is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 47, 27-06-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27 Juni 1935. 3e jaargang.

LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ.

No. 47. Tweede Blad.

(Slot). Het Hansehuis. Even stijlvol en indrukwekkend als bet Reichsnahrstand'huis, was ook bet Hansehuis en hij voorbaat rekenden wij er al op hier evenveel interessants en merkwaardigs te zullen aanschouwen. Onze berekening faalde niet. Ook hier weer die groote zalen met wandschildering, teekenimg en grafiek, waartusschen weer die kernachtige spreuken en gezegden, die den Duiitscher zoo eigen zijn. Het Hansehuis voert ons ook weder terug naar den goeden ouden tijd, zooals hier blijkbaar gedacht wordt: de Middeleeuwen. Hier heeft Hamburg’s vroegste historie mede haar grondslag, want het is de Hanse, de machtige Hansebond, die hier als voorbeeld van maatschappelijke ordening aangehaaild wordt. Kaarten geven aan waar overal in Europa de Hansesteden lagen. Men ziet de macht van den bond op internationaal terrein. De gilden waren de ware dragers en instandhouders van de Hanse, zoodat dus niet alleen de koopman, doch ook de ambachtsman, kortom de geheele poorter!} van Üe stad meeleefde in bet geheel van dezen bond en daarmede stond of viel, naar gelang de Hanse sterk was of ineen zou etorten. Wij rakelden in onze herinnering oude denkbeelden op, die ons eens waren bijgebracbt over het oude stadsleven en zagen in gedachten weer den meester in zijn werkplaats bezig aan zijn werk met behulp van gezeten en leerlingen. Wat we ons niet herinneren konden viel hier weer te aanschouwen: beelden van het oude bedrijf. Doel van dit alleswas: den toeschouwer weer vertrouwd maken met het oude geordende stadsleven. Niet alleen dat de leerling eerst na een aantal jaren gezel kon worden en dat de gezel niet eerder meester kon worden dan na ’t gereedmaken vaneen proefstuk (het meesterstuk), waaruit zijn kennis en bekwaamheid bleek, dooh ook de meester was niet geheel vrij in zijn werk, in zijn laten en doen. Zoo mocht de meester niet meer dan een zeker aantal gezellen houden, opdat zijn bedrijf niet ongebreideld zou uitgroeien, zijn beperkte werkruimte niet zou uitgroeien tot een fabriek. Zijn werk werd gekeurd dooreen commissie van keurmeesters, oude ervaren deskundigen op dit terrein. Vaste prijzen golden voor het product, zoodat geen doodende concurrentie den ambachtsman van zijn brood kon berooven en ook de gezel altijd kon rekenen op eeni rechtvaardige belooning. Zoo de ambachtsman, zoo de koopman. Ook de koopman kon rekenen op een toornenden handel in zijn producten, doch was eveneens gebonden aan vastgestelde prijzen, waar beneden hij niet durfde verkoopen op straffe van booge geldboeten of zelfs verbanning. Ook moest zijn product aan een zekeren norm voldoen: afwijkingen en vooral minderwaardigheden werden aan waardeschatting onderworpen. Ook de alledaagsche levensbehoeften als brood, vleesch, melk en meel werden precies gekeurd op kwaliteit en gewicht en wee, wanneer iemand opzettelijk een minderwaardig product aan den man trachtte te brengen. De stad met de omgeving vormde dus een geordende staat op zich zelf, waar alles voorgeschreven en gereglementeerd werd, wat het dagelijksche leven betrof en waar de vroede vaderen met behulp van belangeloos werkende keurmeesters ijverig voor waakten. Daar de nationaal-socialistisicbe idee tn eenzelfde lijn gaat, is het geen wonder, dat aan bet oude giidewezen en het Hanseverbond