is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 7, 20-09-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20 Sept. 1934, 3e jaargang. LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No. 7 Tweede Blad.

Het verbond van Nederiandsche werkgevers en de Landbouw. Uit de rede van den heer H. P. Gelderman, voorzitter van het Verbond van Nederiandsche Werkgevers, ter algemeen© vergadering van dat Verbond te Apeldoorn gehouden, hemen we uit het verslag inde Nieuwe Rotterdamsch© Courant het volgend© over. De Landbouwcrisissteun. „Naast deze belastingen drukt als een looden last op onze bevolking de landbouwcrisissteun, waarvoor in het raam van den geheelen steun thans f 220 millioen inden vorm van heffingen door de Nederiandsche bevolking wordt opgebracht. Vooropgesteld, dat ons Verbond zich nooit tegen het geven van landbouwsteun verklaard heeft en dat ook thans niet doet, vraagt men zich toch af waar dit naar toe moet. Wel heeft de Regeering inden loop van dit jaar verschillende malen verklaard, dat een vermindering van den landbouwsteun moest plaats hebben, maar verder dan ©en verlaging van den tarwesteun van fl2 op fll en een verlaging van den bieteastenn, was men tot voor kort niet gekomen. Op het totaal bedrag van f 220 millioein bSteekenen deze verlagingen niet veel en daarom rijst thans de vraag, nu de Regeering principieel op het standpunt van landbouwsteunverlaging staat, of het niet hoog tijd wordt, gezien de stijgend© graanprijzen tengevolge vain de mis-oogsten in Amerika en elders, de monopoliewinsten op graan en producten daarvan thans ook te verlagen. De stijging van de prijzen van enkele granen is inde laatste maand n.l. zoodanig geweest, dat de monopoliewinst van f1.50 daardoor vrijwel geheel is ingehaald. Aangezien deze monopoliewinsten 'gebaseerd zijn op wereldmarktprijzen, is het voor enkele granen, b.v. gerst, zelfs to ogel ij k do monopoliewinst geheel af te schaffen. Hiervoor is temeer aanleiding, omdat h-v, in November 1933 de Regeering de toon op olie winst op tarwe, gerst, rogge, toais en producten daarvan met 50 pet. verhoogde, met de motiveering, dat da sterk gedaalde wereldmarktprijs zulks noodig maakte. De regeeringsmaatregel waarbij de uitkering aan de landbouwers per 100 K.G. Stost is verlaagd van f3.50 op f2.50 en ®® bijslag bij denaituratie van rogge is verlaagd van f3.50 op f3, in verband ■waarmee eveneens de monopoliewinst op rogge is verlaagd van f 5 op f 4.50, moge dan ook een stap inde goed© richting zijn> maar naar mijn oordeel gaat men mt yer genoeg. Immers ondanks deze «j-aging 2a! bet Nederiandsche volk eenzelfde belasting moeten opbrengen ten behoeve van onzen landbouw. Het Landbouwcrisisfonds zal daardoor een groeier saldo krijgen, hetgeen zal worden besteed om inde toekomst den steun op andere producten op de bereikte hoogte te houden. De Regeering meent, dat de verlaging tran de bijslagen slechts een geringe verding van de monopoliewinsten rechtvaarto£t, waartegen ik wil opmerken, dat iedere mogelijkheid tot verla- hoe klein ook, met beide handen dient te worden aange-S^epen.” En even verder: >,Wat moet men op den duur met onzen land- en tuinbouw doen? Waar is het Va®te plan, dat men voor de toekomst 2ou moeten opmaken en wat kost dat? 'Weet men in land- en tuinbouwkringen zelf wel wat men wil? Men kan toch niet Verlangen, dat het Nederiandsche publiek lot in lengt© van dagen deze heffingen opbrengt ? Zeg het publiek, wat men wil, hoe men wil aanpassen, ihkrimpen, of van teelt wil veranderen, hoe lang dat duurt toi wat het kost.” Bovenstaand fragment toekent zoo duidelijk den geest in deze kringen van Nederlandse werkgevers, het bekende handels-industri-

