is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, 21-03-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—2l Maart 1935- 3e jaargang. LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No 33. Tweede Blad.

De Rede van Minister Steenberghe EN ONS WEDERWOORD.

Het is uiteraard vrijwel ónmogelijk de geheele rede, welke de minister van Economische Zaken inde Tweede Kamer heeft gehouden, in ons blad op te nemen. We volstaan daarom, na hetgeen we in ons vorig nummer reeds opmerkten, met het aanbalen van de passages uit deze rede, welke ons bijzonder interesse eren, terwijl wij onze opmerkingen daartusschen zullen verwerken. Voor wij daartoe overgaan willen we nog ntededeelen, dat de tijd ons niet toelaat thans reeds geheel en al de cijfers, welke de minister t.a.v. ons systeem gaf, uitte pluizen. We komen daarop nader terug. De minister maakt een berekening dat ons systeem een tekort oplevert van 30 mill. gld. en verbindt daaraan de conclusie dat de boerenstand er niet door wordt gebaat, terwijl de consument meer betaalt. ledereen begrijpt dat in deze rediemeering een fout moet zitten, tenzij men aanneemt dat de uitvoering van ons systeem meer dan 30 mill- gld. duurder zal zijn dan het huidige. Hit laatste zal natuurlijk niemand durven beweren. Integendeel handhaven wij ons standpunt dat ons systeem veel eenvoudiger en minder kostbaar is. Intusschen is door den minister bij diie redeneering een onbegrijpelijke fout gemaakt. Hij ziet n.l. twee dingen voorbij. Inde eerste plaats dat de rundveehouder bij ons systeem Voor zijn melk 6 cent per k.g. ontvangt. Dat <s als men het duurdere voer mede in rekening brengt, ongeveer IV» cent per k.g. meer dan tegenwoordig. Nemen wij een melkproductie aan van 4V» miltiard k.g., dan wordt dat een voordeel van 67.5 mill, gld. Dus als Wijde melkveehouders bet door den minister gerekende tekort van f3O mill. lieten betalen, nebben ze nog een voordeel van f37Va mill. We willen hier thans niet verder op ingaan, maar zullen nu de rede van Z.E. volgen. Na beantwoording van enkele kleinere punten, welke buiten het algemeen verband violen, &ing Z.E. aldus verder: „Ik zou inde eerste plaats willen spreken over de noodzakelijkheid van den I steun aan den landbouw in het algemeen, I inde tweede plaats over de kwestie I van de vaste lasten, inde derde plaats I over het stelsel-Lan db ou w en Maat-j s c'happ ij, vervolgens over het overleg I met de organisaties en de centralisatie van I ■ de crisisdiensten, de verhouding van de I coöperaties en den handel, den midden-1 «tand, de distributiekosten, het probleem I van de kleine boeren, de positie van de I arbeiders en de aanpassing in dit op-1 zicht in het algemeen, om tenslotte ook de ingediende moties te bespreken. j Wat de noodzakelijkheid van den steun 1 aan den landbouw betreft, zou ik gaarne, I om ten overvloede legendenvorming tegen I te gaan, wel willen verklaren, dat de Regeering nog geheel staat op het stand-1 punt, dat de landbouwsteun absoluut noodzakelijk is. De Regeering is hiervan ten volste over-1 tuigd en ik stel er prijs op, dat hier nog I eens te herhalen. De groote waarde van gezonden boerenstand Ik ben het eens met de verschillende geachte afgevaardigden, die zeer in het I bijzonder gewezen hebben op de groote I Waarde vaneen gezonden boerenstand. I Inderdaad is het van groote nationale beteekenis ,dat wij een goeden boerenstand I in het leven kunnen houden. Ik ben het I ook eens met diegenen, die zeggen, dat I wdj beter doen met niet te spreken van I landbouwsteun, maar, zooals de geachte (, afgevaardigde de heer Westarman gezegd heeft, vaneen prijsregeling ten opzichte I van den landbouw. Ik geloof inderdaad, I dat dit een betere uitdrukking is. Dat neemt I niet weg, gelijk met zooveel termen, die I Wij in deze gewijzigde omstandigheden J gebruiken, het geval is, dat het buitengewoon moeilijk is om een dergelijke uit-1 drukking weg te werken, maar ik wil wel I