alle aandacht geschonken werd en dat het internationale vrijhandelssysteem bij voorbaat reeds veroordeeld is. We zien aan de wanden het internationale verkeer en den wereldhandel aan onze oogen voorbijgaan met al de gebreken die het aankleven, duidelijk naar voren geschoven. Het is te veel om hier alles duidelijk uiteen te zetten, doch de belangstellende leze er die Economische Opstellen maar eens op ha en vooral de internationale handelsontwikkeling na de 15de en l&de eeuw, wanneer met het oude koopimansgildewezen gebroken wordt en niet bet ruilverkeer, doch bet geld de groote schakel van de handelingen wordt. Wanneer dan bet internationale credietwezen over alles zijn groote klauwen uitstaat en alles handelswaarde krijgt, tot den bodem toe, dan breekt de onrust der tijden eerst recht &an en is de boerenstand inde eerste plaats de dupe van dit leven, daar zijn lot en bestaan verhandeld en versjacherd worden aan de geldbeurzen en op de wisselmarkteni. Zakenmenschen als beurslieden, bankiers en gokkers van de internationale markten, hebben de touwen in handen, die voor de boeren een strop blijken te zijn. ♦ * * Wij zullen hierover niet verder uitweiden, doch een bezoek brengen aan liet derde Reiehsnahrstandgebouw, dat het huis van de Marktordening blijkt te zijn. Het grootste deel van dit gebouw is bestemd om ons een beeld te geven hoe de markt tot voor korten tijd werkte en hoe ze nu zal werken. Voorheen was de bodem bijzaak voor den staat. Met het Ideaal: „Men koope daar, waar men het goedkoopst kan koopen”, liet ook Duitschland zijn boeren aan hun lot over en zweefden dezen dan ook al bedenkelijk dicht bij hun ondergang. Terwijl de boeren b.v. onder den rook van Hamburg beste groenten, boter, vleesch en koren aan den bodem wisten te onttrekken, konden ze deze prodlucten niet voor loonende prijzen aan den man brengen, omdat de internationale handel Hamburg overstroomde met nog goedkooper land- en tuin- i bouwproducten van elders. Amerikaanisch graan en vleesch, Australische boter en wol, Hollandsehe boter en kaas, Deensche vleeschwaren en boter, Hollandscbe tui ndersp rode eten , alles 1 stortte in groote massa zich neer op Ham-

De TWEEDE Duitsche Landbouw! entoonstelling

burg's havenkaden. En niet alleen in Hamburg, zoo ging het overal in geheel Dultschllland. De boer zag het met leede oogen aan, doch . kon er niets tegen doen en de eene tak van , zijn bedrijf na de andere kwijnde weg of ging . kapot. Duilschland’s boerenstand, die ’n rentelast van miltiard R.M. aan renteschulden jaarlijks had op te brengen, ging geleidelijk bankroet en ’ de bodem kwam in banden van hen, die de groote beteekenis van den bodem voor een volk niet alleen niet kenden, doch zelfs doelbewust negeerden. DuiLschland was op weg, gelijk Holland, zijn voedingsbron naar het , buitenland te verleggen en moest zoodoende , vroeg of laat eenmaal tot de ontdekking ko, men, dat het bezig was zelfmoord te plegen. Het nationaal-socialisme begreep, dat het zoo . niet door mocht gaan; begreep dat het volk er . niet was ter wille van de uitbuiting door enkele machtige, hebzuchtige bankiers en handelslui, die als vampiers Duitscbland zijn beste levenssappen afzogen, doch dat, wilde Duitschland een volk, een éénheid blijven, er snel en doelbewust gehandeld moest worden, Instee van de wilde onbeteugelde internationale markt zien we nu de geordende nationale markt, zien we nu de geordende markt. In bepaalde gebieden zijn bepaalde steden als stapelplaats voor