is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 16, 22-11-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan werktuig In handen van anderen. In deze houding schuilt dan niet de minste positieve waarde, omdat zij niet geboren is uit een eigen geestelijk besef. Bovendien wil ik onder de boerenbevolking al diegenen verstaan, die deel hebben aan de directe agrarische productie. Daartoe behooren dus boer èn arbeider. Als cultuurvormende kracht zijn zij beiden van dezelfde waarde. En nu spreekt het wel van zelf, dat die gehechtheid aan den bodem In sterkere mate gelden zal voor den boer-grondbezitter dan voor den landarbeider en geen theorie kan mij bevredigen, die geen ruimte laat voor den arbeider op het boerenland.

Hiermee wil natuurlijk niet gezegd zijn, dat ook bij den boerenarbeider geen gehechtheid aan eigen geboortegrond zou optreden. Maar door de groep, die aan dit besef zoo groote waarde toekent, worden min of meer stilzwijgend de landarbeiders meestal even goed voorbijgegaan als de Jordaners uit Amsterdam, die soortgelijke gevoelens koesteren. Indien men deze zijde van het boerenleven zoo sterk hoort prijzen, dient men zich af te vragen, of er inde gehechtheid aan het eigene geen eigenliefde en eigengereidheid schuilt, of de gehechtheid aan den bodem niet samenhangt met een verknochtheid aan het bezit en aan het slijk der aarde. Zet dan het signaal op onveilig, zoowel tegenover een boerenstand, waarin deze trekken zouden overheerschen, als tegenover den stedeling, die op grond hiervan zijn waardeerend oordeel uitspreekt. Ook bij hem Zullen dan waarschijnlijk bezit en behoudzucht niet inde laatste, plaats komen. Maar wij moeten wel bedenken, dat ineen richting, die zeer dicht ligt naast de door mij afgekeurde waardeering, ook krachten In het boerenleven schuilen, welke er werkelijk groote waarde aan kunnen geven. Het gebonden zijn aan de aarde behoeft niet alleen te beteekenen het gebonden zijn aan den bodem vanwege het eigene. Er kan ook in besloten liggen het ineen zekere natuurnoodzakelijkheid nauw verweven zijn met de groeikracht van de aarde en met het Leven zelf. Dat is een moeilijk ding: die aardgebondenheid, die naar zijn bedenkelijken kant kan worden uitgeleefd als verknochtheid aan de modder en aan het slijk der aarde, maar die naar zijn Goddelijken kant beteekent de liefde voor het Leven, voor het geschapene, het begrip dat men één Is met die aarde en het Leven, dat men deel heeft aan en deel uitmaakt van den oergrond van alle Zijn. Die kant van de aardgebondenheld, die vanzelfsprekende verbinding van ons zijn met de groeikracht der aarde hangt misschien samen met de groote levenskracht, die menig boerengeslacht eigen is. Deze twee kanten der verbinding met de aarde: de duivelsche verknochtheid aan het slijk der aarde en de goddelijke liefde tot het Leven zelf, belden worden ze In het boerenleven aangetroffen en ze stammen uit dezelfde ziel. En toch, het is goed, Indien inde volksgemeenschap een groep aanwezig Is, voor wie de nauwe verbinding met de vitale krachten, met de levenssappen, met het bloed der schepping, zoo vanzelfsprekend Is, zoo Inde lijn van zijn bestaan ligt. Ook al blijft het sluimeren en al Is dit gevoel inde groote meerderheid slechts vaag en geheel onbewust, plotseling kan het in bepaalde tijden en in bepaalde figuren naar voren treden en gestalte krijgen inde wereld. De invloed van de natuur. Een verwante groep van eigenschappen en Verschijnselen kunnen worden verklaard uit het leven van den boer Inde natuur en uit het feit, dat zijn arbeid zich dagelijks In het proces van kweeken en telen voltrekt als een strijd tegen de natuur, waarin hem slechts zeer beperkte mogelijkheden zijn gelaten. Zien wij dan eerst naar den invloed van de schoonheid der natuur. De stedeling kan