verklaren, dat, wanneer ik verder in mijn betoog spreek van landbouwsteun, ik nietl bedoel een steun inde denigreerende be-| teekenis, zooals die in tal van gevalleü I bedoeld wordt, maar dat ik het woord ge-1 bruik inde beteekenis vaneen prijsrege- { lende werking, die absoluut noodig is voor I den landbouw. I Er is getracht, zooals ook elders ge-1 beurd is, om de Regeering een inconse-| quentie te verwijten ten opzichte van de prijsregelingen inden landbouw en de I aanpassingspolitiek in het algemeen. Voor-1 op moet blijven staan, dat net een groot nationaal belang is, dat wij overeen boe-1 renstand kunnen blijven beschikken, ter-l wijl eveneens een groot nationaal belang I te, dat wij onzen vaderlanrischen bodem, I een van de weinige goederen, waarvan wij I zeker weten, dat wij ze bezitten en dat wij ze tot waarde kunnen brengen, ook I blijven bewerken. Maar wanneer wij dit door prijsregelende maatregelen, in welken vorm dan ook, mogelijlk maken, dan I beteekent dat absoluut niet, dat dit in strijd komt met de aanpassingspolitiek. Ik I neb reeds enkele malen de gelegenheid I igehad om aan te geven, dat aanpassing 1 noch op het gebied van de loonen, ooch I het gebied van de prijzen beteekent, °at wij moeten trachten te gaan naar het I ‘aagst mogelijke peil. Neen, mijnheer de voorzitter, aanpassing beteekent inden gedachtengang van de Regeering een her-1 stel van de gestoorde prijsverhoudingen, I zoowel wat betreft het prijspeil als wat | etreft de loonen. Wanneer wij vaneen I gestoord prijspeil zouden moeten spre-l

ken, dan is dat wel inde eerste plaats bij den landbouw het geval. Ik zou toch ook in dit opzicht nog wel de speciale aandacht er op willen vestigen, dat het prijspeil, dat zonder den landbouwsteun in Nederland voor de meeste landbouw-, tuinbouw- en andere arti’ kelen zou bestaan, in geen enkel opzicht „een prijspeil” genoemd zou kunnen worden. Ik meen, dat o.a. ook de geacht© afgevaardigde de heer Van Voorst tot Voorst er op gewezen heeft, dat tenslotte eigenlijk nergens tegen de prijzen, die men zou willen noemen „wereldmarktprijzen”, loonend kan worden verbouwd, zelfs niet in die landen, waar men werkt met de laagste productiekosten, waar men heeft de meest extensieve cultuur, het beste klimaat en den meest vruchtbaren bodem. Wanneer wij, hetgeen van sommige zijden gevraagd wordt, de prijsbeweging inden landbouw den vrijen loop zouden laten, dan beteekent dit, dat wij een gedeelte van ons productie-apparaat niet alleen, maar ook van de bevolking, zouden prijsgeven aan een toestand, die nergens op de wereld bestaat. Daarom is het de vaste overtuiging, dat die landbouwregelingen noodzakelijk zullen blijven. Beteekent dit nu, dat in ieder geval maarde steun of de verschillende uitkeeringen, die moeten plaats hebben, verhoogd kunnen worden? Geenszins. Ik mag hier wel wijzen op het feit, dat, waarop inderdaad de heer Van Poll te recht heeft gewezen, dat de cijfers, die hier verschillende malen in het debat zijn gebracht, van 80 pet. voor de landbouwproducten en 140 pet. voor de andere producten volkomen onvergelijkbaar zijn, omdat 80 slaat pp de groothandelsprijzen van de landbouwproducten en 140 op de kosten van het levensonderhoud. Dat neemt niet weg, dat zeker niet de landbouwproducten op het oogenblik de prijspeilaanpassing tegengaan. Wanneer wijde kosten van levensonderhoud zien, dan is het heel duidelijk, dat de levensmiddelen inde verhouding tot vroegere jaren nog behooren tot de zeer goedkoop© goederen. Dat is iets, wat natuurlijk nog met meerdere artikelen het geval is. Er zijn ook tal van indu&trieele producten, waarbij men, waaneer men de groothandelsprijzen vergelijkt met de prijzen van vóór den oorlog, inderdaad zou komen beneden de 100 pet. van vóór den oorlog.” Hier is Z.E. in verkeerd vaarwater aange and. De cijfers 80 en 140 zijn wel degelijk met elkaar te vergelijken op de wijze waarop verschiiien(je afgevaardigden ze naar voren brachten