de producten van de omgeving aangewezen, waar dus alles uit de omgeving ter markt komt om verhandeld te worden, zonder dat buitenlandscbe producten er concurreerend kunnen optreden. De prijzen zijn geregeld, zoodanig, dat niet alleen den producent een rechtvaardige belooning te wachten staat, maar ook zoo, dat de consument niet te veel behoeft te betalen aan kettinghandei of prijsbepalende syndicaten. De wetten zijn streng en de rechterlijke macht treedt tot handhaving er van streng op, gelijk in Italië. Door de geringe transportkosten, doordat alles uit betrekkelijke nabijheid komt, blijft er niet veel „aan bet rad hangen” en werkt men dus nationale bedrijfsvoering inde hand. Een zeer practische doelstelling is voorts ook nog, om den geheelen voedingsvoorraad zoo te behouden, dat hij het gebeele jaar door gelijkelijk verdeeld kan worden. Niet alleen, dat de staat zelf hiervoor voorraden inden zomer opslaat om ze inden winter voor den consument beschikbaar te stellen, doch ook de boer handelt zoo en slaat voorraad op, om hem in den winter van de hand te doen. Aangetoond wordt dat de boer hiertoe in staat is, omdat hij „los” van het geld gemaakt is en nu niet wegens geldelijke verplichtingen is gedwongen om in ongunstige tijden bij overvloedige markt zijn product voor bespottelijke lage prijzen van de hand te doen. Het doel van de marktordening wordt gegeven in vier punten: 1. Rechtvaardige prijs voor de voortbrengers. 2. Rechtvaardige belooning voor den bewerker en den verdeeler (distribuant). 3. Voortbrenging, die zich regelt naar de behoefte. 4. Een prijs, die zich aanpast bij de koopkracht van den verbruiker. Eenvoudig ais de dag. ’t Is maar een kwestie van opvatting, doch voor hen die niet zoo „agrarfreundiich” zijn ingesteld o, Rotterdam! zullen deze vier punten wel immer parelen voor de zwijnen zijn, doch in ieder geval parelen blijven het, of bet nu in Hamburg of in Holland is, dat doet er niet toe. Ons rest nu nog de bezichtiging van hef laatste gebouw, n.l. het huis van den voortbrengingsstrijd In dit gebouw wordt lederen Duitscber bijgebracht, wat Duitschland nog mist voor zijn zelfvoorziening. Met grafieken, die een ieder in het oog moeten vallen, geeft de Reichsnahrstand aan, dat Duitschland zich voor eieren met 26 pct„ aardappelen met 0 pct„ vlas en hennep met 80 pet,, eiwitrijke voedermiddelen met 23 pet., wol met 91 pet,, suiker met 0 pet, vet van geslacht met 22 pet., vleeseh met 0 pet., melkproducten met 18 pet., versterkende voedingsmiddelen met 5 pet., plantaardige oliën en vetten met 90 pet., uit bet buitenland moet voorzien. De Duitsche boer wordt er dan ook op gewezen, dat het zijn taak en plicht is, om te zorgen dat ook in dit opzicht Duitschland zich spoedig zelf voorzien kan. • Het geheele landbouwleven rolt hier aan uw oog voorbij, want de Reicbsnahrstand stelde zich ten doel in deze zalen den boer de meest practische bedrijfsvoering bij te brengen, opdat hij inde toekomst zoo intensief en effectvol mogelijk zijn bedrijf zal bebeeren. Daarvoor stond op eender wanden met groote letters gegrift: Regeering en Reicbsnahrstand helpen de boeren inden voortbrengingsstrijd door; 1. Verlaging der kunstmestsitoffenprijzen. 2. Credieten voor de ontginning van den bodem. 3. Standaardvorming voor de soorten. 4. Deskundigen bijstand bij silobouw. 5. Bevordering der ontginning van braakland met kalk, 6. Bevordering van den verhouw van oliehoudende zaden en planten. 7. Bevordering van de schapenteelt. 8. Hoogere opvoering van het voortbrengingsvermogen der fokdieren. 9. Practische voorlichting. 10. Inde hand werken van verbouw van wratziektevrije aardappelen. Tenslotte willen we hier nog vermelden