Onderstaande teekening met gedicht zagen we kort geleden o.a. afgedrukt in De Noordooster, en de Provinciale Drenfsche en Asser Crt. Dat journalisten inde groote steden niet beter met den nood inden landbouw op de hoogte zijn, is verklaarbaar, hoewel niet verdedigbaar. Dat redacties van bladen, als de bovengenoemde, die te midden van den landbouw leven en daaruit hun bestaan moeten putten!, zulken formidabelen onzin verkondigen, is inde hoogste mate afkeurenswaardig. Als de menschen in ons eigen midden nu ook al mee gaan doen aan de vergiftiging van de publieke opinie, waar belanden wij boeren dan ? \ Izouoert WE | n \ ~ DIB EEME kruk \ I « Toen de boer hier in ons landje Langzaam kwam hij weer op krachten, Heelemaal zat aan den grond Schoon hij aldoor kreunen bleef, En die goeie moeder Holland Dat men evenwel op reek’ning Hem. totaal wanhopig vond, Vaneen soort gewoonte schreef. Hielp zij hem met een paar krukken De vooruitgang in zijn toestand Tijdelijk weer op de been, Hield dan ook voortdurend aan En zoo kwam de zwaar beproefde Bi nu vraagt hem moeder Holland Door de ergste crisis heen. Of ’t niet mist een stok zal gaan? Onze landman is daar ondertusschen Niet bijzonder mee content, Want hij is door moeder Holland Wellicht wat al teveel verwend. Dat hij meer zichzelf moet helpen Heeft intusschen alle schijn: Moeder Holland heeft nog kinders Die haar hulp méér noodig zijn! (Spat. van ons. Red. L. en M.)

eele groote-stadsmilieu, dat we het, met eenige spatieering van ons, den lezer van „Landbouw en Maatschappij” niet mochten onthouden. Alleerst de „looden last van den landbouwerisissteun”, de beroemd© f220 millioen, waar het Verbond zich nimmer tegen verklaarde ©n dat nu nog niet doet. Wij zouden wel eens willen vragen, wat dan wél de bedoeling van deze rede mag zijn geweest. Het tweemaal vastleggen van het standpunt der Regeering, dat zou behelzen, dat de steun aan den landbouw zou moeten worden verlaagd, wijst wel ineen eenigszins andere richting! Het volgend© deel der rede geeft een merkwaardig idee van de manier van strijden voor opheffing van den landbouwsteun. Het doel heiligt blijkbaar de middelen. Wij willen tenminste niet aannemen, dat de heer Gelderman hier over zaken is gaan praten, waarvan hij niet het minste verstand heeft, waarover hij zich bovendien niet de moeite heeft getroost eenig Inzicht te verwerven. Indien dat evenwel tóch het geval mocht zijn, dam herroepen we gaarne onze beschuldiging hierboven, maar dam wordt daardoor natuurlijk het geheel© betoog van den redenaar tot nul gereduceerd. Het zou notabeme mogelijk zijn om de geheel© monopoliewinst op enkele granen af te schaffen! Wij zien den heer Gelderman al gerst verbouwen voor f5 en minder, rogge voor f4, haver voor f3, tarwe voor f5! En dan de opmerking aan ’t adres der Regeering, dat „iedere mogelijkheid tot verlaging, hoe klein ook, met beid© handen dient te worden aangegrepen”! Als weden steun

stellen op de monopoliewinst van f1.50 -f de toeslag van f3.50 of op f5, dan beteekent vermindering van dien toeslag met f0.50 op het voornaamste product rogge slechts vermindering met l/io van den steun of met 1/7 van den toeslag! Voor rogge zou de heer Gelderman dan zeker 1/7 maal f1.50 minder monopoliewinst willen heffen! Afgezien echter van het getheoretiseer over deze twee dubbeltjes verlaging, vergeet de heer Gelderman geheel en ai, dat de f1.50 monopoliewinst bij lange na niet voldoende is omi de aangenomen prijsbasis te verkrijgen. Men geeft nu wel een toeslag uit de gevormde fondsen op de inlandsche granen, maar daarmee is men er helaas niet! Daar zijn dan ook nog altijd de door deze monopoliewinst getroffen veehouders, die óók nog recht hebben om door uitkeering uit die fondsen schadeloos gesteld te worden! En daarvoor is beusch meer noodig, dan de f0.20 monopoliewinst van den heer Gelderman! Er heerscht over deze monopoliewinsten en hun bedoeling veel misverstand. Redevoeringen als deze kunnen dat misverstand slechts vergrooten. Voor den akkerbouw zijn deze monopoliewinsten zeker noodig, de veehouderijbelangein ©ischen echter tevens een dergelijke hooge monopoliewinst, dat naast den akkerbouw óók de doordat monopolie benadeelde veehouderij haar schade krijgt vergoed. Het slot is typisch. „Het Nederiandsche volk kan deze heffingen niet tot in lengte van dagen opbrengem.” Ons goed. Maar dan moet men ook direct daaraan toevoegen, dat de landbouw de lasten van het hooge kosten- en lastenpeil inde huidige maatschappij niet tot in lengte van dagen zal kunnen dragen.

