is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 16, 22-11-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Juist de jonge boer heeft bij een behoorlijk© ontwikkeling op technisch, economisch en cultureel terrein de beste kans uitte groeien tot een volslagen zelfstandig mensch. De technische ontwikkeling, in theorie bij bet landbouwonderwijs bijgebracht, brengt veel kennis bij. Zij leert echter ook, hoe oude theorieën en hypothesen moesten worden verlaten om plaatste maken voor nieuwe op zoo menig

terrein. Technische ontwikkeling alleen bracht geen welvaart. Inzonderheid op den dag van het zilveren Jubileum van de R.L.W.S. te Meppel, voelden wij echter, aldus vervolgde de heer Weijer, dat de technische ontwikkeling van onze boeren hun niet heeft gebracht, wat velen er vooreen kwart eeuw van hebben verwacht, namelijk een behoorlijke mate van welvaart. Dienzelfden morgen konden we ineen landbouwblad de klacht vaneen bewoner van het oude landschep lezen, welke luidde; „Men heeft ons gezegd, dat we het landbouwonderwijs moesten volgen en coöperaties stichten en wij hebben het gedaan. Men heeft ons er door drang en dwang toe gebracht ons land te ontwateren en ruilverkaveling toe te passen en wij hebben het gedaan. * En thans zijn wij armer dan ooit.” Inderdaad! Wij kunnen ons moeilijk voorstellen, dat de breede lagen van onzen boerenstand, de kapitaalzwakke, doch behoorlijk ontwikkelde boer het nog slechter zou kunnen hebben, indien hij dom en achterlijk was, instede van goed ontwikkeld. We zouden het gevoelen als eeen onwaarachtigheid, als we het anders zeiden. Want hou zou het dan wel moeten zijn, als het nog veel erger was dan nu? Verkeerde voorstelling door de dagbladpers. Op een gehouden congres te Amsterdam, heeft de heer Smid verklaard, dat het grooten deels, dank zij de dagbladpers, gelukt la de stedelijke bevolking een voorstelling te geven van de omstandigheden, waarin het platteland verkeert, welke vrijwel tegenovergesteld is aan de werkelijkheid. De heer Smid vroeg zich op grond daarvan wel eens af, of wel 10 pet. juist zou zijn van de voorstelling, welke deze pers geeft van velerlei gebeurtenissen in het buitenland. Spr. voegde hieraan toe, dat een belangrijk deel der pers, met name In onze provincie, gunstig afsteekt bij dit journalistiek confectiewerk, naar vooraf bepaalde kleur en snit. (Applaus). Wij hebben evenwel behoefte aan menschen, die zelf kunnen en durven bouwen aan een zelfstandig oordeel en allerminst aan het type van burgermannetje, dat zweert bij de dikwijls zeer eenzijdige of onjuiste voorlichting van zijn teigen dagblad en dat vandaag zoo noodig Hoomsch- Katholiek en morgen precies andersiom kan zijn. Als nu het landbouwonderwijs in zijn ultgebreidsten vorm er toe heeft bijgedragen de bouwstoffen aan te voeren, welke de jonge boer van straks noodig heeft voor een gezond en zuiver oordeel, dan is het nut van dit onderwijs, ondanks de gegronde klacht, dat we thans armer zijn dan ooit te voren, grooter gedweest, dan de offers, hiervoor gebracht. Niet theoretici, doch menschen met helder oordeel en krachtige armen bedde, zullen door doelbewuste samenwerking den ombouw tot Stand kunnen brengen. De boer met een zelfstandig oordeel zal zichzelf durven zijn ook in het cultureele leven. Nimmer zal hij gevaar loopen te worden misvormd tot een nagemaakten stedeling. Hij zal een eigen levenshouding durven aannemen. Veel steun zal hij hierbij kunnen vinden door het lezen van enkele goede boeken, zoo. wel vain proza als van poëzie. Wij allen moeten arbeiden om tot een eigen levenshouding te komen, tot innerlijk evenwicht, binnen In ons. Zoolang we dat niet bezitten, kunnen we ons zelf niet ten volle zijln en zijn we geen volslagen mensch. i Spr. reciteerde hierop een tweetal gedichten van Multatuli en Beets. De zorg voor het stoffelijke, vervolgde hij, komt Inde eerste plaats, zij mag ons evenwel nooit geheel overheerschen. Diep in ons, gevoelen we allen, dat we niet kunnen volstaan met fe zorgen voor den dag van morgen. Wie dat wel zou kunnen, zou een arm eigen leven leiden. Ons werken