is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, 21-03-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drukken. Spr. verwacht daarvan reuzen resultaten. Hij herinnert zicih nog zoo goed, hoe die schamele vijf gulden per koe, die uitgekeerd werd, wonderen hebben gedaan, en een uiterst gunstige uitwerking op het gemoedsleven van de boeren heeft gehad. Wie bet boerenleven kent, weet maar al te goed, dat een boer geld wil zien. Vervolgens brengt spr. het weinige overleg, dat gepleegd wordt met decentrale landbouworganisaties onder de aandacht van den minister. Waarom, zoo vraagt spr. zich af, niet bij de vaststelling van de prijzen der producten, de kalverbeperking, de vee-afslachting, de baggenmerkverdeeling, om slechts enkele ingrijpende maatregelen te nemen, het advies ingewonnen van decentrale landbouworganisaties, die op haar beurt de provinciale organisaties op korten termijn daarover hadden kunnen kennen? Tenslotte staat spr. stil bij de coöperatieve inkooporganisaties, waarbij hij het verkeerd acht, dat de landbouwcoöperaties naast werktuigen voor het landbouwbedrijf, ook naaimachines, stofzuigers, wasctomachines, rijwielen en keukengereedschappen aan hun leden gaan leveren. De heer EBELS wijst er allereerst op, dat behalve de boeren, ook de landarbeiders en middenstand van de crisisregeling profiteeren, want wanneer de landbouwsteun zou wegvallen, zou tegelijkertijd ook de grondslag voor het bestaan van die groepen wegvallen. Vervolgens baalt spr. de bekende cijfers 80, 140 en 175 aan. Dit alles neemt, aklus spr., intusschen niet weg, dat ook ten aanzien van de agrarische producten moet worden nagegaan, In hoever bet mogelijk is tot een verlaging der prijzen te komen. Daarvoor is natuurlijk noodig, dat men vooraf de vraag beantwoordt, hoe hoog deze prijzen redelijkerwijs behooren te worden gesteld om de instandhouding van het bedrijf te verzekeren. Wat dat betreft, houdt spr. nog altijd vast aan de grondstelling, dat het prijspeil zoodanig moét zijn, dat de noodzakelijke productiekosten kunnen worden gedekt. Dat is hier altijd voorgestaan, ik meen, aMus apr., ook van Regeeringswege en dat lijkt spr. nog altijd Juist toe. Nu spreekt het vanzelf, dat het begrip „noodzakelijke productiekosten” niet aanduidt een vaststaand bedrag, maar een bedrag, dat afhankelijk is van de opbrengsten en de kosten van voortbrenging. Vervolgens komt apr. op de pachtprijzen en dringt bij den minister op een spoedige indiening van de toegezegde ontwerp-Pachtwet aan. Intusschen is de tegenwoordige stand der pachtprijzen, naar spr. opmerkt, niet van dien aard, dat ze in het algemeen voor verlaging in aanmerking kunnen komen en is daarmede de mogelijkheid tot verlaging der vaste Lasten voor de pachtbedrijven niet in bsteekenende mate aanwezig. Tenslotte maakt spr. nog een enkele opmerkingen over het systeem van den steun en in verband daarmede ook over het daartegenover staande systeem, dat door den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij wordt voorgestaan. Wij kunnen, meent spr. zonder ©enige tegenspraak constateeren, dat de resultaten, die bereikt zijn met onze crisisregelingen, voor wat den akkerbouw betreft, bevredigend zijn, maar ten aanzien van alle andere onderdeelein van het bedrijf nog steeds allesbehalve bevredigend zijn. Dat moet natuurlijk aanleiding geven tot critiek en tot het zoeken naar andere stelsels, waarmede dan, naar men verwacht, het doel beter zal worden bereikt. Te dien opzichte verkeeren wij in ©en periode, waarin het nog moeilijk is, den juisten weg aan te wijzen. Het komt hier toch vooral aan i op de positie van de veehouderij en te dien 1 aanzien heeft de Regeering