meenen, dat de boer deze niet beseft, omdat hij er dagelijks in verkeert. Toch geloof ik, dat dit een oppervlakkig oordeel Is. Men aanvaardt deze natuur in haar wezen van eiken dag, maar ondergaat wel degelijk den invloed ervan. Men beleeft het niet als lets bijzonders, terwijl voor vele stedelingen dat vanzelfsprekende van het leven Inde natuur juist zoo afwezig Is. Ik heb alle waardeering voor het goede werk van de Vereenlglng tot behoud van natuurmonumenten, maar veroorloof mij toch even de vrijheid deze instelling een typisch voorbeeld van de stadscultuur te noemen. Het is de stedeling, die voor zijn tusschen schuttingen en planken misvormde ziel, verfrissching zoekt Ineen park van de Vereeniging tot behoud Van natuurmonumenten. Maar gelukkiger is tegenover hem de buitenman, die ’s avonds na harden arbeid van zijn velden terugkeert en zich zonder dat hij het nu direct mooi vindt, zooals de stedeling dat noemt, zich 'één voelt met de natuur, die hem omringt en waarin zijn arbeidsleven zich voltrekt. Hierin liggen een rust en evenwicht, die weldadig aandoen. Het productieproces van den boer, dat zich inde natuur voltrekt, geeft hem een besef van afhankelijkheid van machten, die bulten en boven hem staan. Dit behoeft niet direct een godsdienstig gevoel te worden. Dat kan natuurlijk zoo zijn, doch dit is slechts een bepaalde vorm van dit afhankelljkheidsbesef, dat ook in andere nletreligieuse vormen, niet minder levendig behoeft te zijn. Ik behoef hier niet nader op in te gaan. Dit behoort tot één van de meest bekende punten, waarmee men intusschen bij zijn omschrijving voorzichtig moet zijn, omdat er naast staat een besef van vrijheid In het boerenleven, welke zijn oorsprong vindt Inde onafhankelijkheid van die machten, welke niet door den boer als van natuurlijken aard worden aanvaard. Zijn leven Is door velerlei band gebonden, doch zoolang deze banden niet aan de willekeur der menschen ontleend zijn, zoolang vindt men In het boerenhart dat besef van afhanlijkheid naast een gevoel van eigenwaarde en vrijheid. (Wordt vervolgd.) Rundvee-, varkensén Pluimveehouderij. In het laatst van September hebben het Kon. Nederlandsch Landbouwcomité, de

Christelijke Boeren- en Tulndersbond en de Katholieke Nederlandsche Boeren- en Tuindersbond gezamenlijk een adres tot den minister van Economische Zaken gericht, waarin zij het vertrouwen uitspraken, dat de minister tot de conclusie zal komen, dat de instandhouding van de rundvee-, varkensen pluimveehouderij noodzakelijk is, en dat daarom aan deze bedrijfstakken dooreen verhooging van de prijzen van de door hen voortgebrachte producten een compensatie behoort te worden gegeven voor de hoogere kosten, welke zij moeten maken ter wille van de bescherming van de akkerbouwproducten. Naar het Algem. Nederl. Landbouwblad meldt, heeft de minister den 6en dezer daarop geantwoord: „Volkomen uwe opvatting deelende, dat de instandhouding van de rundvee-, de varkens- en de pluimveehouderij noodzakelijk is, moet ik echter met u van meening verschillen ten opzichte van de maatregelen, welke daarvoor gewenscht zijn. In het bijzonder geldt dit ten aanzien van het door u geopperde denkbeeld, aan de melkveehouders een uitkeering te doen uit het gereserveerde bedrag van het fonds, dat gevormd is uit de heffingen bij uitvoer van zuivelproducten. Het zou niet voldoende verantwoord zijn, evenbedoeld bedrag thans uitte keeren en niets te reserveeren voor het opvangen van anders onvermijdelijke verlaging van steun aan melkveehouders." (Het beste antwoord dat de drie C.L.O. den minister zouden kunnen geven zou als volgt kunnen luiden: „Excellentie, als U geen geld hebt, verhoog dan de monopolieheffingen op graan.” Zegt men dit echter, dan komt men in hetzelfde schuitje als Landbouw en Maatschappij. Wat zal men nu