■ \ /KRUK EU GEEN STOK > (GEEFMIJ SLECHTS EEN RECH7^h?ZfoCfH/r' j ; J \/fi/\pr>i/z DEEL van HET / Wij hebben bij nevenstaande teekening bovenstaande tegenhanger laten maken. We meenen dat de landbouwer op deze teekening zijn positie inde maatschappij juist ziet.

Men houde zich aan de voorschriften. Het resteerend bedrag van 50 millioen gulden van het dooreen Nederlandse!! bankierssyndicaat aan den Franschen Staat in Maart van dit jaar verstrekte crediet van 100 millioen gulden, waarop op 23 Juni j.l. de helft is terugbetaald, zal per 24 Sept. a.s. worden afgelost. Dergelijke credieten worden door Nederland herhaaldelijk aan andere landen verstrekt en meestal voor betrekkelijk korten tijd. Zou daarom onze overvloedige binnenlandsche kapitaalmarkt niet dienstbaar zijn te ma-, ken aan een loonenden export onzer agrarische producten? Zoolang het in ons eigen land zoo slecht is, ‘ zijn wij geen voorstander van credietgeving aan het buitenland, doch wanneer men toch,' zulke groote bedragen wil en kan uitleenen, waarom dan niet de bepaling gemaakt, dat het , leenobject gedeeltelijk moet dienen voor aankoop van bij den credietgever overvloedig aanwezig zijnde producten? In denzelfden geest als Amerika met China heeft gedaan, natuurlijk met dit verschil, dat geen oorlogstuig, maar, nuttige producten moeten worden gekocht Het zou het zoo noodige internationale handelsverkeer slechts ten goede kunnen komen. Nederlandsch crediet aan Frankrijk. Bij een veehouder te Jutphaas is nagenoeg de geheel© veestapel in beslag genomen. Van, de crisismaatregelen wilde hij niets weten. Meerdere waarschuwingen waren hiervan het gevolg, doch steeds zonder eenig succes. Vaak werd tegen de controleurs een dreigende houding aangenomen. Het geduld der centrale raakte op en onder politietoezicht werden 30 stuks vee uit het land gehaald en overgebracht naar de veestallen ter Utrecht. Het vertegenwoordigt een waarde van ruim. vier duizend gulden. Wij willen nogmaals waarschuwen zich aan, de voorschriften te houden. Het heeft geen zin. individueel bewust verzet te plegen tegen de crisismaatregelen. Slechts organisatorische samenwerking zal in de te nemen maatregelen verbetering kunnen brengen. Dat zich daarom steeds meerderen bij ons aansluiten. ECONOMISCHE OPSTELLEN. Van de Boer ■ voor de Boer. Men storte op gironummer 192357 teiï name van Jac. ler Haar Ex., Ruimerwoldi, 60 cent per exempl. en men zoolang de voorraad strekt, per keepende post toezending vain de bestelde aantallen.' van dit buitengewoon lezenswaardige t boekje van 125 bladzijden.