juist inden iaatsten tijd een ingrijpenden nieuwen maatregel getroffen, n.l. betreffende de beperking van I den melksteen, waarvan de uitwerking thans v nog niet is te overzien en waarvan men dus nog veel minder weet of het gewensohte ) doel hiermede inderdaad zal worden bereikt. Er zijn onder de belanghebbenden velen, die twijfelen, ernstige bedenkingen tegen dezen i maatregel hebben en er geen gunstig resultaat van verwachten, maar ik geloof toch, dat de tijd nog niet is gekomen om hierover een gefundeerd oordeel uitte spreken. Ik zou, wat deze maatregelen betreft, een afwachtende houding willen aannemen. Nu is er naast den door de Regeering gekozen opzet voor den landbouwsteun intusschen gekomen een nieuw stelsel, het systeem van Landbouw en Maatechappij. Spr. sluit zich aan bij die leden, die ais hun meening hebben te kennen gegeven, dat de weerlegging van dat stelsel in de Memorie van Antwoord zeer onvolledig is geweest en die hebben aangedrongen op een nader onderzoek ten deze, dat alleen daarom reeds gemotiveerd is, omdat dit stelsel bij een zeer belangrijk deel van de Nederlandsche landbouwers aanhang vindt. De beoordeeling van de redevoeringen van de heeren Schalker en Kersten, laten wij gaarne aan anderen over. De heer VAN DEN HEUVEL vindt het verweer, dat de Regeering voert tegen het stelsel, verdedigd door Landbouw en Maatschappij, niet erg steekhoudend. Spr. betreurt dit, want, zoo zegt hij, als wij moeten voortgaan op den ouden voet, moet wel heel duidelijk het verkeerde worden aangegeven van het door deze organisatie bepleite. Het huidige systeem heeft twee groote bezwaren: 1. het helpt onvoldoende en biedt geen perspectief voor redding van groote groepen onzer plattelandsbevolking; 2. het verstart op ontstellende wijze het economische leven en ontwricht dit anderzijds. Het groote voordeel van het door Landbouw en Maatschappij bepleite stelsel zou zijn, wanneer het mogelijk ware, dat aan de grens vrijwel alle maatregelen te nemen zouden zijn, dat alsdan heel veel voor het binnenland bezwarende maatregelen | zouden kunnen vervallen. Zelfs indlen de i uitkomsten een klein beetje minder waren dan de tegenwoordige, zou spr. er alles voor voelen aan de grens de maatregelen te nemen. Spr. hoopt, dat de Regeering In staat zal zijn niet alleen hierover beschouwingen te geven, maar ook om met cijfers aan te toonen, dat Inderdaad die voorgestelda weg verkeerd is. Zijnerzijds wil spr. zeggen, dat hU op dit oogenblik zeer ernstig twijfelt of de door die vereenlglng bepleite weg ons een betere uitkomst zal brengen, omdat men zich in verschillende dingen, gelooft hy. vergist, met name hierin, dat zoodra het »y-

steem gaat werken, zoodra er nl. in voldoende mate een beperking van weiland komt, en ook beperking van den veestapel, de inkomstenbron van twee zijden tegelijk wordt aangevallen. Indien op dat weiland dan 4000 K.G. graan wordt geteeld, kan dat niet ingevoerd worden; de koe die minder gehouden wordt vermindert nog eens wat ingevoerd wordt met 2000 K.G. Zoodoende wordt 6000 K.G. graan minder Ingevoerd, wat juist de bron vormt, waaruit men alle maatregelen moet financieren. Spr. hoopt, dat de Regeering ons heel duidelijk zal aantoonen, dat de inkomsten, die na een gereduceerden import zullen overblijven, niet in staat zijnde nadeelen uit deze heffingen voor de veehouders, varkenshouders en pluimveehouders te vergoeden tegelijkertijd te financieren de vlascultuur, de griend- en rietcultuur, de tuinbouw en andere takken. De heer SCHILTHUIS schetst eerst den toestand inde kleine bedrijven en wijst dan op het bekende rapport der R’damsche Kamer van Kooph. en Fabr. Na te hebben opgemerkt, dat ook