en zooals wij er in ons blad onophoudelijk de aandacht op hebben gevestigd. Wij vergelijken niet, zooals wij reeds eerder opmerkten, de groothandelsprijzen der landbouwproducten met de kosten van het levensonderhoud, maarden loop der bedoelde grootnanaelsprijzen met den loop der kosten van net levensonderhoud. En deze loop had gelijk moeten zijn, indien de vroegere verhouding tussehen de belooming van landbouwarbeid en die van den arbeid der andere bevolkingsf groepen bewaard was gebleven. Wij stellen ons voor hierop nog nader terug te komen. , e mjfers 80—140—175 illustreeren slechts veroudingen, welke ieder, die zien wil, te platenlande kan waarnemen. In niet-landbouwende rmgen tracht men echter uit eigen- en groepsbelang voor de waarheid de oogen te sluiten en door allerlei verkeerde voorstellingen en drogredenen zich zelf en anderen wijs te ma*en> dat die cijfers den toestand niet juist weer geven. En het wil ons voorkomen, dat de minister hiervan de dupe is geworden. Laten wij hopen, dat hem spoedig de oogen opengaan. He minister vervolgde hierna: „Wat de opmerking betreft inde Memorie van Antwoord over de offers, waarop hier eenige critiek is uitgeoefend, die de boerenbevolking zou moeten brengen bi{ het verdere verloop van aanpassing, stel ik er prijs cp, zooals ik ook inde 'Eerste Kamer gedaan heb, stel ik er prijs °P> zooals ik ook inde Eerste Kamer gedaan heb, duidelijk aan te geven, dat men daaraan geen verkeerden uitleg moet geven. De bedoeling hiervan is niet geweest, om uitte drukken dat de toestand van de boerenbevolking in Nederland zoo was, dat die het eerst geroepen zou zijn op het oogenblik offers te brengen. Ik heb alleen dit gezegd; wij moeten waken tegen een ander uiterste, en dat zou dit Zlfn, dat, wanneer wij een verderen, blijkenden en belangrijken teruggang zouden krijgen en er ©en verdere verlaging over de geheele lijn zou moeten plaats hebben, dain, niet alleen de boeren een uitzonderingspositie zouden mogen gaan bekleeden. Ik ben er ook van overtuigd, evenals alle geachte afgevaardigden, die gesproken hebben, dat de toestand inden landbouw, met uitzondering van den akkerbouw, beusoh niet rooskleurig is. Ik ben ook volkomen bereid om alles wat verbetering kan brengen, toe te passen, maar aan den anderen kant moet ik ook voorzichtig zijn, daar ik, wanneer ik bij een verdere verarming van de bevolking niet dat steunpeil naar beneden zou kunnen brengen, de geheele landbcuwsteunregeling in gevaar zou brengen, omdat het dan inderdaad niet meer zou zijn te betalen. Ik geloof, dat dit een van de grootste gevaren is, die onze boerenbevolking bedreigt, dat men door overdrijving zou komen tot toestanden, ook ten opzichte van de rest van de bevolking, die inderdaad zouden leiden tot

INGEZONDEN MEDEDEELING. Voor Huishoud- \ Land- s benoodigdlieden en Tuinbouw- ) naar H. F. KOSTER, Ijzerhandel WILDERVANK. Depót Butagas een afbraak van den landbouwsteun, db zeker niet door de Regeering worden ge wenscht. Wat de verlaging van de riehtprijzei betreft, die hierbij ook naar voren zijt gebracht, wil ik er wel op wijzen, dat d< enkele verlaging, die heeft plaats gehac inden loop van dit jaar, is geschied m een grondige studie, welke ik heb later maken en ook zelf gemaakt heb. Ik was daarna overtuigd, dat die verlaging op dai oogenblik juist was, dus niet zooals tal var geachte afgevaardigden hebben naar voren gebracht, alsof het ©en zekere wellust was van mij, oim de richtprijzen te verlagen. Is er ©en heffing dat zijn dus de inkomsten van het landbouwcrisisfonds verlaagd, nadat de richtprijs van de tarwe en van de peulvruchten verlaagd is? Is dus, waar men critiek op heeft, op den rug van deze akkerbouwbedrijven iets gebeurd ten opzichte van andere groepen van de bevolking? Neen, Mijnheer de Voorzitter, deze verlaging js noodzakelijk geweest, opdat voor het totaal van de boerenbelangen de noodige voorziening zou kunnen blijven plaats hebben. Dit is niet