doen?) INGEZONDEN. Protenose. Een nieuw veevoeder, dat de aandacht verdient. Door de N.V. Stijfsel- en Glucosefabriek „Sas van Gent" wordt onder dezen naam inden handel gebracht een nieuw veevoeder. Gedurende ruim een jaar had ik gelegenheid de resultaten, welke met dit voeder worden bereikt, nader onder oogen te zien, en was het steeds opvallend te zien. welk een buitengewonen invloed het voeder had op de algemeene conditie van de dieren. Protenose is samengesteld uit zuivere maïsgluten en maïsglucose, waaraan is toegevoegd phosphorzure kalk, en om deze op waarde te brengen, zoodat ze werkelijk aan den opbouw van het beenstelsel ten goede komt, is verder toegevoegd vitamine D. Een uitgebreide analyse van Wagenlngen toont ons de cijfers (in %): Eiwitachtige stoffen 22.1 Vetachtige stoffen 3.1 Vocht 12.7 Zetmeelachtige stoffen (berekend) ... 58.3 Ruwe celstof 2.5 Aschbestanddeelen 1.3 Fosfofzuur P203 0.41 Kalk (CaO) 0.25 Glucose (bepaald na inversie der dextrine met zoutzuur) 37.0 De maïsgluten, welke in rijke hoeveelheid in Protenose aanwezig zijn, zijnde eiwitstoffen uit de maïs. Daarin komen 5 eiwitten voor, n.l. globuline, albumine, proteose, prolamine (ook genoemd zeïne) en gluteline (ook genoemd zeamin). Het is bekend, dat eiwitten zijn samengesteld uit aminozuren. Er zijn tot nu toe 19 aminozuren geïsoleerd door hydrolise van plantaardig en dierlijk eiwit. Bij de vertering van eiwit in het dierlijk lichaam wordt dit afgebroken inde samenstellende aminozuren, en het dierlijk eiwit wordt dan uit die aminozuren weder opgebouwd. Nu geven verschillende eiwitten bij splitsing een verschillende hoeveelheid van de onderscheiden aminozuren. Sommige zijn zeer incompleet, d.w.z. ze bevatten niet alle aminozuren, die het lichaam noodlg heeft voor opbouw van het dierlijk eiwit. Hoe vollediger een eiwit is, hoe meer effect het sorteert. De meeste dierlijke eiwitten zijn compleet, behalve gelatine. Bij de plantaardige eiwitten is gevaar voor onvolledigheid. Volledig genoeg voor onderhoud en zelfs voor geringen groei zijn glladine (uit tarwe), glutine (uit maïs), glutenine (uit tarwe), hordeïne (uit gerst) en legumlne (uit erwten). Van de 19 bekende aminozuren is er één, dat In het lichaam zelf wordt gemaakt, n.l. het amidoazijnzuur of glycocol. Feitelijk kan men bij het onderzoek naaide samenstellende aminozuren der voedereiwitten de glycocol bulten beschouwing laten. Bij onderzoek der eiwitten uit de maïs is komen vast te staan, dat hierin 17 van de 19 bekende aminozuren worden aangetroffen. De ontbrekende zijn hydroxyproline en Narleucine. In hoeverre deze tot de werkelijk onmisbare behooren, is nog geenszins uitgemaakt. Wel kan men concludeeren, dat het eiwit uit de Protenose een groote verscheidenheid der bekende aminozuren bevat, en dat het zoodoende tot de bijna volledige eiwitten kan worden gerekend. Het mag als voldoende bekend worden verondersteld, dat een aanvulling van zeïne met melkalbumlne tot een zoo goed als volledig eiwit voert. De praktijk heeft in het verloopen Jaar allerwege aangetoond, dat Protenose met ondermelk voor jonge dieren tot ongekenden groei voert. Kalveren, gevoed met Protenose en ondermelk, ontwikkelen zich in buitengewone mate. Zoo ook veulens en biggen, wier moeders met Protenose worden gevoederd. Ook gespeende veulens, gevoed met 1 kg. Protenose per dag, toonden een groei, waarover de kenners zich verwonderden. Veulens, die hun moeders hadden verloren, werden met uitstekend succes groot gebracht met ondermelk en Protenose. Het eiwit uit de Protenose is gebleken te zijn een eiwit van hooge samenstelling, zóó zelfs, dat bij een proef te Rljperkerk op de proefboerderlj van de Friesche Landbouwmaatschapplj, hokkellngen als eenlg krachtvoeder ontvingen Protenose, en daarmede in zeer goede conditie verkeerden.