naar haar meening de bodemcultuur voor den ondergang moet worden behoed en dat het gerechtvaardigd is, daartoe een last op te leggen aan de bevolking, wijst die Kamer op het vele, dat intusschen reeds aan dien steun is ten offer gebracht. Zij levert daarover belangwekkende cijfers, aan welker juistheid niet te twijfelen valt, aldus spr. Zij stelde zich daarbij slechts ten doel, een duidelijk overzicht te geven van dat deel van den voor den landbouwsteun aan de gemeenschap opgelegden last, van welks omvang men zich niet algemeen bewust is. Uit die cijfers blijkt, dunkt spr., dat afweging van belangen hier zeer noodig is, wil men niet met het badwater het kind wegwerpen. De heer DROESEN plaatst zich geheel achter de gedachte der verhoogde Monopoliewinsten op granen e.d., zonder zich daarmede te binden aan de verdere uitwerking door Landbouw en Maatschappij er aan gegeven. Er zijn naar spr.’s meening drie groote voordeelen aan verbonden: 10. Door het duurder maken van de veevoederartikelen zal de teelt van groenvoedergewassen, bieten, aardappelen e.d. zeer inde hand worden gewerkt. Daardoor wordt veel meer voedsel uit eigen bodem gewonnen. De opbrengst per H.A. is veel grooter dan van granen en per K.G. Is de productie veel minder verliesgevend. Cultuurtechnisch en landhuishpudkundig werkt dit zeer gunstig doordat het de vruchtwisseling en werkgelegenheid bevordert. 20. De terugdringing van den vee- en varkensstapel naar de bedrijven, waar deze takken niet gemist kunnen worden, zou veel gemakkelijker en natuurlijker verloopen. 30. Veel bezwaarlijke maatregelen als graankleuring, dorschcontröle en waarschijnlijk verschillende teeltregellngen zouden kunnen vervallen of althans veel eenvoudiger worden. Natuurlijk zullen heel wat regelingen noodig blijven; zelfs zou voorloopig wel compensatie noodig zijn voor die bedrijven, die voor een groot deel steunen op aangekocht veevoeder. De bestrijding van het stelsel inde Memorie van Antwoord houdt volgens spr. geen steek. De heer DUYS bepleit een spoedige regeling van het hypotheekwezen. De heer VERVOORN wijst op de weinig doordachte beschouwingen, inde brochures van de Kamers van Koophandel te Rotterdam en Amsterdam, over de hulp aan den landbouw gegeven, want het is Juist andersom dan Inde brochures van die Kamers en inde redevoeringen harer voorzitters wordt gezegd en de handel en scheepvaart in Rotterdam en Amsterdam konden niet bloeien, als ook het achterland, dat afnemer van ingevoerde producten Is, niet welvarend Is. Uit de cijfers blijkt ook, dat de havenbeweging te Amsterdam en Rotterdam door de crisiswetten niet geleden heeft. Nu Is door den bekenden bond Landb. en Maatschappij een verzoek a/d Regeering gericht om over te gaan tot een ander systeem van crisissteun. Spr. zegt, zeer veel voor dit denkbeeld te voelen, omdat het z.i. veel voor heeft op het bestaande stelsel, waarbij de land- en tuinbouwer aan handen en voeten gebonden zijn door de verschillende teeltbeperkingen en alle mogelijke andere regelingen. Men moet dus overgaan tot het Invoeren vaneen zoodanig systeem, dat er meer vrijheid is voor den land- en tuinbouwer om zijn bedrijf naar eigen inzicht te regelen en dat kan, wanneer men Invoert een heffing aan de grens. De minister heeft inde Memorie van Antwoord het systeem van Landbouw en Maatschappij bestreden. AI kan men, zegt spr., met een dergelijk plan niet van a tot z meegaan, de grondgedachte is juist en daar gaat het om. Spr. verzoekt daarom den minister, met allen aandrang, dit systeem nader te bestudeeren, omdat het spr. ook voorkomt, dat dit de voorkeur verdient boven het systeem van dwang, zooais wij dat kennen uit de Landbouw-Crisiswet, met