Dan komt men wel tot elkaar, n.l. tegelijkertijd afschaffen van den landbouwsteun en verlaging van het kosten- en lastenpedl, voornamelijk van het loonpeil in het beschutte bedrijf, dan vindt men inderdaad wel een gezonde gemeenschappelijke basis. Als men echter den landbouwsteun wil verlagen of opbeffen en daarmee niet tegelijkertijd het verschil wil weghennen in belooning van den arbeid inden landbouw en in het stedelijkindustrieele milieu, en dat toch is in feite tegenwoordig veelal bet geval, dan zullen we moeten vechten voor behoud en voor uitbreiding van den landbouwsteun, voor hoogere prijzen, waardoor een meer gelijkmatige belooning mogelijk wordt. Mét de Neder! andsche Werkgevers en als werkgevers tevens, willen we strijden voor aanpassing van het loon- en prijspeil van het beschutte bedrijf bij dat inde vrije ondernemingen. Tégen het Verbond van Nederlandsche Werkgevers zullen we echter hebben te strijden, als man ons den met veel moeite verkregen steun wil ontnemen, vóórdat de prijzen onzer producten een menschwaardig bestaan voor de werkers inden landbouw mogelijk maken. Indexcijfers van 70 a 80 voor onze producten tegenover 200 voor loonen in beschutte bedrijven zeggen daarbij genoeg. G. J. R. Korte Berichten. De nieuwe spelling. Zooals al onzen lezers wel bekend zal zijn, wil de regeering ©en nieuwe vereenvoudigde spelling invoeren, waarbij vele e’s, n’s, ch’s en o’s moeten verdwijnen. Ook enkele van onze medewerkers passen deze eenvoudiger schrijfwijze reeds toe. Wij voor ons zijn ook geen tegenstander van deze vereenvoudiging, doch het eigenaardige van het geval is nu, dat de regeering zelve deze nieuwe z.g.n. examenspelling niet toepast. Alle regeeringsstukfcen, brieven van departementen, Staatscourant en Staatsbladen, Handelingen der Staten-Generaal, enz., blijven voorloopig althans, gehandhaafd inde spelling van De Vries en Te Winkel. Wij meenen toch dat de regeering in dezen zelf voor dient te gaan in het toepassen der nieuw© regels. Zij zou dan zeker niet tevergeefs een beroep hebben te doen op aller medewerking. De pers in het algemeen zou dan haar medewerking niet hebben geweigerd en in ©en ommezien was de nieuwe spelling ingeburgerd geweest. Of bestaat er inden boezem der regeering nog geen eenstemmigheid betreffende het spellingsvraagstuk?

Uit Huis en Hof verdreven. Een greep uit het boerenleven dezer dagen. (Alle rechten voorbehouden.) VII. Het viel niet mee voor Sloters, om Kamikwi de £roote menigte rondom het brannüe gebouw te vinden, doch eindelijk gelukte hem toch. ~Nou, buurman,” vroeg hij, „wat denk je «u te doen?” »Mijn lieve man,” sprak Kampers opgewon- Eeh’ VWat: *k nu doen zal? Daar heb ik in ’t tochn0n°? 11161 8311 Bedaebt' De boel brandt 2al’Ja brandt nog, dat is zeker. En het Üert uT neerl)randen ook. Doch daar veranvragen Zaak ni€ts van- Ik wou je alleen maar installeer©10 met 'e volk biï mii te gaan Dank c heb i® voorloopig onderdak.” niet ’ ,ters, hartelijk dank. Maar is dat Och v Bever£d van jou?” ellen korn> in tijd van nood moeten wij ons •naar ?aar ,Wat ontzien. Dus iaat je spullen huis miï bezorgen. Ik zal al vast naar „Ja *s m'jn vrouw hier ook nog?” staan’ D*6 Zag ik 200 6ven met mijn vrouw ter <Ji© t6n' Daarginder in het donker ach- Sloter/^0016 beuk” aangeweze COt ziin vrcmw ®n vond haar op de zacht voo" -plek met vrouw Kampers, die Vrouwtje had'Cfl been s*ond te schreien. Het geval, want te doen onder dit tragisch geboren was d was het huis’ waarin ze Toen vrouw sa * daar in vlammen opging, hen 2© °ters haar man gewaar werd, ftian, °P hem toe 611 sprak: „Zeg bun onder iai, de KamPers helpen. Ik heb „H^ïdak hoe denk je daarover?” ev©n h©tz©ifdar overdenk? Wel, ik heb zoomueten ma t aan Hampers voorgesteld. We half om. De ortmaken ook. De nacht is al ui moeten het geredde maar