de tien geboden voor den voortbrengingsstrijd voor den Duitschen. boer. Ze luiden als volgt: 1. Gebruikt uw bodem zoo intensief mogelijk. Het ruimte-arme Duitschland kan zioh de weelde vaneen extensieve bedrijfsvoering niet veroorloven. (Wie lacht daar in Holland?) [ 2. Bemest meer en bemest juist. Waar meer moet groeien, worden ook meer stoffen verbruikt. 3. Gebruikt steeds onberispelijk zaaizaad of pootgoed. 4. Zijt veelzijdig in uw bedrijfsvoering en vermijdt de eenzijdige teelt, want veelzijdigheid in uw bedrijf geeft zekerheid voor het geheele Duitsche volk. 5. Voert uw bedrijf veelzijdig, maar vermijdt vergrooting van de te bebouwen oppervlakte met vruchten, die het Duitsche volk niet noodig heeft en die in uw bedrijf een onzeker rendement geven. 6. Verbouwt groenvoeder als tusschenvrucht; zoo bespaart gij op uw krachtvoeder rekening en het Duitsche volk deviezen. 7. Verbetert uw bodem door ontginning, herschept woeste gronden in ouituurbodem. 8. Houdt niet meer vee, dan gij zelf uit eigen bedrijf kunt voederen. 9. Houdt slechts de dieren met het grootst mogelijke voortbrengingsvermogen en houdt er geen vreters op na, die niets kunnen prestoeren. 10. Houdt schapen; deze zijn ook te houden door ze te weiden op veldwegen en op stoppelland, zoodat ze voor u en voor het Duitsche volk ten nutte zullen zijn. * * * Hieraan heeft de Duitsche boer voorloopig genoeg en ik hoop ook U, lezers van deze artikelen. Er zou nog wel veel meer te vertellen zijn van de waarde, die de Duitsche regeering aan den boer toekent, doch de hoofdzaak is, zooals de Reichsnahrstand het zelf uitdrukte ineen spreuk aan eender wanden van zijn gebouwen: Nahrungsfreiheit ist die Grundlage politischer Freiheit. (Voedseivrijheid is de grondslag van politieke vrijheid). En zoo is het. Dit leert ons de historie der volkeren, doch jammerlijk genoeg wil men dat in ons land nog maar steeds niet inzien. Met den wensch dat deze eenvoudige waarheid ook eens diep zal doordringen tot onze regeeringsmannen, besluiten wij deze artikelreeks over de tweede Duitsche landbouwtentoonstelling. INGEZCfIDEw MEDEDEELING. HEERENSTOPPEN Extra lage prijzen in onze VERBOUWINGS-UITVERKOOP. Fa. B. REUDINK WINSCHOTEN. INGEZONDEN. Oproep aan den Ned. Boerenstand! Met steeds stijgende verontwaardiging moeten wij gedoogen, dat onze plaatselijke en provinciale pers, evenals de groot-stedelijke, wordt volgeprop't met margarine-advertenties. Kolommen worden „versierd” met reclames voor het surrogaat van boter. En dat ineen tijd, dat ons natuur-product bijna waardeloos is, ons vee moet worden afgeslacht, onze kalveraanfok in ernstige mate wordt beperkt, en vele boertjes met hard ploeteren de eindjes niet meer bij elkaar kunnen houden. Er is een noodtoestand ingetreden inde veehouderij; en wij kunnen niet meer dulden, dat onze aartsvijand, de margarinefabrikant, nog reclame maakt voor zijn waardeloos product van, walvischtraan en cocosvet. Het is een schande voor ons land, dat overvloeit van melk en boter, dat er nog zooveel margarine wordt verbruikt. Wij moeten zorgen, dat er voor ons nooitvolprezen natuurproduct reclame wordt gemaakt, en alle Maden, die niet witten eindigen met de advertentiekolommen van de margarine-concerns op te nemen, moeten uit onze huiskamers verdwijnen.' Actie moet er komen, en