een groot aantal controleurs en een groot aantal ambtenaren, die deze wet moeten helpen uitvoeren. De heer WESTERMAN vraagt, of het systeem, dat Landbouw en Maatschappij voorstaat en door spr. zeer nauwkeurig is bestudeerd, werkelijk zoo verwerpelijk is, als de minister het doet voorkomen. Spr. wil eerlijk erkennen, dat de oplossing van L. en M. hem zeer aannemelijk voorkomt. De apodictische bestrijding van den minister heeft spr. gelezen, doch ze heeft hem niet overtuigd. De minister klampt zich vast aan het bedrag van f 5 per 100 K.G., dat bij wijze van voorbeeld Inde brochure van L. en M. wordt genoemd, maar het ligt toch voor de hand, zegt spr., dat het bedrag van f 5 in het systeem van ondergeschikte beteekenis is. Men kan dat bedrag laten varieeren al naar gelang van het product, dat men wil beschermen. Nog minder duidelijk Is spr. het betoog van den minister, wanneer hij zegt, dat de veehouderij van het systeem niet zal proflteeren en dat al evenmin een inkrimping van de veehouderij zal worden verkregen. Het onmiddellijk gevolg van de hoogere graanprijzen zal toch zijn, dat er op grootere schaal land gescheurd wordt. De omvang van de veehouderij neemt daardoor af, wat aan den geheelen toestand van dit bedrijf automatisch ten goede zal moeten komen. En voor den daarnaast nog altijd

– noodzakelijken steun aan de ingekrompen i veehouderij zal het bedrag van de hooge , graanrechten, ook al loopt dat dooreen i verminderden invoer van granen terug, naar 1 alle waarschijnlijkheid voldoende blijken, t Ineen artikel in „De Boerderij” van 18 ■ Januari 1933 is een berekening opgenomen, t die zeer belangrijk Is en waarvoor spr. de ) aandacht van den minister zou willen vra, gen. De schrijver komt op zeer deugdelijke j gronden tot de conclusie, dat wij, ook als , wij van lederen export van melkproducten ■ en van varkensvleesch afzien, toch nog een ■ hoeveelheid voedergraan te kort komen, get lijk aan die, welke op 416.000 HA. verbouwd i kan worden. Als wij nog verder zouden wili len gaan en ook het Ingevoerde broodgraan I zelf zouden willen verbouwen, dan zou daari voor nog eens 392.500 H.A. noodig zijn. Er Is . dus spr. geeft dit den minister, die zoo i Juist interrumpeerde, volkomen toe in i de verste verte niet aan te denken, dat er in • Nederland zooveel grond gescheurd kan wori den. i Maar dat beteekent dan tegelijkertijd, dat : men ook volstrekt niet zoo bevreesd behoeft ; te zijn, dat de verhoogde Invoerrechten vee! i te weinig zullen opbrengen. De heer VAN KEMPEN: Evenals bij de begrooting van het vorige jaar is ook thans weer inde voor ons liggende begrooting het ; enorme totaalbedrag aan steun te zien, dat . zoo om de 200 millioen schommelt, een bedrag, dat dooreen zeer belangrijk deel van 1 onze Nederiandsche samenleving moet worden opgebracht. Echter, spr. herhaalt, wat hij ook het vorige jaar zeide: de landbouw is een basisbedrijf, de ruggegraat van ons volksleven. Maar er dient nadrukkelijk de . aandacht te worden gevestigd op hetgeen waarmede wij bezig zijn, dit wil zeggen de zg. steunverleening. Wat beteekent dat? Dat beteekent immers, dat het bedrijfsleven in abnormalen toestand verkeert, dat het ziek is, dat het geneesmiddelen noodig heeft. Een gezond organisme heeft geen steun noodig. Dat medicineeren nu moet met overleg gei beuren en zeker moet niet meer van het medicament worden gegeven dan absoluut noodig is. Te veel van het goede voor één lid van het gemeenschapsorganisme gaat, ■ men bedenke dit wel, ook ten koste van alle . leden van de gemeenschap en de Overheid, ■ die thans als „Groot-medicijnman” op-1 treedt, heeft er, meent spr., voor te waken, i dat de grens van