in en met de natuur doet ons onze afhankelijkheid en onmacht gevoelen en brengt ons muurvast bij het geloof aan een hoogere macht, „in wlen, door wien en tot wien alle dingen zijn”, zooals Da Costa bet ïlitdrukt. Uit die overtuiging groeit een nieuwe overtuiging: dat het ons aller dure taak is te maken van het leven, wat wij vermogen. De overtuiging, dat bet ons aller persoonlijke plicht is meer licht, blijheid en geluk rondom ons te brengen, waar vooral inden huldigen tijd zooveel als met een donker floers omhangen schijnt. Dat kunnen we het best en op de beste wijze, naarmate wij er beter in slagen zelfstandige menschen te vormen, technisch, economisch en cultureel ontwikkeld tot een evenwichtig geheel. Menschen die recht en waarachtigheid en gemeenschapszin in hun devies willen schrijven en den a!s juist gevoelden Weg, moedig durven bewandelen. (Applaus.) Vervolg Officieele Mededeelingen. voorbeeld uit het grijze verleden, maakte spr. duidelijk, dat al wat eet en leeft op deze aarde, direct of indirect zijn bestaan vindt inden bodem, het terrein van den landbouw, waarop het geheele platteland is aangewezen. Een hartelijk applaus getuigde, dat de vergadering geheel met het gesprokene instemde. Daarop sprak de heer J. Knollema van Slochteren, prov. propagandaleider. Spr. zette uiteen, hoe de nieuwe propagandadienst zal werken en hoe deze is verdeeld in groepen: n.l. hoofdleiding, prov. leiding en vervolgens de kringleiding met de afdeelingen. Bij elk van deze groepen moet een propagandaleider aan het hoofd staan. Deze persoon moet dus iemand zijn, die veel voor propaganda voelt en actief is. Spr. hoopte, dat dje jonge men«chen, hier aanwezig, met kracht hiinJ

taak zullen vervullen. Het zal een dankbare taak zijd, omdat er nog een gropte verwarring bestaat. Door den nieuwen propagandadienst zullen gemakkelijk economische cursussen op touw gezet kunnen worden, waarvoor meerdere leiders en sprekers beschikbaar zijn en nog gezocht zullen worden. Hij wees dan nog op het boekje Economische Opstellen, aan het secretariaat van den Groninger Boerenbond voor djen prijs van öO cenl verkrijgbaar. Door de afgevaardigden van de aMeelingen van Kring 4 werd daarop de heer Wolthuis van Winschoten als Kringpropagandaleider benoemd. Daarop sloot de voorz., onder dank voor de groote opkomst, deze iu alle opzichten zeer geslaagde vergadering, waarin een geest van doorzetten merkbaar was! . ‘ . Friesche Agrarische Bond, De op Vrijdag 16 Nov. gehouden bestuursvergadering was speciaal aan de propaganda gewijd. Aan den /oproep voor propagandist had een 25-tal sollicitanten gehoor gegeven, waaruit een viertal was uitgenoodigd nader met het bestuur kennis te maken. Nadat eerst de ünancieele aangelegenheden waren geregeld, werd overeengekomen, dat leder der propagandisten voorloopig in eigen omgeving propaganda zal maken. le. De heer L. Hannema te Leeuwarden voor de noordelijke streken der provincie. (District I.) 2e. De heer M. T. v. Straten te Kimswerd voor het westelijke gedeelte. (District n.) 3e. De heer E. Rienstra te Oosterend voor het centrum ten westen der spoorlijn Leeuwarden—Sneek. (District III.) 4e. De heer A. J. v. Stralen te Wytgaard voor het centrum ten oosten der spoorlijn Leeuwarden—Sneek (District IV), terwijl ook de heer J. Leyenaar te Bergum In zijn omgeving propaganda voor onze beweging zal maken. De algemeene propagandadienst zal evenals de algemeene administratie van den Bond, door den penningmeester, den heer S. Vellinga te Leeuwarden, worden waargenomen. INGEZONDEN MEPEDEELING. DAMES voor een PRACTISCH ST. NICOLAAS CADEAU naar het Heer» Mode-Magazijn JACQ.vanCALKAR Torenstr. 