evenals dat het geval was met de oprichting van den Dr. 8.8., moet deze actie beginnen van onderen op, n.l. bij ons, boeren. Zoolang onze Regeering het personeel van leger en vloot nog voedt met margarine, en de Rijkswerkinrichtingen en dergelij.ke van dit product voorziet, hébben wij; daarvan niet veel hulp te verwachten. In Zuidoost-Drenthe worden afdoende maatregelen genomen tegen het margarinegebruik. Het begin van deze actie is in voorbereiding. Op initiatief van de atd, Sleen v.d. Dr. 8.8. vergaderden Vrijdag 14 Juni in combinatie met directeuren en besturen der diverse melkfabrieken, verschillende afd.-besturen van Zuid-Oost-Drenthe. Onder de bekwame leiding van den heer D. Eising te Erm werd een en ander uitvoerig onder de loupe genomen. Het resultaat van deze vergadering was, dat er getracht zal worden, de margarine uit onze omgeving te weren. Er zullen lijsten worden gepresenteerd, die ieder van zijn handteekening kan voorzien, met de belofte, geen margarine te gebruiken, en geen waren te betrekken van venters en winkels, die nog willen doorgaan met den verkoop van dat nietswaardige product. Als tegenprestatie wordt hun, die hiermee willen eindigen, de gelegenheid geboden, natuurboter te verkoopen. Boeren van Nederland, de nood dwingt ons, krasse maatregelen te nemen. Helpt ons, den sneeuwbal, uitgeworpen door de afd. Sleen, uitte rollen tot een lawine, die de muren van het Binnenhof doet schudden, die de aandeelhouders der margarineindustrie doet sidderen, en die de margarinefabricage doet verpletteren. Laat de margarine van de tafels verdwijnen, koopt

alléén Uw waren bij die winkeliers, die ons ter zijde staan, en ga niet meer knopen inde winkels, op welker gevels het woord margarine prijkt. Wij moe t en trachten de margarine-industrie den kop in te drukken, en als wij allen eendrachtig optrekken, kunnen wij veel bereiken. Ook het voederen van de bijproducten der margarine, cocosmeei, enz., is uit den booze, want wat bereiken wij hiermee? Dat wij overvloed van boter produceeren, die voor eenige centen wordt uitgevoerd; of eenigen tijd inde koelhuizen wordt opgeslagen, tot ze ranzig wordt, en dan voor weinig geld weer inde margarine kan worden geprutst. Hierdoor steunen -wij den margarinefabrikant, die dan weer reclame kan maken voor zijn margarine met 25 pet. heerlijke roomboter, (al is ze dan ook ranzig). Weigeren moeten wij deze producten van de margarine-industrie, waarvan de winst als vanzelf weer vloeit inde zakken van den margarinefabrikant. Wij moeten voederen ons nationaal product, dan is ook de landbouw gebaat, want ook hier geldt het: één voor allen, ■ en allen voor één, het parool van onzen bond. Het margarine-meisje moet inde prullemand, en „L. en M.”, ons orgaan, dat de woorden uit ons hart grijpt, moet er voor inde plaats. Straks gaat het wellicht een dagblad worden, laat ons dan zorgen, dat ons geheele platteland zich zal scharen onder den banier van „L. en M.” Nieuw-Zwinderen. JOHS. MEIJERINGINGEZONDEN MEDEDEELENG. Voor solide en smaakvolle Meubelen en Tapijten „HET WOONHUIS” Oir. K. H. SMIT Marktstraat 9 ASSEN. Naar de eenheid. Ook bij de landbouwjongeren. Nederland herbergt een groote verscheidenheid van organisaties van landbouwjongeren en getracht moet worden uit deze veelsoortigheid een levenskrachtige eenheid te vormen. Aan een verband, waarin de sterke wil van den geheelen jongen boerenstand tot een gezonde uiting komt, is meer dan ooit behoefte. De landbouw jonge ren moeten aan hun toekomst