het toedienen van de me; dicijn niet worde overschreden. Spr. vestigt hierop vooral de aandacht, omdat steeds van verschillende zijden op de Regeering aandrang wordt uitgeoefend om de steunverleening uitte breiden. Daarvoor wake de Regeering, want die steun kan toch maar niet steeds toenemen, er komt toch ook eens een eind aan de belastingcapaciteit van den consument. Spr. vraagt zich af, of die grens niet reeds is bereikt, ja, wellicht overschreden. De heer LINGBEEK komt op voor de Veluwsche kippenboer. Spr. doet een beroep op den minister om teruggave aan de kippenhouders van de betaalde graanrechten en dat berekend per kip. Nadat de heeren Van Dijken en Loerakker het woord hadden gevoerd, sloot Ds. v.d. HEIDE als 28e spreker de rij. Na eerst te hebben aangedrongen op inschakeling van vroegefe commisslonnairs in de crisisdiensten, kwam spr. er toe iets te zeggen over onze beweging. Men moet wel onderscheid maken tus, schen de algemeene opvatting, die de leider [ van Landbouw en Maatschappij heeft en die hij al jarenlang verkondigd heeft, en zijn crisissysteem. Met die algemeene opvatting van den leider kan spr. niet medegaan en tegen het crisissysteem, zooais Landbouw ’ en Maatschappij dat ontwikkelt, schijnen spr. de argumenten, die inde Memorie van ' Antwoord zijn medegedeeld, wel van beteekenis. Die argumenten hebben op spr. wel indruk gemaakt. Spr. zou het echter zeer op | prijs stellen, en in zooverre herhaalt hij, wat anderen gezegd hebben, wanneer dat mogelijk zou zijn, indien de minister nadere argumenten en cijfers gaf tot staving van zijn standpunt; dan zou spr. die gaarne in ontvangst willen nemen. Maar al kan spr. met het systeem van Landbouw en Maatschappij voorloopig niet medegaan, het komt hem toch voor, dat er waardevolle opmerkingen in het orgaan van Landbouw en Maatschappij worden gemaakt. Wanneer deze gedachte in het orgaan wordt uitgesproken, dat, naarmate onze niet-agrarische export het moeilijker zal krijgen, men meer aangewezen is op de blnnenlandsche markt als afzetgebied en dat dus een breed landbouwfundament afzetgebied kan worden voor de niet-agrarische producten, dan lijkt spr. dat een stelling van Landbouw en Maatschappij, die niet te weerleggen Is. Als die stellng juist is, dan impliceert dat een Intensief gebruik van den bodem. Wanneer men dat Intensief gebruik van den bodem wil hebben, dan kan de steun aan den landbouw niet worden verminderd. De beweging van Landbouw en Maatschappij moet men niet onderschatten. Wanneer er onlangs Ineen vergadering, te Assen gehouden, een 3500 è. 4000 boeren en boertjes kwamen, dan beteekent dit, dat er In deze beweging kracht zit. Waar komt dat vandaan? Inde eerste plaats, en hier sluit spr. zich aan bij hetgeen anderen hebben gezegd en vervalt hij dus wel in herhaling, de positie van vele kleine boeren laat zeer veel te wenschen over, en spr. ondersteunt gaarne de wenschen, die te dezen aanzien door verschillende geachte afgevaardigden naar voren zijn gebracht. Spr. ondersteunt ook met name het verlangen van velen, dat deze menschen niet inde werkverschaffing zullen worden geplaatst, en ook, dat zij niet hun kapitaaltje eerst voor het grootste deel zullen moeten opeten, voordat zij inde werkverschaffing kunnen komen. Het lijkt spr. billijk, dat men dat kapitaaltje niet In rekening brengt, maar wel de rente van dat kapitaaltje. Het lijkt spr. Juist, dat deze menschen niet inde werkverschaffing geplaatst worden, maar zooveel mogelijk op hun eigen bedrijf te werk gesteld worden en dus eenigen steun zullen kunnen krijgen. INGEZONDEN MEDEDEELING. Hoeden, Petten, Dassen, Maai Kleermakerij J. H. ZUIDERSMA Coupeur-Kleermaker – Markt, EMMBN.