Naast de hoogwaardige eiwitten is de maïsglucose van belang en geeft deze mede een hooge waarde aan de Protenose. Ik releveer op deze plaats een belangrijke mededeeling betreffende glucose, voorkomende in „Pages medicales et Parisiennes”, no. 130 van Januari—Februari 1933. Hierin bericht prof. Polonowsky overeen proef met glucose in het voedsel van zoogende vrouwen. Honderd gram glucose per dag gaf reeds aan het einde vaneen week een verhooging inde hoeveelheid boter, gaande tot 25 %. Bij 200 gram constateerde hij zelfs een verhooging van de boterhoeveelheid tot 34 gram per liter, in één geval zelfs tot 52 gram per liter, terwijl ook de hoeveelheid melk toenam. Hij stelde dan ook bij de zuigelingen een veel grooteren groei vast dan de gemiddelde toename per week, over lange jaren vastgesteld, bedroeg. 43 kinderen van 3—6 maanden werden gevoed met koemelk, waaraan werd toegevoegd 62.5 gram glucose per liter. Deze kinderen hadden een gewichtstoename, die het bovengenoemde gemiddelde met 98—130 gram per week overschreed. Dit moge genoeg zijn om te kunnen concludeeren, dat glucose ook voor moederdl eren van groote waarde moet zijn. Ik heb een heel jaar gelegenheid gehad de werking der Protenose na te gaan op veulens, jonge paarden, jonge runderen, en heb menigmaal verbaasd- gestaan over de werking van dit voedermiddel. Ik herinner mij een frappant geval op den stal der familie Aernoudts te Sluis. Een 15-jarige merrie, die nimmer voldoende melk had voor haar veulen, kwam door 2 kg. Protenose per dag volledig inde melk. Nog dezer dagen trof Ik bij den heer J. Koert in Sommelsdijk een merrie, 6 jaar oud, die feitelijk nog nimmer melk had gegeven, al had zij 2 veulens gehad. Door 2 kg. Protenose per dag was zij thans bij haar derde veulen volledig inde melk. Gevallen, waarbij het veulen zich niet, of zeer weinig ontwikkelde, werden door toedienen van Protenose aan de moeder in vele gevallen spoedig en geheel tot tevredenheid van den fokker opgelost. Paarden, die, jong inde wel, geen voldoenden groei vertoonden, ondanks bljvoedering van haver, kwamen bij 2 kg. Protenose per dag in korten tijd volledig Inden groei en toonden een ontwikkeling, waarover men niet kon nalaten zijn verwondering uitte spreken. De glucose ondersteunt de eiwitten, en samen veroorzaken zij een ontwikkeling, die ver uitgaat boven de berekende voederwaarde. Trouwens, welk cijfer zal men aannemen voor de zetmeelwaarde van glucose'? We kunnen zeggen, dat glucose reeds verteerd zetmeel is. Vandaar geen gewichtsverlies, geen of zoo goed als geen energieverlies meer. Het ware goed langs ernstig wetenschappelljken weg de werkelijke zetmeelwaarde van glucose te bepalen; tot nu toe hebben we daarover inde litteratuur weinig of niets gevonden. Men zou dan in staat zijn een berekening te maken van de waarde der Protenose als paardenvoer. Over het algemeen Is over de voeding onzer paarden veel minder bekend, dan over de voeding -van. onz» andere landj bouwdleren. Eén ding staat vast, en heeft Kellner ons reeds jaren geleden geleerd: „hoe meer ruwvezel het voeder bevat, des te minder arbeid kan verricht worden, en des temeer voeder is voor het levensonderhoud noodlg, en omgekeerd. Bevatte het voer veel ruwvezel, dan werd minder kracht geproduceerd en bleek meer voeder voor onderhoud van het lichaam noodig te zijn.” Bij een berekening van de waarde der Protenose voor arbeldspaarden zou men ook in rekening moeten brengen de geringe hoeveelheid ruwvezel, die er in voorkomt, vooral als men gaat vergelijken met haver. Haver bevat aan ruwvezel 10.3%, Protenose slechts 2.2%. Haver dus rond 5 maal zooveel Wij kennen landbouwers, die bij intensieven arbeid zelfs tot 15 hg. haver