19 to. de Wintertuin Winschoten Haagsche Geluiden. Wanneer men als beweging of als organisatie een gestald doel langs wettigen weg wil bereiken, dan moet men d© oogen richten naar het Binnenhof. Men kan dat doen op tweeërlei wijze. Men kan trachten daarheen eigen menschen af te vaardigen, of wei man kan steunen hen, van wie men op goede gronden meent te mogen verwachten, dat zij zuilen trachten, het gestelde doel te verwezenlijken. „L. en M.” koos bij do Kamerverkiezingen van het vorig© jaiar den tweeden weg. Nu komen d© gemoederen in beweging voor de verkiezingen van het volgende jaar. Dit zijn wel geen Kamerverkiezingen, maar ledereen weet, dat aan de verkiezing van leden van d© Prov. Staten noodwendig een politieke kant zit, omdat daar, mede het gehalte onzer senatoren wordt bepaald. „L. en M.” staat nu voor dezelfde keuze, maar beeft meer houvast dan het vorige jaar. Ditmaal behoeft niet uitsluitend te worden afgegaan op beloften, doch kan de houding mede worden bepaald door de gedragslijn der uitverkorenen gedurende het afgeloopen Jaar en door do perspectieven, die deze hebben geopend voor de naaste toekomst. De stemmingen over verschillende crisis-maatregelen en de debatten over de staatsbegrooting kunnen hierbij handleiding zijn. Desniettemin zal de keuze niet gemakkelijk wezen. De gehouden stemmingen geven weinig licht, omdat vaak ook degenen, die niet werden gesteund, aan de totstandkoming medewerkten. Blijven dus over de debatten over de staatsbegrooting. Weinig bestrijding verwachten we bij ons beweren, dat bet doel van „L. en M.”, een gelijkwaardige positie in het maatschappelijk bestel voor den boerenstand, niet In zijn geheel aan de orde is gesteld en zeker niet door de partijen, waarvoor „L. en M.” zich heeft geïnteresseerd. In zekeren zin is wel het tegendeel het geval geweest. Wat door „L. en M.” zoo krachtig naar voren wordt geschoven, een over de heele linie loonond landbouwbedrijf, wordt slechts schoorvoetend door enkelen erkend. Men kan en mag in ’s lands belangden landbouw niet ten onder laten gaan, maar aan den anderen kant mag men toch ook weer de consumenten niet te zwaar belasten. Deze stelling is schering en inslag. De steun aan den landbouw moet daarvoor „tot het striktnoodige beperkt blijven”, redde de woordvoerder der liberale fractie. Deze afgevaardigde vindt „de belooning in het hoofdlandbouwbedrijf, het veehoudersbedrijf, uitermate karig”, doch voegt er oogenbllkkelijk aan toe, dat niet uit het oog mag worden verloren, „dat da geboden hulp aanzienlijke offers vergt van de consumenten, wier koopkracht over da heele linie daalt. Hetzelfde Kamerlid deed zich volgens de N. R. Crt. volstrekt niet kennen als ©en eenzijdig egrariër. Dat to ook

onze meening, maar we voegen er aan toe, dai de landbouw, nog altijd lévende verre beneden de index van 1914, zijn volle krachten op eigen belangen heeft te conoentreeren en derhalve op volle krachten moet kunnen rekenen. Met die volle kracht kwam genoemde afgevaardigde op tegen de bevoorrechte positie der beschutte bedrijven, naast een landbouw- ook een groot industrieel belang. Een zwakke moot ook is voor ons landbouwers, wat dit plattelands-Kamerlid zei, dat „wijde productiekosten van ons bedrijfsleven in overeenstemming moeten brengen met dia van het buitenland”, zoowel uiteen oogpunt van export-roogeiijkheid als „om niet van de markt verdrongen te worden”. We kunnen niet anders inzien dan dat in dezen gedachtengang de landbouw weer het loodje zou leggen. Ons dunkt, dat de voorz. van den Dn B. B. dit terecht heeft gewraakt. De woordvoerders der Anti-Rev. en der Chr. H. partij hebben weinig of niets aan agrarische politiek gedaan, Vennoedelijk Is dit overgelaten aan hun landbouw-specialiteiten. Wei hebben deze met kracht betoogd, dat aan ons hypothecair crediet niet mag worden getarnd. Een radicale maatregel op dit terrein zal ons dan ook wel niet te wachten staan. Een ander geluid liet dienaangaande de R.K. woordvoerder hooren, doch van Regeeringsw©ge bleek men met eerstgenoemde heeren accoord te gaan. Resumeerend zouden we dus kunnen zeggen, dat uit de gevoerde debatten niet is gebleken, dat wij gerust de toekomst kunnen afwachten. We zullen slagvaardig moeten blijven, vooral nu uit andere invloedrijke kringen het offensief tegen ons opnieuw geopend is. K„ 18 -11. J. W, De uitvoering der Landarbeiders wet. In ons nummer van 25 October j.l. werd ineen hoofdartikel over het onderwerp; „Men kent den boom aan zijn vruchten,” uiteengezet hoe funest het resultaat van de