Het primaire van den landbouw. In verband met een twistgeschrijf, dat ik had met Mej. Dr. E. C. v. Dorp in „De Vrijheid” over het primaire van den landbouw, ontving Ik van Mr. W. J. L. Van Es te Wassenaar onderstaand artikel ter kennisneming. De heer v. Es had zijn stuk voor „De Vrijheid” geschreven, maar vernam uit dit blad, dat de discussie gesloten was. Mij kwamen de beschouwingen vaal Mr. Van Es zoo belangrijk voor, dat ik hem verzocht, ze in „Landbouw en Maatschappij” te mogen plaatsen, waartoe de schrijver zijn toestemming verleende, zoodat zijn artikel hieronder volgt. Ofschoon de opvattingen van den schrijver komen uit een ander© sfeer dan de onze, komt hij ten aanzien van de verhouding tusschen landbouw en industrie tot dezelfde conclusie als wij, n.l. dat, zooais onzerzijds hephaaldelijk is opgemerkt, elke stedelijke en industrieel© bovenbouw moet rusten op een iandbouwfundament. En dit kan ma. niet genoeg in het oog worden gehouden, hoe men overigens ook over de oplossing der wereldcrisis moge denken. J. SMID. De zienswijze van den heer Van Es. Met verbazing meen Ik uit de artikels van Mej. Dr. v. Dorp op te maken, dat Zij de stelling, dat do landbouw In het economische leven een. primaire beteekenis heeft, niet atken ontkent, maar op dien grond wetenschappelijk© waarde tracht te ontzeggen. Daartoe moet eerst het „signifioum” (de beteekenis) worden vastgesteld. Historisch gesproken was landbouw in elk geval primair, d.w.z. uiteen lamdbouwmaatschappij, waarin de boer zelf fabrikant was, ontsproot de latere arbeidsverdeeling tusschen afzonderlijk beroepen. Bezien wij nu de maatschappij, waarin arbeidsdeeling verwezenlijkt Is, en stellen wij, dat daarin 50 landbouwers en 50 Industrieelen zijn, dat beteekent dit, dat 50 boeren levensmiddelen voortbrengen voor 100 mensohen, ©n 50 industrieelen fabrikaten voor diezelfde menschen. In totaal worden er dus van elk 50 eenheden geruild bij 100 consumptie-eenheden. (Wij laten renteniers, ambtenaren, arbeiders etc. even buiten beschouwing.) Het komt dan fetteMjk hierop neer, dat elke groep eerst voor zichzelf produceert, en dat 1 levensmiddeleneenheid geruild wordt tegen 1 faibrikaatsleenbeid. Laten wij dit den „ruilvoet” noemen. Maar dan valt oogenblikkelijk op, dat de levensmiddelenproductie physioiogisdi gesproken „primair” Is, n.l. dat het leven van 100 personen van die productie afhangt, terwijl voor het overige alleen de .„luxe” des levens van de industrie afhangt. Men moet er zich wel rekenschap van geven, dat juist deze erge depressie heeft doen zien, dat de agrarische bevolking, die Inde wereldeconomie nog steeds de grootste plaats inneemt, door verslechtering van ruilvoet, ertoe kwam, om bijv. petroleum, gas en eiectrisoh Mcht te vervangen door plantaardige olie, zeil weer ging weven, en dat, waar, bij welvaart, de boer elke vijf jaar een nieuwe zeis of pleeg nam, die hij bij den smid Het repareeren, de depressie ertoe leidde,__ dat hij zelf repareerde en geen nieuwe gereedschappen nam. Maar nog ineen derden zin, Is economisch gesproken, de landbouw primair, tengevolge juist van zijn physiologisch primair karakter. De wereldbehoeft© aan levensmiddelen is „star”. De boer kan dus, als de ruilvoet van 1 op 1 verslechtert tot 2 op 1, nu niet 2 levensmiddelan-eenheden aanbieden voor 1 Industrieel product. Hij kan dus bij zulk een ruilvoet niet meer evenveel industrieel product krijgen, maar alleen de helft. Eigen productievemeerdering, als ,stand” is ónmogelijk. Het resultaat wordt dus maatschappelijk: 50 leveusmiddeieneenheden =25 industr.