gepaard gegaan met een vermindering van de heffingen ingevolge het Landbouw'- erisisfonds.” Hier heeft de minister juist de spijker op den kop geslagen. De toeslagen op verschillende gewassen moesten worden verlaagd, omdat anders het huidige systeem niet rond kan loopen. Niettegenstaande deze maatregel zal blijken, dat het nog niet rondloopt. „Ik geloof, dat het zeer verkeerd is tal van geachte afgevaardigden, o.a. de heer Van den Heuvel, hebben daar ook al op gewezen 0m jg boeren op alle mogelijke manieren wijs te maken, aldus de minister, dat de Regeering niet wil, maar dat het best anders kan, daar men op deze manier een mentaliteit en ontevredenheid kweekt, die ten slotte geen enkel resultaat kan opleveren, en dat is het ergste wat wij onze boerenbevolking kunnen aandoen.” We willen hier weinig van zeggen. Slechts merken wij op, dat de Regeering, gezien o.m. de houding t.o.v. onze beweging, aan dergelijke gedachten zelf niet van schuld is vrij te pleiten. „Ik ben het geheel eens met wat mijn ambtsvoorganger indertijd gezegd heeft; de belangen van de boeren zal de Regeering niet opofferen aan de crisiswinsten van de con,sumenten..-Uai standpunt neemt de Regeering en ook ik in het bijzonder n°g in, maar dan moet men de menschen ook niet wijs maken, dat, als de Regeering maar zou willen, er zoo’n regeling zou kunnen komen, dat het boerenbedrijf looiend zou zijn in dezen Zin, dat er bedragen zouden kunnen worden overgelegd van de opbrengst van het oogenblik. Dat is nergens het geval. Ik durf gerust te zeggen, dat is met’ geen enkel bedrijf in Nederland het geval, behalve dan een enkele uitzondering. Deze enkele uitzondering doet zich ook bij deze categorie voor”. De boeren willen niet beter behandeld worden dan andere Nederlanders en zijn zeker tevreden, indien hun diensten op dezelfde wijze beloond worden als die van de andere bevolkingsgroepen. „Ik ontveins mij niet, dat het ook na deze verklaringen heel goed mogelijk is, wanneer ik op een bepaald oogenblik wenschen niet zal kunnen inwiffligein, die men gaarne ingewilligd zou zien, of wanneer ik maatregelen zou moeten nemen, die men niet gaarne genomen zag, dat men mij als oud-industrieel zal verwijten, dat ik niet voldoende vriendschap, niet voldoende sympathie, niet voldoende belangstelling voor de boeren heb. Daartegen zal Ik mij natuurlijk niet kunnen verdedigen. Ik wil alleen als eerlijk man verklaren, dat ik, wat ik zal kunnen doen voor de ook zal doen, maar alles bezien in het kader van het algemeen belang en dat ik de verantwoordelijkheid heb te dragen voor de behartiging van de economische belangen van geheel Nederland, maar dat ik daarbij de belangen van den boerenstand zeker niet zal vergeten.” Wanneer Z.E. de hier geuite woorden in praktijk brengt, kan de boerenstand gerust zijn, aangezien het algemeen belang ontegenzeggelijk eischt een intensieve bearbeiding van°den Nederlandschen bodem, hetgeen niet kan geschieden zonder loonende prijzen der akkerbouw- en veeteeltproducten. Het komt er nu maar op aan den juisten weg te vinden om dit te kunnen bereiken en daarmee komen we op het volgende gedeelte der rede van Z.E., n.I. op de bestrijding van ons stelsel. Na eerst een verklaring te hebben afgelegd over het vraagstuk der vaste lasten, waarvan we het een en ander in ons vorig nummer vermeldden, gaat Z.E. als volgt verder; De minister bespreekt het stelsel van Landbouw en Maatschappij. „Ik zou nu willen overgaan tot de bespreking van het stelsel van Landbouw en Maatschappij, Ik moet bij voorbaat mijn excuus maken, wanneer speciaal dit gedeelvan mijn betoog veel cijfermateriaal zal moeten bevatten, en dus uiteraard vrij droog zal moeten zijn. Maar dan is het dit geval de schuld van de Kamer zelf, die mij, bij monde van meer dan één afgevaardigde heeft gevraagd, toch vooral met cijfermateriaal ten opzichte van het stelsel van Landbouw en Maatschappij te kernen. Ik wil nog een tweede ding vooraf zeggen.

