as. te spreken. Voor onze leden in Gelderland is dit een pracht gelegenheid om onzen geestelijken leider persoonlijk te hooren. Het onderwerp zijner rede zal hetzelfde zijn als op het Amato-congres.

No. 4

De aanpassing van kleinhandels- aan groothandelsprijzen. Ce Min. van Econ. Zaken heeft aar het Centraal Bureau voor de Statistici opgedragen, een onderzoek in te steller naar „De aanpassing van kleinhandelsaan groothandelsprijzen voor een aanta verbruiksarlikelen bij eenige filiaalbedrijven en verbruikscoöperaties te Amsterdam, ’s Gravenhage en Rotterdam.” De resultaten van dit onderzoek zijn thans opgenomen inde zevende aflevering van het Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Bij de bestudeering van de aanpassing tusschcn klein- en groothandelsprijzen moet men tweeërlei onderscheiden: le. dt snelheid van de aanpassing (tijdsduur der eventueele vertraging), 2e. de mate van aanpassing. Wat het eerste punt betreft, van de vertraging, die steeds inde aanpassing zou optreden, valt volgens dit onderzoek in het algemeen weinig te bespeuren, al valt deze vertraging soms wel waar te nemen voor bepaalde groepen artikelen bij de afzonderlijke ondernemingen. Dit bleek vooral in begin 1930 het geval te zijn, toen het proces van de prijsdaling nog in- zijn aanvang verkeerde. Betreffende het tweede punt wordt opgemerkt, dat het winkelbedrijf, om bij dalende prijzen zijn kosten in dezelfde mate te kunnen dekken als voorheen, zijn verkoopsprijs procentueel geringer moet laten dalen dan zijn inkoopsprijs verminderd is, aangezien de kosten, die het winkelbedrijf uit deze marge moet bestrijden, niet aan snelle veranderingen onderhevig zijn. Uit de totaalcijfers voor de verschillende groepen blijkt echter, dat te ’s Gravenhage en Rotterdam de kleinhandelsprijs-index in December 1933, bij vergelijking met Januari 1930, slechts weinig minder is gedaald dan de groot handelsprijs-index, terwijl te Amsterdam de daling van de kleinhandelsprijs-index zelfs iels grooter is geweest dan de daling van de groothandelsprijs-index. Het onderzoek bij deze 10 winkelbedrijven heeft dan ook den indruk gevestigd, dat inde onderzochte periode de aanpassing snel en bevredigend verloopen is. ♦ * * Uit het Hollandsch Landbouwblad nemen we daarnaast het volgende over, waaruit o.i. duidelijk blijkt, dat de aanpassing van de prijzen inde slagerswinkels overal niet bepaald ving gaat. ....„Nog steeds staan de winkelprijzen in geen verhouding tot de prijzen, welke de producent ontvangt. Wij hebben daarvoor de cijfers „Prijzen en Kosten voor Levensonderhoud” van het Centraal Bureau voor de Statistiek nog eens geraadpleegd. Daaruit zien wij om., dat sinds 1 Januari 1933 de boer voor zijn varkensvleesch 4 cent per K.G. meer ontvangt; de slager rekent 14 cent per K.G. en dat, terwijl de zooveel becritiseerde heffing der N.V.C. met 3 cent per KIG. verlaagd werd! Uit de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek hebben wij het volgende staatje samengesteld, waarbij wij ons bepaald hebben tot 2 gemeenten, n.l. onze goedkoope hoofdstad en Utrecht. Amsterdam Utrecht Rotterdam Kleinhandelsprijzen Grooth „prijzen Varkenslappen in centen in ent. p. K.G. per K.G. sladhtgew. 1933 Januari 100 110 44 Februari 100 110 44 Maart 100 110 45 April 110 105 46Vs Mei 120 105 40 Juni 120 105 46 Juli 130 110 40 Augustus 120 120 48 September 130 120 54Va October 120 125 53 November 110 120 53 December 110110 52 1934 Januari 114 114 54 Februari 114 114 54 Maart 114 114 51 Vs April 114 109 50 Mei 114 109 48 Men vertelle niet, dat er 4 pet. omzetbelasting sinds 1 Januari geheven worde, want versch- en gezouten spek, alsook varkensvet, zijn van deze heffing vrij, terwijl de achteruitgang van den boerenprijs van 52 op 48 de vraag wettigt, of het ook wellicht de boer is, die de omzetbelasting betaalt. Ook behoeft men ons cr niet op te wijzen, dat er nog andere deelen aan een varken zitten, welke minder opbrengen; dat weten wij ook, doch het gaat hier slechts om de lijn en die doet ons zien, dat elk redelijk verband zoek is, de marge was hoog en is hoog gebleven.’' * * * „Het aanlal slagers is te groot”, oordeelt het Geld. Landbouwblad, dat eens bij de directie van de slachthuizen inde gemeenten Arnhem en Rheden heeft geïnformeerd naar de verhouding tusschen het aantal slagers en het inwonertal. Daarbij werden de volgende cijfers verstrekt; Arnhem 155 slagers op ongeveer 83000 inwoners of 1 slager per 535 inwoners, grijsaards en zuigelingen inbegrepen. Inde gemeente Rheden vindt men 44 slagers op 2 :000 inwoners of pnge- J veer 1 op de 590 inwoners. *

Tweede Blad.

Voor Arnhem, oordeelt genoemd blad, kan men gerust aannemen, dat de omzet vaneen slager wekelijks steunt op 70 3J 80 gezinnen, terwijl dit te R lied en ook wel het geval is, omdat daar ook nog verschillende inwoners zelf slachten. Het Geld. Landbouwblad voegt hieraan o.m. het volgende toe: „Wij ontkennen niet, dat er op het slagersbedrijf van overheidswege veel te zware lasten zijn gelegd. De hooge slachthuistarieven of keurloonen in verschillende gemeenten zijn een kwaad, dat nooit te scherp bestreden kan worden. De hooge winsten, die diverse gemeenten met hun slachthuizen maken, is ini strijd met de bedoelingen van den wetgever. Maar als men ons wil doen gelooven, dat „de heffingen het begin en het eind zijn van alle misère”, dan moeten we eii op wijizen, hier is een maartje bij.” Misschien is het wenschelijk ook eenS over het geheele land een enquête Jni tp doen stellen naar het aantal slagers per) getal inwoners. En daarna beperking top te passen. De kleinhandelsprijzen van het vleesch zonden er wellicht aanmerkelijk door kuiimen verlaagd worden, terwijl de boer nog eenmaal een loonendeM prijs voor dat product zou kunnen bedingen. Wat ten aanzien van het slagersbedrijf moet, zal ook voor de bakkersbedrijven] wenschelijk zijn. Dan kunnen producent en consument wellicht dichter bij elkaaij. komen.