naar ons toebrengen. Waar zijnde kinderen? Die kunnen alvast wat oppakken. En de jongens van Kampers? Die moeten ook meehelpen. Ga jij maar naar huis, dan zal ik de lui bij elkaar trommelen. Neem vrouw Kampers maar mee, want die is nog heelemaal van streek, ’t Is voor haar ook een heele slag.” Skrters had in één adem door gesproken. Hij had bij zichzelf een plan opgemaakt, hoe de zaak te regelen. Nu moest dat gebeuren en zoo gauw mogelijk. Hij overzag bij zich zelf reeds de heele toedracht en zoo moest het dan ook aangepakt worden. Krachtig en flink was dan zijn stem en niemand durfde hem te weerstreven. Zoo ook nu weer. Hij klampte de naaste buren aan en beval hun het geredde goed naar zijn huis te brengen. Niemand weerstreefde hem en toen hij een twintigtal dragers aan het weik had, waaronder de jongens van Kampers, ging hij hen voor naar zijn woning. Geheel buiten haar vaders plan om, was Annie aan het werk gegaan. Zij was mede naar den brand gesneld en had met ontzetting het schrikaanjagende schouwspel gadegeslagen. Zij had het publiek van heinde en verre zien aankomen met fiets en auto van de stad. Onder de auto’s had ze spoedig een al gauw herkend: het moest stellig de wagen van Van Hameren zijn. Ze stelde zichzelf de vraag, wie de bestuurder geweest zou zijn: de vader van Jan, of Jan zelf. Deze vraag werd al spoedig voor haar opgelost, doordat Jan haar inde menigte bespeurde en op haar af kwam. „Vreeselijk hé. Ik meende eerst, dat het bij jullie was,” sprak Jan haar toe. „Boe kom je hier wel zoo gauw. Is die brand bij jullie dan zoo zichtbaar?” „Wel, het leek van verre een gloeiende vuurzee. Heel inde hoogte stond de hemel nog in gloed. Ik was werkelijk bezorgd, dat het jullie boerderij was. Daarom reed ik zeer snel, doch dichterbij bemerkte ik, dat het jullie huis niet zijn kon,”

„Maar ’t is voor hen, die het treft, toch maar vreeselijk, vind je ook niet?” Beiden stonden in het halfdonker van de groote beuk, waar veel van het geredde meubilair was beengedragen, den brand te aanschouwen. Ze spraken weinig, maar waren beiden onder den indruk van het vernielende vuur. Andere omstanders, die hen kenden, wierpen af en toe nieuwsgierige blikken naar hen en enkele boerenjongens uit de omgeving, namen Jan niet bepaald vriendelijk op, dat hij daar met den arm om Annie stond. Het paartje bemerkte er niets van, want naast het angstaanjagend schouwspel, dat hen machtig aangreep, overwon het samenzijn in hun jonge liefde het geleidelijk. Plotseling hoorde Annie in haar nabijheid baar vaders bevelende stem. Ook bij haar kwam nu de behulpzaamheid op, waaraan ze tot dusver nog niet gedacht had. „Zeg Jan, laten we vast wat beddegoed in je wagen stoppen en naar ons buis rijden.” „Dat lijkt me waarlijk een goed idee, Annie. Vooruit, ik pak vast al aan.” Onder groote verwondering en hilariteit der omstanders sjouwde Jan een heele vracht beddegoed zijn wagen in, op den voet gevolgd door Annie, die ook een vracht aantorste. „Nou, zeg”, spotte een bengel, „nou je het bed klaar hebt, zou ik de meid er meteen maar boven op leggen.” Jan hoorde het niet of deed alzoo. Hij en Annie haalden nog een partij en toen liet hij Annie bij zich plaatsnemen inden wagen. De motor sloeg aan, de lampen goten hun wit licht fel vooruit en de menigte, die zich begon te verwijderen, week snel voor hen uiteen. „Zachtjes aan, fijne mijnheer," riep dezelfde bengel van zooeven hem nog na. Sloters stond bij de deur in afwachting, wat de dragers medebrengen zouden. Opeens stond hij fel beschenen in het licht der autoiampen vaneen wagen, die zijn inrij opkwam. „Wat drommel, wat zullen wij nu hebben?,” dacht hij. Zoo nabij als nog nooit een auto bij zijn