I ■ i Wanneer men zich baseert op de cijfers van Landbouw en Maatschappij, wat naar het mij voorkomt, de meest objectieve beoordeeling waarborgt, dan heb ik reeds nu uit do Kamer gehoord; ja, maar u moet zich niet strak houden aan de f5 per 100 k.g., die Landbouw en Maatschappij aangeeft, maar dan moet men ook denken aan en spreken over bijv. f3 per 100 k.g. Heit zal dan blijken, dat ik mijn berekening opzet naar f 5 per 100 k.g., waarin dan ook zit een zekere steun aan het akkeri verbouwende deel van onze bevolking. ■Maar naarmate men die f5 per 100 k.g. temgbrengt wordt de steun voor het akkerverbouwende deel der bevolking ook geringer, zoodat men er dan niet mee opschiet, want dan zullen tal van andere ''bezwaren naar voren komen.” Helaas kunnen we niet met Z.E, accoord gaan dat ©en bestrijding van ons stelsel het objectiefst kan geschieden door zich te baiseeren op de door ons als voorbeeld aangehaalde cijfers. Reeds in ons vorig nummer hebben we daarop gewezen. Thans willen we nog eens herhalen hetgeen we in ons adres aan Z.E. zoowel als in onze brochure hebben vooropgesteld. De grondgedachte van ons systeem is; het heffen vaneen invoerrecht van voldoende hoogte op granen vetten, veevoeders en andere agrarische producten, alsmede alle andere artikelen, welke met deze agrarische producten in concurrentie zullen treden, teneinde zoodo ende te bewerken, dat de exploitatie van den bodem door dit invoerrecht op zichzelf loonend wordt en de opbrengst wordt besteed om de aanpassing van de bedrijven bij de gewijzigde omstandigheden mogelijk te maken. Hieruit volgt dat door ons nimmer een invoerrecht van gemiddeld f5 per 100 k.g. als vaststaand is aanvaard. Het is best mogelijk dat de productiekosten van tarwe een invoerrecht op dit artikel van f7 vragen. Maar laten weden minister verder aan het woord; „Bij een graanheffing van f5 per 100 k.g. zou die heffing volgens Landbouw en Maatschappij moeten opbrengen 125 millioen per jaar. Die 125 millioen per jaar heeft Landbouw en Maatschappij noodig voor de verschillende restituties en den verderen steun, die nog gegeven zal moeten worden.” De minister spreekt hier, evenals andere bestrijders soms van „graanheffing”. Hem, die onze bovenaangehaalde stelling heeft gelezen, zal gebleken zijn dat er meer dan alleen een heffing op graan wordt gelegd. Bovendien hebben we nergens gezegd of geschreven dat we f 125 mili. noodig hadden, maar wel dat er bij f 5 heffing per 100 kjg. van de producten die wij noemden, f 125 midi, beschikbaar zou komen. „Inde eerste plaats zou ik wel willen naar voren brengen, vervolgde Z. E., dat, naar mijn inzicht, die 125 miJlioen per jaar te hoog geschat zijn bij een heffing van f5 per 100 k.g., wanneer men rekening houdt met den invoer, zooais die op het oogenblik al heeft plaats gehad. Ik maak dus niet gebruik van het argument van verschillende tegenstanders van dit stelsel, dat door dit stelsel de invoer belangrijk minder zou worden, maar ik baseer mij op de huidige invoerverhoudingen. Wanneer ik dan zie, wat er inde laatste jaren is ingevoerd aan granen, meel, bloem van tarwe en rogge, aan veekoeken en dergelijke, dan blijkt, dat van de voornaamste invoerproducten de import in 1933 bedroeg rond 3.189.000 ton en in 1932 3.433.000 ton. Van Januari tot September 1932, toen er nog geen heffing van het graantnonopoiie en nog geen contingenteering van veekoeken was, was de invoer 2.224.000 