per dag aan hun paarden voederen. Op grond van den regel van Kellner, boven aangehaald, kan men zeggen, dat de werkelijke waarde van haver afneemt bij verhooging van do hoeveelheid. Wij kennen niet de juiste grens, waarboven de afname begint, maarde praktijk heeft steeds aangetoond, dat een overdreven havervoederlng nimmer het gewenschte resultaat oplevert. Anders staat het met de Protenose. Daarmede kan men een massa werkelijke voedingsstoffen toedienen, zonder het ruwvezelgehalte onrustbarend te verhoogen. Het zeer goed verteerbare eiwit, zelfs tot 99% en de glucose geven een energie en een opbouwmateriaal, dat dooreen hoog gehalte aan ruwvezel niet wordt gedeprimeerd, en tot volle uitnutting kan geraken. De phosphorzure kalk, in verhouding van 1; 2, ïs geheel in overeenstemming met de gewenschte resultaten, door verschillende onderzoekers verkregen, terwijl de levertraan zorgt voor de noodige vitaminen en wel voor het groelvitamine A en voor het vitamine D, ter regeling van den kalk- en fosforusafzet. Ik heb de Protenose gedurende een geheel Jaar leeren kennen als een voeder voor zoogende dieren, voor Jonge dieren, voor groeiende dieren, voor werkpaarden, terwijl voor melkvee de Protenose ook zijn gunstige werking op vele boerderijen heeft gedemonstreerd. Ik acht Protenose daarom een belangrijke aanwinst voor het landbouw- en veeteeltbedrijf. Axel. F. C. ZONNEVIJLLE. De Pers en de Landbouw Stat uw eigen blad! (Wij knippen uit het Vlaamsche Landbouwblad: De Koornbloem:) In één enkel opzicht komen al onze politieke bladen tamelijk goed overeen, namelijk inde geringe plaatsruimte, welke zij besteden aan den landbouw en aan de kwesties, welke daarmede verband houden. Politiek en sport vormen gewoonlijk d© hoofdschotels, twee zaken, die het verstandelijk peil van ons volk zeker niet al te hoog opdrijven. Verkeersongevallen,

diefstallen en misdaden nemen ook eei belangrijke plaatsruimte in. Filmstarrei en halfnaakte schoonheidskoninginnen worden niet vergeten. Als toemaat wijd' men ook eens een artikel aan de sociale kwesties, aan wetenschap en nijverheid De landbouw, de levensader van hel menschelijk beslaan, kan het gewoonlijl stellen met een „hoekje”, een „stand dei gewassen” of een „werken inden tuin” Een vaste landbouwrubriek, met een degelijk© studie overeen Oif ander actueel onderwerp, treft men er zelden aan. Men mag gerust zeggen, dat de democratische pers in het algemeen ons niet genegen is en dat de bladen der staatspartijen zich bitter weinig om onze belangen bekommeren. Alleen bij het naderen der verkiezingen zijn zij het er over eens, dat er voor de boeren ook iets moet gedaan worden. Spijtig genoeg blijft het dan gewoonlijk bij ©en paar mooie beloften. Zekere pers staat niet enkel onverschillig, maar zelfs vijandig tegenover ons. De landbouwers hebben in België geen goede pers; het goedkoop leven zou alleen op hun rug moeten verwezenlijkt worden. De meeste bladen geven ook blijk van grove onkunde inzake landbouwpolitiek: waar de beschermingsmaatregelen alle goedkeuring weglragen, wanneer het de nijverheid betreft, worden zij stelselmatig bekampt als zij dienen moeten om den geteisterden landbouw eenigszins op te beuren. Landbouwers, de pers is een machtig wapen, een wapen, dat in België dikwijls tegen ons gericht wordt en ons soms veel nadeel toebrengt. Daarom moeten wij ons teweer stellen: steunen en verspreiden wij ons eigen blad, dat strijdt voor onze eigen belangen. lets doen voor de Koornbloem, is iets doen voor den boerenstand. (Precies als bij ons nietwaar? En daarom: lets doen voor Landbouw en Maatschappij, is iets doen voor den boerenstandl Red.vL. en M.) Cumulatie van Lasten. 