-eenheden. Maw 25 industrieelen worden werkloos, of 50 industrieelen moeten hun productie tot de helft Inkrimpen. Produotie-inkrimping der industrie, is dan ook een kenmerkend depreasieverschijinsel. Verslechtering van den ruilvoet ten nadeele van den boer, beteekent wer©iddepressi e. Wordt echter de ruilvoet 1 op 2, dat ontstaat er natuurlijk© werlvaart. De industrie kan namelijk wèl een verslechtering van den ruilvoet velen. Ja, inden loop der eeuwen is verbetering van product, of verlaging van zijn ruilvoet, de e enige bestaansreden en de eenige oorzaak van het ontstaan van toenemende industrie, als arbeddsverdeeiing uiteen agrarische maatschappij. Ik laat buiten beschouwing het vraagstuk van vaste lasten etc., die feitelijk zijn veroorzaakt door het optreden van andere standen, als renteniers, ambtenaren, etc. Wij hebben nu met den ruilvoet gewerkt, die ineen maatschappij met geldverkeer, zich

INGEZONDEN MEDEDEELING. VOORJAAR 1935: Onze Yoorjaars-Coilecties zijn gereed. Evenals altijd brengen wij U weer: „HET NIEWSTE” voor uiterst LAGE PRIJZEN. Heeren Modemagazijn JACQ VAN CALKAR Torenstr. 19 – (Tel, 451) – Winschoten Ook voor MAATKLEEDING

omzcit ineen „prijs”, waarbij dan de „vaste” lasten, waaronder de boer als de industrieel leven, Invloed hebben op de „vet*- schuiving” van bet inkomen van derden, terwijl bij dalende prijzen het winstaandeel van ; den producent daardoor snel nul of negatief kan worden. Ik stip dit aan, omdat dus, in de enkele vergelijking van „Indices” van prijzen, het drama der vaste lasten niet tot uiting komt. i Maar wij stellen dus vast: er ontstaat wel■ vaart bij verbetering van den „ruilvoet” van het „productieoverschot”, ten voordeele van den boer, er ontstaat depressie, als . het omgekeerd het geval is. De oorzaken van de verandering van ruilvoet, . door verandering Inde prijzen, laten wij buiten beschouwing, stellen alleen vast, dat tijdens hausse, de prijzen van tarwe hcoger i stijgen dan van industriocle producten, en bij : baisse, dieper vallen, zoodat de ruilvoet verslechtert of verbetert, door „ongelijke” prijsvorming. Tarwe- en Industr. Index 1914—1935. Goud-Wereldprijzen, basis 1914=100. 1914 1920 1923 1925 1929 1933 Tarwe 100 253 121 181 132 53 Industr. art. 100 205 138 146 123 85 Ruilvoet 100 125 80 120 100 62 Keeren wij nu tot Nederland terug, dan stellen wij vast, dat het vanaf zijn vroegste historie, meer en meer een centrum werd van wereldhandel, wereldseheepvaart, wereldindug' trie. Aldus kon het een grooter bevolking een beter bestaan geven dan wanneer het econer misch „autarkisch” was.Wij stellen vast, daty om zijn toekomstig bestaan niet op het spel zetten, een autarkische