gevoerde sociale politiek Is geworden voor hen die houders zijn van plaatsjes, vallende onder de landarbeiderswet. Het bestuur van onze beweging besloot naar aanleiding van bepaalde gevallen, een adres te zenden aan den Minister van Financiën. Door den heer W ei t ka mp, lid der Tweede Kamer, werden aan denzelfden minister vragen gesteld betreffende voorloopige opschorting van de executie van bepaalde kleine-landbouwers of semi-landarbeiders, die met steun der Landarbeiderswet een ontglnningsboerderijtje verkregen en thans in moeilijke omstandigheden verkeeren. In zijn antwoord op de gestelde vragen verwijst de minister van Financiën naar hetgeen door hem inde memorie van antwoord op het voorloopig verslag der Tweede Kamer betreffende hoofdstuk VII der Rijksbegrootlng voor bet dienstjaar 1934 Is medegedeeld. Zooals daar werd uiteengezet, brengt het systeem der Landarbeiderswet mede, dat het Rijk de voorschotten tegen een matig percentage beschikbaar stelt, doch dat het verdere risico, aan de uitvoering van de wet verbonden, op de gemeentebesturen rust, die daarvan niet kunnen worden ontheven zonder de goede werking der wet in gevaar te brengen. Bij de uitvoering der wet zullen de gemeenten intusschen niet alleen haar financieels belangen in het oog hebben te houden, doch zal het gewenscht zijn, dat zij aan haar beslissingen ook sociale overwegingen ten grondslag leggen. Op dien grond zullen zij In bepaalde gevallen landarbeiders, die van goeden wille zijn, tegemoet kunnen komen door tijdelijk met een lager bedrag dan de verschuldigde annuïteit genoegen te nemen, dan wel uitstel van betaling toe te staan. Gemeenten, aan welke dit laatste, ten gevolge van haar financieele positie, te zwaar valt, zullen zich tot de regeering kunnen wenden met verzoek haar door uitstel van betaling tegemoet te komen. De regeering kan echter de taak der gemeentebesturen niet overnemen. De Minister voegt hieraan toe, dat uit de hem ter beschikking staande gegevens zeker niet valt af te leiden, dat de moeilijkheden op dit punt sedert het vorige jaar zijn toegenomen. De laatste opmerking van Z. E. wenschen wij in twijfel te trekken. Weliswaar zijnde prijzen der akkerbouwproducten hooger dan de belde voorgaande jaren, doch de prijzen, der dierlijke producten, waarvan deze landarbeiders bet hebben moeten, zijn nog bedroevend laag. Bij de oprichting der Landarbeiderswet Is, naar wij meenen te weten, uitdrukkelijk bepaald, dat de houders van dergelijke plaatsjes landarbeider moesten blijven, hetgeen tot gevolg had, dat de plaatsjes aan een bepaalde grootte waren gebonden. Naast de opbrengst hunner eigen verbouwde of geteelde producten, moeten deze menschen dus als landarbeider werk zoeken, om een bestaan te vinden'. Nu worden meer en meerde grootere werken in werkverschaffing uitgevoerd, terwijl de grootere bedrijven ta de naaste omgeving, door de lage productenprijzen, zoo weinig mogelijk arbeid laten verrichten, zoodat deze bedrijven extensief worden bewerkt. Inde werkverschaffing °f steunverleeniing worden boertjes van b.v. 4 koeien veelal geweerd, zoodat de inkomsten dezer menschen zeer, zeer Laag blijven, waardoor het ónmogelijk is om de verplichtingen na te komen. Nu laat de Regeering aan de gemeenten meer vrijheid. Deze mogen ook met sociale overwegingen rekening houden. Waar de landarbeidersplaatsj es uit den aard der zaak onder plattelandsgemeenten ressorteeren en deze veelal geleid worden döor menschen die ten nauwste bij den landbouw betrokken zijn, doen we een beroep op de raadsleden inde diverse gemeenten, waaronder deze landarbeiders ressorteeren. De financiën van vete plattelandsgemeenten zijn echter niet rooskleurig. Ware het nu niet beter de houders van plaatsjes, vallende onder de Landarbeiderswet en ook andere klein© boeren, in werkverschaffing of steunverieening, vooral in deze laatste op te nemen en hen zoodoende inde gelegenheid te stellen, hun verplichtingen na te komen? Wij komen hierop nog wel ©ans weer terug. Dit punt is uit den aard der zaak bijzonder belangrijk en het Rijk heeft hier ©en belangrijke sociale taak.