2. Toen de sociale lasten op het bedrijf werden gelegd, heeft men geen of voldoende rekening gehouden met de draagkracht van hen, dl© ze moesten opbrengen, toen de finandëele verhouding tusschen Rijk en Gemeenten werd geregeld, toen de opcenten der Grondbelasting verhoogd werden, toen de opcenten op de „Personeel©” fantastische hoogten gingen bereiken, toen de bed rijfsboer van zijn verlies meer aan den fiscus mocht offeren vla het altaar der vaste lasten, dan een ambtenaar met fSOOO inkomen, toen de Vermogensbelasting door het toenemende aankoopen van landbezit door N.V.’s voor geldbelegging vanwege „de veiligheid”, steeds minder ging weerspiegelen cte gebruikswaardie, toen hebben wij tegen dezen gang van zaken die in eerste instantie zich voor den hypotheekboer catastrophaal ontwikkeld heeft, geen gedegen, omvattend protest gehoord. Misschien was het weer de politiek die een objectieve beoordeeling van het onderhavige in dien weg stond? In ieder geval, vraagstukken uit het bovenstaande voortvloeiend, zijn springlevend en daarom urgent! ’t Is duidelijk, met al deze belastingen heeft de boerenstand te maken, maar hun wezen, uitwerking en aard zijn zoo verschillend, benevens hun druk, dat ze apart moeten worden behandeld om een behoorlijke conclusie te kunnen trekken. Voor de overzichtelijkheid Is inperking geboden, zonder ’t essentieel® te schaden. Laten wij pogen iets dieper te peilen! Do oudste is die grondbelasting, de jongste zijnde sociale lasten, da anderen van middelbaren leeftijd. Geven wijden jongeling de primeur! Wanneer wij even stilstaan bij „sociaal” In verband met de sociale lasten, dan zou men ook maatschappelijk kunnen zeggen. Het gaat er immers om, de maatschappelijke verhoudingen tusschen de verschillende bevolkingsgroepen te vernieuwen, te veranderen, te verbeteren. Meer veiligheid voor da toekomst der arbeiders scheppen! Wij willen op het doel niets afdingen en vinden het mits men de economische mogelijkheid in ’t oog houdt volmaakt In orde. Alles hebben we echter aan te merken op het middel en zijn toepassing. Twee stroomingen zien wij in onze belastingtheorie fel tegenover elkaar staan. De socialistische, die belastóngen wil aanwenden om maatschappelijk oorrigeerend en nivelleerend op te treden. De laat ik ze „burgerlijke opvatting” noemen —, die meent dat hiervoor zeer zeker belastingen niet zijn geëigend. Geven wij even het woord aan Dr. Wibaut, voorstander van het eerste Idee, dat de „onafwijsbare maatschappelijke behoeften” die door velen niet uit hun eigen inikomsten kunnen worden betaald, via de belastingen «foor de overheid moeten worden bekostigd!” Het is logisch dat andere socialistische theoretici, zooals Wagner hem gezelschap houden. Het is niemand minder dan Prof. Bordewijk die opmerkt dat een dergellfke gedachtengang het geheele belastingvraagstuk tot den bodem vertroebelt. Immers in het aangezicht van haar historische wording en innerlijk wezen, zijnde belastingen volkomen ongeschikt voor bovenstaand doel, hetwelk dan bij uitstek vlottend zal zijn via ’t wisselend politiek inzicht van den dag. Wij kiezen partij en onderschrijven de meening, die in het socialistische kamp heersdht, zonder de tegenargumenten te onderschei tien, Het Is niet duidelijk, vermits practisch mogelijk, waarom de belastingen niet mogen worden gebruikt om misstanden te corrigeeren, verbeteringen te scheppen. En die historische wording met fiscale misbaksels als tienden, verponding, grondbelasting, daar behoeft men toch waarlijk geen afgod van te maken! Neen, de sociale verzekeringen zijn uit sociaal oogpunt wel passend in 't kader van onzen tijd, maar in strijd met de rechtvaardigheid Is het, ze te verhalen op hen, die ten onder gaan.