zijdeur gestaan had, hield deze halt en het eerst sprong daaruit zijn eigen dochter, op den voet gevolgd dooreen jongen man. „Zeg, Annie, wat betoekent dat?,” vroeg Sloters verwonderd. „O, niets Pa,” riep Annie, terwijl zij bloosde ondanks de duisternis, „wij helpen uw gebod uitvoeren. We zijn bezig Kampers te verhuizen en hebben hun beddegoed meegenomen.” „Wij?, wij? Wie is die andere wij dan? Ik ken er maar een van.” „O, ik ken ze allebei wel, Pa,” lachte Annie, die met een vracht dekens de gang insnelde, haar verbaasde vader voorbij. „Het zal toch wel goed volk zijn,” zei Sloters tegen Jan, „want anders was je niet zoo spoedig behulpzaam, om den boel mede hierheen te brengen.” Jan, die steeds met ©en vracht beddegoed bij de deur staan bleef en wachtte, dat iemand het hem zou afnemen, kreeg het bevel van Sloters; „Toe maar, jongmensch, breng het maar verder. Ga de gang maar recht door.” Jan moest wel in het licht treden en nu kon Sloters hem beter opnemen. „O,” dacht Annie’s vader, „ik heb hem toch al vaker gezien.” Nu kwam een heele rij behulpzame lieden opdagen, met wat eens het huisraad uitmaakte van de Kampers. Sloters had druk werk om al die lui van hun vracht te ontlasten. Overal i moest wat geborgen worden, doch op de ledige ■ koestal was gelukkig veel ruimte. Hier werden : stoelen en tafels neergeplaatst, waarop kleeren . en allerlei klein huisraad en keukengerei neergeplaatst kon worden. De morgen begon aan te breken, aan de : Oosterkim brak reeds het morgenrood door, 1 als alles eerst bij Sloters ter ruste ging,.om i nog ©en uurtje verkwikking te zoeken inden slaap. Over de boomen van Sloters’ inrij lag ’ een nevel, doch boven was de lucht helder en zag men de grauwe rookwolken opstijgen uit i wat eens Kampers’ boerderij was geweest.

Hl. ’t Was een vieze morgen. Doorloopend viel een druilerige motregen neer en door de mast zag men nauwelijks een paar honderd schreden heen. Die vieze regen en mist hing je ten lange leste overal in; in je kleeren, in je gezicht, zelfs in je oogen en neus en drong door je kleeren tot op je huid. Koos was reeds den geheeien morgen bezig met een span paarden een akker te ploegen* Als hij voortmaakte, kon hij het juist tegen den middag doen en dan kon na het eteiï nog mooi de rogge er op gezaaid worden. Als zijn vader straks maar met de koffie kwam en de hoeken even omspitte. De paarden trokken eentonig het kouter door den zandigen bodem. Voor voor voor krulde om en bracht versche aarde boven. Bij iederen. rondgang werd de akker kleiner, alhoeweï het onmerkbaar ging. Toch was er dezen morgen al een heele lap geploegd. Af en toe; spoorde Koos de paarden aan, dooreen slag met de leidsels. Doch de paarden reageerdeni ©ven, door met den staart te slaan en trokken, onveranderd voort. Plotseling doemde, voor Koos op het begin van den akker een gestalte uit den mist op, Het was vaag, gelijk een silhouet en Koos kon nog niet zien, wie het was. Een twintig pas * naderbij, wist hij het beter: het was zijn vader 1 niet. Annie stond met een koffiepulletje in; de eene band, terwijl zij onder den anderen. 1 arm zijn boterham in courantpapier had. Hij 1 hield zijn paarden op en gooide de knuppels los „Zoo, ben jij het,” zei hij, „waarom komt’ Pa niet?” „O, die is vanmorgen al weer uitgegaan, ■ ; sprak Annie, hem zijn proviand o ver ’ „Zoo,” sprak Koos, „nou, hij gaat me tegen-; ' woordig veel te vaak uit.” 1 (Wordt vervolgd.) r ' l t