I INGEZONDEN MEDEDEELING. Nuttige St. Nicolaas-Cad eaux voor Heeren. Overhemden vanaf f U5 Handschoenen wol en bont vanaf f2.50 Sassen vanaf f 0.69 Hoeden vanaf f 1.25 Bretelles vanaf f 0.39 Sokken vanaf f 0.19 OFS (Dordreeht) Broekenpers f 6.75 Gebr, Röben Tei. 243 Winschoten

het landb ou wcmiswerk in Den, Haag niet zoodanig wordt uitgevoerd dat de boer weer ©en loonend bedrijf krijgt en dit weer intensief kan1 bewerken. We hebben nu een nieuw hoofd aan een deel van het 1 andbouwdepartement, ©en leiding voor het geheel ontbreekt en daarom plaatsten we boven dit artikel het opschrift:. Een nieuw hoofd en toch zonder hoofd. Slechts indien de geheel© regeeringsbem.oeiïng met den landbouw onder leiding staat vaneen terzake kundig Dir.-Generaal zal er iets goeds tot stand kunnen kernen. Wanneer de Regeerings* politiek bet tenminste mogelijk maakt om de landbouwend© bevolking weer aan een loonend bedrijf te helpen. Moge den nieuwen Dir.-Generaai spoedig de geboete leiding in handen worden gelegd en hij door grondig© kennis van den landbouw in zijn vele schafeeeringen een waardig opvolger blijken te zijn van zijn alom i beminden voorganger Dr. P. van Hoek. : _ 4 Toewijzing van kalveren voor hef seizoen 1935. Door de Nederlandsche Veehouderijcentrale wordt het navolgende medegedeeld: Zooals reeds voor eenigen tijd bekend werd gemaakt, zullen alle kalveren, die na 1 November 1934 geboren worden, ressorteeren onder de teeltregeling-1935, hetgeen dus inhoudt, dat de mogelijkheid tot het wel of niet aanhouden dezer kalveren door de kalver-toewijzing-1935 zal worden bepaald. Ten aanzien van de kalveren, die weliswaar reeds vóór 1 November 1934 geboren werden, doch op dien datum nog geen gewicht van 60 kg. wat betreft de stierkalveren en 100 kg. wat betreft de vaarskalveren bereikt hadden, is vastgesteld, dat door den' datum, waarop deze dieren geschetst worden, bepaald wordt of zij onder de teeltregeling-1934 dan wel onder die van 1935 ressorteeren. Werden deze kalveren n.l, vóót! 1 November 1934 geschetst, dan zullen zij, na de betreffende gewichten van 60 respec-' tievelijk 100 kg. bereikt te hebben, door een’ identiteitsbewijs-1934 esdekt dienen te zijn.’ terwijl bij schetsing na 31 October 1934 voor ïlfeh t.g.t. een IdentlteltsPewlJs-iose nïsrae-.; ven zal moeten worden. Uit het bovenstaande kan afgeleid wor-i den, dat de kalvertoewijzing-1935 als eert zeer dringende aangelegenheid opgevat' dient te worden. Het bestuur der Neder-* landsche Veehouderijcentrale zou dan ooK' reeds geruimen tijd geleden tot vaststel-’ llng der betreffende regeling zijn overgegaan, ware het niet, dat het, van oordeel' zijnde, dat inzake de toewijzing voor het seizoen 1935 de aard der bedrijven ten nauwste In aanmerking genomen dient té worden, voor deze regeling gegevens behoefde, waarover toentertijd nog niet teri volle beschikt kon worden. Aangezien de ontbrekende gegevens eerst één dezer dagen verstrekt konden wordenen met de verwerking nog eenige tijd gemoeid zal zijn, Is voomoemd bestuur van oordeel, dat ten behoeve van den goederr gang van zaken aan de definitieve toewijzing een voorloopige toewijzing vooraf dient te gaan. Uit dien hoofde is bepaald: le. Dat aan de rundveehouders, die voor 1934 een toewijzing van 2 of vaneen even aantal grooter dan 2 hebben ontvangen, door de betreffende Landbouw-Crlsls-Organisatles ten aanzien van het seizoen 1935 voorloopig zullen worden toegewezen een aantal vaarskalveren en ongeregistreerde stierkalveren, gelijk aan de helft van het hun voor 1934 toegewezen aantal. 