ton; alles in rond duizend lon. Van Januari tot September 1933, toen er een heffing op granen en een contingenteering van veekoeken plaats vond, was de invoer 1.744.849 ton, dus pijn. 70 pet. van den invoer inden tijd, dat er geen heffing was. Aan de hand van deze cijfers zou, als wijden normalen import stellen op het gemiddelde van 1932—1933 na de heffingen, de import kunnen bedragen 2.300.000 ton, dus berekend op de vermindering, welke op het oogenblik heeft plaats gehad krachtens de heffingen, welke op dit moment plaats hebben. Dat is al meer dan in werkelijkheid die invoer geweest is, want die invoer is in 1934 ruim 100.000 ton lager geweest en die 100.000 ton mogen zeker op rekening worden gesteld van de vermindering van den veestapel. Waar de vermindering van den veestapel nog zal doorgaan, ook in het stelsel van Landbouw en Maatschappij, inbegrepen die van de varkens en d‘e kippen, zal de import over 1934 als gemiddelde van de komende jaren te hoog moeten worden geacht. Zonder scheuren zou reeds met niet meer dan een import van maximaal 2 millioen ton mogen worden gerekend. Ik geloof, dat ik, wat dat betreft, dan volledig aan den veiligen kant ben gebleven voor Landbouw en Maatschappij en kom dan voor deze 2 millioen ton op een inkomsten van 100 millioen gld. Daarnaast moeten nog gerekend worden de peulvruchten, terwijl natuurlijk ook de binnemlandsche veekoekenfabricage niet onbelast zal kunnen blijven. Die productie stel ik op 300,000 ton per jaar en dat

INGEZONDEN MEDEDEELING. ■ Hoeren Rookers! Zoekt U Jets fijns, probeert U dan eens 1 VOSSEIV-RREUERS-SIGAREIV Prijzen vanaf 3 tot en met IS cent ï Beleefd aanbevelend, , J- E- TULLEKEN v/h W. J. TULLEKEN | Langesfraat 20 – Telef. 264 – WINSCHOTEN, i bb—■—■——mmm———.

zou een bate geven van 10 miilioen voor net fonds. In totaal zou dus de opbrengst' der granen, peulvruchten en veekoeken 115 miilioen worden in plaats van 125 miilioen.” Z.E. heeft naar onze meening bij deze becijfering voorbij gezien, dat er in 1933 en 1934 zeer groote oogsten zijn geweest, welke natuurlijk hun invloed hebben gehad op den graaninvoer. Gemiddeld kunnen we aannemen, dat per h.a. de opbrengst aan graan 700 k.g. meer bedroeg dan ineen normaal jaar. Gaan we dat omrekenen over de totaal verbouwde oppervlakte aan graan en ons afvragen, hoeveel de graaninvoer daardoor kleiner werd, da nkomen we toch zeker op een bedrag van flO mill. dat als gevolg daarvan minder in het landbouwcrisisfonds werd ontvangen. ..?vf.nwe* hebben we met bovengenoemden tijdelijken factor geen rekening gehouden bij den opzet onzer inkomstenberekening. Wel echter met de heffingen op oliezaden, eiwitrijke voedermiddelen als diermeel, vischmeel, enz. Naar onze meening worden deze laatste inde berekening van Z.E. over het hoofd gezien. Op grond van den invoer in 1932 en 1933 komt Z.h. op een invoer van 2.300.000 ton. De invoer in 1934 is 100.000 ton lager. Op grond van deze berekening zal dus rekening mogen worden gehouden met een invoer van 2.200.000 ton., Z.E. baseert zijn becijfering echter op een nog verder verminderden invoer en gaal uit van 2.000.000 ton. Het scheelt niet zooveel. Slechts flO mill.! Opgeteld bij de gelden, verkregen dooreen invoerrecht op diverse producten, waarmede Z.E. geen rekening heeft gehouden en rekening houdende met de groote oogsten durven we het invoersaldo bij een gemiddeld invoerrecht van f5 per 100 k.g. nog