i In hun doelstelling zijn ze zeigenrijk, maar i gezien in het eenzijdig licht van de toepassing en uitvoering on sociaal, in dezen onrechtvaardig. , De theorie liever de grondslag, waarop ze zijn gebaseerd n.I. de verplichte zorg van den economisch sterkere voor den economisch zwakkere, is helaas voor de volle 100 pet. theorie. Het is niet noodig de dorre artikelen uitéén te rafelen. Het is voldoende te weten dat hun instandhouding op de tegenwoordige manier ónmogelijk is. Het is toch. duidelijk dat alle lasten betaald moeten worden uit de productenprijzen en dat men in dep landbouw vanwege ’t afwenteöngssysteem tevens een gedeelte voor de industrie moet op», brengen. Er is immers geen andere weg. Was in. 1930 bij ’t in werking treden der Ziektewet, onderstaand staatje bekend? 1921 1930 tarwe 17.58 8.45, rogge 17.73 5.50, w. gerst 15.32 6.27 z. gerst 15.79 6.04, haver 12.55 8.56, alles per 100 kg. In guldens. Men ging immers de Ziektewet In 1930 op bezwijkende schouders leggen. Graag maakt een ieder de woorden van Minister Verschuur tot de zijne, n 1. dat het verband tusselien Recht en Zedelijkheid gehandhaafd moet blijven, en daarom voor de arbeiders gezorgd moet worden als zij zelf daarvoor niet meer in staat zijn. Maarde mogelijkheid ervan moet onder oogen gezien worden! Het is bij den boerenstand geen kwestie van omwil, maar als het bij velen hunner gaat om het: „to be or not to be”, dan kan zulk een last met den besten wil van de wereld niet gedragen worden! Dan moet er naar gestreefd worden om onze sociale voorzieningen op een anderen leest t© schoeien. Dan kan hef niet in overeenstemming zijn met Recht en Zedelijkheid, dat zulk een last betaald wordt met ontslag van arbeiders in tijden van verschrikkelijke werkloosheid, met verwaarloozing van onzen cultuurgrond, met den ondergang van de spil van het economisch leven ten platteland©. Een rechtsgrond voor het leggen van den last op de landbouwbedrijven is onvindbaar, tenzij men in „gemak” zooiets wil zien. ’tls een buitengewoon gemakkelijk belas-! tingsobject, loopt niet weg, kan niet verduisterd worden, kortom is in zooverre nog te pre-\ fereeren boven het oud-Romeinsohe hoofdgeld,; Te bejammeren voor onzen wetgever is het dat achter ieder bedrijf nog altijd zooiets als een persoon, in dezen dan boer, staat. Want1 met de intrede van dien persoon,, komen alle persoonlijke omstan-j digheden in ’t geding. En niemand zal toch ontkennen dat in dezen tijd hij in ’t. centrum van de belangstelling staat. De Kamer, zag alleen het goede doei, de opheffing, de zekerstelling van den loonarbeider, De andere kant van de medaille bleef voor haar in het duister gehuld. En wat wil nu het noodlot? Dat natuurlijk juist degene, die socialen bijstand het noodigst heelt, het zwaarst wordt getroffen. Wordt met da druk, wannee* men zonder meer een bedrijfsbelasting gaal invoeren, juist op den hypotheekboer, bet zwaarst? En ligt er niet iets onrecixt*v«-aiviiig'S in dat, des te zwaarder hij er „zit”, des te zwaarder de druk is? Wij weten immers