economie moet worden afgewezen. voor Nederland, evenals geheel West-Europa, is dus de eigen agrarische markt te klein voor de eigen industrie. Maar mag men nu zeggen, dat voor Nederland’s economie de landbouw niet langer „primair” Is? Neen, want dan bezigt men het woord ineen onjuisten zin. Men bedoelt, dat voor het geheel zijner bevef* king, het mogelijk zou kunnen zijn, dat men den landbouw van het eigen land zou kunnen missen, omdat men werkt voor de wereld' markt. Maar fs dit wel zoo heel zeker? Wij kunnen het aldus stellen: Inde wereld-economie blijft de landbouw principieel en economisch wetenschappelijk „primair”, zoodat voor Nederlands ultvoerindustrie, de handhaving vaneen gunstigen ruilvoet tegenover den wereld-agrariër, van primaire beteekenis is, d.w.z. dat dus in het belang van het geheel der natie, die nu eert' maal historisch is uitgegroeid boven een kleinen landbouwstaat, leven en welzijn afhangt van de mogelijkheid, om zijn export-industri» en scheepvaart, inde prijzen aan te passen aan de agrarische prijzen op de wereldmarkt-Zóó bezien schijnt dus de Nederiandsche landbouw „secundair”, zij het Ineen geheel anderen zin, nl. bij afweging van groepsbelangen in ooncreto. Daartegenover staat, dat voor «Hen landbouw zelf, het eigen belang primeeren moet, terwijl met zekerheid, bovendien van dezen landbouw nog afhangen, een groot deel der industrie, vele vrije beroepen, enz. enz-Het komt dus feitelijk hierop neer, als wij ons aan schatting mogen wagen: 60<>/o der bevolking heeft belang bij de handhaving vaneen hoog agrarisch prijsniveau, ter vermijding vaneen binmenlamdsche ineenstorting, 40«/ o wordt in zijn levensbestaan thans bedreigd, doordat het idet-aanpassen van d» kosten van levensonderhoud bemoeilijkt, jai duurzaam onmogielijk maakt het behoud va» de overzees die markten etc. Hieruit ontstaat een „conflict”. De feite» zijn, dat Nederland zooais het is, met bovendien zijn complex van andere beroepen, do wet ondergaat, dat landbouw primeert: economisch, op de wereldmarkt, zoodat het tot dat peil met zijn industrieelen prijs daie» moet, voorzoover export betreft, ma» dat, daartegenover de groote massa van zijn bevolking, niet ruwweg aan den prijsval tot de wereldmarkt kan worden blootgesteld, of niet wil worden blootgesteld en inde huidig* Regeeringsconstellatie „politiek” primeert. D® eerste groep eischt dus „aanpassing” van bet blnnenlandsche agrarische prijsniveau, om to» te laten dat haar fabrikaat beter aanpafit aan het builenlandscfae agrarisch prijsniveau. De tweed© groep eischt allereerst aanpassing van de blnnenlandsche Industrieel» prijzen en loonen aan het toch reeds la£® blnnenlandsche agrarisch niveau.*) In deze*1 twist wil ik mij op dit oogenblik niet meng®4l– wilde alleen met kracht de lijkbeld handhaven van ©en woord „primair, bij de afweging van historie, arbeidsverdeeliuê en ruilvoet, van de twee hoofdgroepen va? roenschelijke productie. , ! *) Daarna fs echter wederom ©en and®"* politieke „formatie”, n.l. de uiting van ganiseerde arbeiders en industrieelen, daar doorheen, gekomen met de „verbindet*1 verklaring”, W. J. L. VAN ES.