steeds te handhaven op f 125 mill. „Hoe staat het nu met de uitgaven, die minstens even belangrijk zijn als de inkomsten? Ik moge nog opmerken, dat ik voornoemde berekening baseer op den normalen invoer, zooals die onder dit stelsel op het oogenblik plaats heeft (Waarom er dan bij voorbaat 200.000 ton afgetrokken? t. H.) en ik houd dus geen rekening met het scheuren van land; het zal ook blijken uit mijn verdere redeneering, dat ik daarmee geen rekening moet houden, omdat het volgens mij niet zal plaats hebben; en ik houd ook geen rekening met het feit, dat niet alleen door scheuren, maar ook uit andere oorzaak het areaal zal plaats hebben; (bedoeld zal zijn vermindering van het areaal) ik reken dus met hetzelfde areaal.” Hier springt juist het groote voordeel van ons systeem boven het huidige systeem in het oog. Wij moeten komen tot uitbreiding van den graanbouw teneinde de veehouderij te kunnen beperken. Om uitbreiding van den graanbouw mogelijk te maken, moeten echter de prijzen der granen loonend zijn. Nu kan men bij ons systeem den graanbouw uitbreiden zonder de veehouderij te belasten, terwijl toch de prijzen der granen op peil blijven. We komen ook op dit punt nader terug. Bij het tegenwoordige systeem gaat echter uitbreiding van den graanbouw noodzakelijk gepaard met vermindering van den toeslag op het graan of met nog zwaardere belasting van de veehouderij dan thans reeds plaats heeft. Hiermede vervalt ook de bewering van den minister, dat bij ons systeem de graanbouw minder loonend zou worden. „Wat de uitgaven betreft, die hiervan gefinancierd moeten worden, komen in de eerste plaats in aanmerking de toeslag op de geëxporteerde pootaardappelen, die zeker op 1 miilioen geschat moet worden. Uiteraard zijn dlit natuurlijk schat(ingscijfers, maarde schattingen zijn van dien aard, dat die toch in ieder geval in verband met wat wij in het verleden gehad hebben, verantwoord kunnen worden. Vervolgens krijgen wijden toeslag op het aardappelmeel, waarvoor ten opzichte van den normalen oogst, alleen al bij een jaarJijkschen oogst van 1.200.000 balen en een wereldmarktprijs van f 71/2, een toeslag van 3 miilioen gulden zal noodig zijn. Daarnaast vordert de financiering der oogenbJikkelijke voorraden zeker ook nog 4 miilioen. De peulvruchten zulten zeker noodzakelijk maken een uitgave van 1 miilioen. De toeslag voor de uit-de-marktneming der tuinbouwproducten op de basis der berekening van Landbouw en Maatschappij zal kosten 12 miilioen.” De toeslag op export van pootaardappels kunnen we „onderschrijven”, evenals die op den export van aardappelmeel. Maar niet aanvaarden wijde financiering der oogenblikkelijke voorraden als een nadeel van ons systeem. De voorraden moeten weg, ook bij het huidige systeem. Een uitgave hiervoor is slechts eenmaal noodig! Ons is voorts niet duidelijk hoe Z.E. op de basis van onze berekening bij den tuinbouw komt aan een toeslag van fl2 mill, uit het landbouwcrisisfonds. Wanneer een dergelijke toeslag noodig is we kunnen dat thans nog niet beoordeelen zouden we hierbij willen opmerken, dat op basis van ons systeem er toch zeker nog luttele millioenen aan invoerrechten zouden komen in het landbouwcrisisfonds, welke we zelf bij het invoerrecht van f 125 mill. niet hebben berekend. „De toeslag op de zuivel, die door Landbouw en Maatschappij veel en veel te laag berekend is en waarvoor ik dus ook eenigermale mijn berekening moet