2e. Dat aan de rundveehouders, die voor 1934 een toewijzing van 3 of vaneen oneven aantal grooter dan 3 hebben ontvangen, door de betreffende Landb.-Crlsis-Organlsaties ten aanzien van het seizoen 1935 voorloopig zullen worden toegewezen een aantal vaarskalveren en ongeregistreerde stierkalveren, gelijk aan de helft van het hun voor 1934 toegèwezen aantal verminderd met V». 3e. Dat ten aanzien van de rundveehouders, wien voor 1934 geen kalf dan wel 1 vaarskalf of ongeregistreerd stierkalf werd toegewezen, vanwege de betreffende Landbouw-Crisis-Organisaties in eerste instantie nauwkeurig nagegaan dient te worden, of zij voor 1935 wèl of niet voor de toewijzing van 1 kalf in aanmerking komen. Indlen duidelijk is komen vast te staan, dat zij voor deze toewijzing wèl in aanmerking komen, zal hun bij deze voorloopige regeling direct 1 kalf worden toegewezen. Hierbij wordt echter op den voorgrond gesteld, dat één en ander onder geen voorwaarde tengevolge zal mogen hebben, dat aan deze categorie, te weten de groep veehouders, wier toewijzing-1934 0 of 1 bedroeg, voor 1935 een grooter aantal kalveren dan net totaal der betreffende toewijzingen-1934 wordt toegewezen. Hieraan dient met nadruk toegevoegd te worden, da van ieder aantal kalveren v.o gens bovenstaande regelen voorloopig toegewezen, de toewijzing wordt ingetrokken met een aantal, gelijk aan het aantal runderen, ten aanzien waarvan, de . trokken vee.houder niet h.eeft gemaakt van de hem doo de .Nederlandsche Veehouder» centrale geboden geleg.enhei»

Varkensteelt-beperklng In cijfers. Wij publiceerden reeds het aantal biggenmerken voor 1935, nl. 2.200.000 stuks, waaruit een vermindering bleek van ± 13 °/o ten opzichte van het loopende jaar. Wij willen thans deze vergelijking ook nog even voor de afzonderlijke provincies maken. Daartoe drukken wij hieronder af de voor de verschillende gewesten vastgestelde aantallen, met daarachter, tusschen haakjes, de aantallen van 1934: Groningen 74.500 ( 91.0001 Friesland 122.000 ( 127.000) Drenthe 241.000 ( 280.000) Overijssel 296.000 ( 329.000) Gelderland ...... 448.000 ( 519.000) Utrecht 147.000 ( 166.000) Noord-Holland .... 100.500 ( 114.000) Zuid-Holland 266.000 ( 263.000) Zeeland 47.000 ( 59.000) Noord—Brabant .. 324.000 ( 378.000) Limburg 174.000 ( 194.000) Nederland .... 2.200.000 (2.520.000) Een nieuw hoofd en toch zonder hoofd, In ons nummer vara 8 Nov. konden we nog juist een bericht opnemen over de a.s. benoeming vaneen nieuwen Directeur-Generaal van den Landbouw. Ir. A. L. H. Roebroek was daarvoor aangezocht. Deze aianstaande Direct eur-Genera al is door verschillende functies met den landbouw in aanraking geweest. Na eerst landbouwkundige bij den F.N.Z. geweest te zifn, was hij directeur der Coöperatieve Zuivelfabriek te Roosendaal, vervolgens rentmeester van het Staatsdomein Klundert, terwijl hij deze functie voor enkele jairen verwisselde met die van lid der Directie van den Wieringenmeerpoider. Wie echter had verwacht dat de nieuwe Directeur-Gcneraal