dat hoofdzakelijk dé druk komt te liggen op het eindproduct bij den boer, omdat hij niet inf staat Is hem af te wentelen en hij tevens mag betalen de lasten, verdisconteerd In indéstriëele en andere benoodigdhedten voor zoover del producenten, door trustvorming, bonden, monopolie, of hoe dian ook, het in dé macht hebben ze af te wentelen. Hoe groot zijn die las-- ten, gelegd op een gemiddeld akkerbouw bedrijf? Volgens een berekening In „Da Veldbode” van 14 Mei 1934, zou men mét f450 niet aan den hoogen kant zijn. Daar is een specifieke berekening opgezet, uitgaande van de gemiddelde grootte vaneen bedrijf in die voornaamste akkerbouwstreken. Laten wij, omdat de loonen sedertdien zijn gedaald, ©en behoorlijk eind te laag schatten, nJ. f3OO. Stel verkoopwaarde boerderij op f60.000, hypotheek f 45.000. Dan bezit de hypotheekboer f 15.000. Bij de „joyeuse entrée” onzer sociale lasten wordt geconflsceerd f3OO a 4 pet. is gekapitaliseerd f7500. Dus men ontneemt dezen armoedzaaier, vanwege de sociale rechtvaardigheid de helft van zijn bezit, en vanwege diezelfde sociale rechtvaardigheid mogen boeren, die al ploeterend ten onder gaan, betalen voor de economiscfa-sterkeren in stroooartonfabrieken, zuivelindustrie, enz. tot een salaris van f 30001 (ik denk aan de Ziektewet). Wie zijn hart heeft verpand aan rechtvaardigheid op fiscaal gebied, ziet duidelijk de ruïneuze gevolgen van ©en dergelijfee heffing, die als maatstaf „bedrijf” heeft en ’t belangrijkste wezen op aarde „de mensch” passeert, die ziet hetgeen aan den eenen kamt wordt opgedouwd, direct weer af te breken aan den anderen kant. Uit naam der sociale Rechtvaardigheid kome de landbouw met eischen op dit gebied. Maar dan geldt voor onzen hypotheekboer het gevleugelde woord: „Zij kunnen niet wachten, geen, dag en geen nacht.” (Wordt vervolgd). J. R. HAAN. Wij zijn het niet met den schrijver eens, dat de hypotheekboeron nadeel hebben van het stijgen der grondprijzen boven de gebruikswaarde. Vermogensbelasting hebben zij niet) of weinig te betalen, terwijl do overwaards er door wordt behouden, zoodat het gewaar voor executie vermindert en bij executie de\ boer niet geheel wordt uitgekieed. Aan het koopen van land door N.V. zijn verschil lende kanten. Ais dit leidt tot het komen van bet grondbezit Inde handen van een beperkt aantal rijke menseben, hebben wij er bezwaar tegen. Mocht langs dezen weg eeni groot deel van het volk door het bezit vani een of twee aandealen è f 1000 in dergelijko N.V.’s belang krijgen bij de exploitatie van den bodem, zoo zou dit voor den landbouw wel' eens gunstige gevolgen kunnen hebben. Men zou den landbouw beter begrijpen. Overigens staan wij geheel op bet standpunt van den schrijver, dat de sociale lasten niet moeten komen ten last© van de bedrijven, maar van de publieke kas, mits deze gevuld wordt door belastingen naar draagkracht. De schrijver wijst er terecht op, dat elke verhooging van soda!© en andere vaste lasten neerkomt op een heffing üi eens, die vooral! voor de hyp otheekb oer en ondrageüjk is.