ook leiding zou geven aan de te voeren landbouwcrisispolitiek heeft misgezien. In hetzelfde bericht, waarin da a.s. benoeming stond, werd tevens de verwachting geldt, 1 dat deze opvolger van Dr. P. van Hoek, -waarnaar men ongeveer 81/* jaar heeft gezocht (!), den voorlichtingsdienst, het laindbouwonderwijs, de proefstations en andere takken van de Directie van den landbouw opnieuw zal organiseeren. Wie tusschen de regels kan lezen, voelt dat de nieuwe Directeur-Generaal zich niet met de landbouwcrisispolitiek mag bemoeien. Hij krijgt dus de leiding over een gedeelte van de overheidsbemoeiing inden landbouw en momenteel niet over het voornaamste gedeelte. De landbouwcrisispolitiek is voorloopig voor den boerenstand nog veel belangrijker en de leiding van dit crisiswerk is in handen bij een college van Regeeringscommissarissen onder voorzitterschap van den Secr.-Generaal van het Departement van Economische Zaken, Mr. A. A. van Rhijn, die voordien nog nimmer op agrarisch terrein werkzaam is geweest. Wel is hij ©enigen tijd werkzaam geweest als secretaris-generaal van het departement van Arbeid, na daarvoor jarenlang secretaris van een patroonsorganisatie in het drukkersbedrijf te zijn geweest. Het reglementeeren Inden landbouw gaat niet geimakkelijk en daarom verdient het alle aanbeveling dat mensehen die de leiding hebben bij dit werk tot in da finesses op da hoogte zijn met het boerenleven. Men kan dan aanvoelen hoever man kan gaan, zonder alles te ontwrichten. Of dat nu wel geschiedt, betwijfelen we zelfs niet, mi aar ontkennen we ten ©enen male. Ineen ander artikel in dit blad spreken we daarover nader. Op ons congres te Amsterdam heeft Prof. van Vuuren reeds den wensch geult dat de voorlichtingsdienst in het crisiswerk werd fngeschakeld. Ineen hoofdartikel In het Handelsblad, getiteld „Een leege concessie?”, werd daarop ; eveneens de aandacht gevestigd. In Den Haag heeft men anders beslist. We hadden juist gaarne een nieuw© wind voelen waaien door de crisisdepartementen, al is een frissche wind voor sommige takken van de Directie van Landbouw ook niet overbodig. We behoeven slechts te wijzen op de late verschijning van de landbouwverslagen en thans van de lijst van officieel© Personen en Instellingen over 1934, welke laatst© uitgave deze week verscheen, terwijl ons nog zes weken resten van het jaar 1934. De voorlichtingsdienst en het landbouwonderwijs zijn, voorzoover wij kunnen beoordeelen, nog goed intact onder de deskundig© leiding van Ir. Hulzinga. En hoewel wij een pracht-vooriichtingsdienst en goed landbouwonderwijs ook in econoimd-o ten zeerste waardeeren, komt het ons toch voor dat deze beide takken hun werk niet volledig kunnen uitoefenen, wanneer de te voeren landbouwcrisispolitiek met zoodanig is, dat deze de bdooning inden landbouw inden ruimsten zin genomen op voldoende hoogte heeft gebracht. Helaas is de koek, welke de agrarische bevolking te verdeden krijgt als deel van het maatschappelijk inkomen, nog zóó klein, dat de bodemexplodtatie in extensieve richting wordt gestuurd. Voorlichtingsdienst en onderwijs kunnen slechts dan hun nut ten volle afwerpen, wanneer intensieve bodemiexpioitati© mogelijk is. Het organiseeren van deze takken van de Directie van landbouw heeft weinig of gem zoolang