denken en het is van belang dat zij hun nooden van heden en hun toekomstverwachtingen gezamenlijk beleven. Nu willen wij ons niet ontveinzen dat er misschien wat staketsels moeten worden opgeruimd, om schijntegenstellingen tusschen landbouwjongeren uit bepaalde landstreken of tusschen leden van vereenigingen, gerangschikt volgens genoten onderwijs,, te overbruggen. Het standsverschil, dat men niet bij dé boerenbevolking zou moeten zoeken, omdat vóór alles het begrip „boer” verankerd moest zijn, heeft ontegenzeggeüjk een rol gespeeld. De gang der historie heeft veroorzaakt, dat het gedachtenleven van vele jongeren langs elkaar heen is gegaan, waardoor geen zuiver samenleven is ontstaan. Toch zijn wij van meerling en de ervaring heeft ons in dezen wat geleerd, dat deze moeilijkheden overwonnen kunnen worden en dat de grondslag voor samenwerking aanwezig is. Hoofdzaak is, zich in te stellen op het klare besef dat de boerenstand in Nederland de behserscaer en kneder van Neerlands bodem behoort te zijn en dat de landbouwjongeren toegewijd dienen mee te werken aan de instandhouding en verheffing van het Nederlandsdie landbouwleven. Aan de landbouwjongeren de taak door hun ' organisaties haar leden zoo alzijdig mogelijlk 1 te bekwamen en hun een leerschool te gevein ■ die bij uitstek geschikt is om dragers vaneen krachtigen boerenstand te vormen. Daarvoor is noodig dat men zich vereenige in afdeelmgen, die, wat omvang betreft, practisch kunnen 1 bestaan en waarin plaats is voor lederen jon- 1 gen werker uit den boerenstand. I Van de leden wordt niet geëischt dat zij de 1 eene of andere graad van ontwikkeling bezit- i ten, doch alleen, dat zij in ruim opzicht ge- 1 nomen, werkzaam zijn in het boerenbedrijf, i Provinciaal vereenigen zich deze afdeelmgen 1 tot één geheel en uit deze provinciale ïicha- 1 men moet worden geformeerd de federatie van landbouwjongeren in Nederland. | Het doel, waarvoor deze landbouwjongeren- : beweging inden strijd gaat, is gericht op de 1 landbouwkundige ontwikkeling, dé technische 1 bekwaming, de sociaal-economisehe scholing ' der jongeren en de instandhouding en ver- ' ©deling van de boereneultuur in Nederland. 1 Voorwaar een beginsel, waaraan men zijn 1 beste krachten kan geven en dat het noodig 1 maakt ineen volgende beschouwing de richt- 1 lijnen aan te geven, waarlangs deze vorm van 1 vereenigingsleven zich heeft te ontwikkelen om ' zijn greep op de jongeren te leggen, en hen te 1 vormen tot bouwers aan de toekomst van * den Nederlandschen boer. 1 W. TH. ZWART. | (Voor een zeer groot deel kunnen we het bovenstaande betoog onderschrijven. Het komt ( ons evenwel voor dat schr. te veel heil verwacht vaneen landelijk, zelfs vaneen pro-

INGEZONDEN MEDEDEELING. Boet Uw voordeel met onze Verbonwings-Uitverkoop Mantels, Japonnen, Costumes, Rokken, Blazers, Blouses, etc. etc. B# Rendmk ■ Winschoten

e vinciaal verband. Dit is goed otn contact met i- elkaar te houden. Het werk moet echter get I schieden inde afdeeüngen zelf. Naast onze I afdeeüngen voor de ouderen, moeten de jongeren zich vormen inde jeugdclubs. Dat is het I eerst noodige. Het andere komt dan vanzelf t Red. L. en M.). i I St. Jan.j Het zal meerderen gegaan zijn ais ons. De . plotselinge overgang van het koude, natte . I weer der laatste weken naar de mooie zomer» , dagen van thans, heeft even gauw de g|e, moedsstemming veranderd. We kijken de we. I reld weer anders aan en vinden haar mooier dan ooit. „St. Jan kan veel doen”, zegt , de volksmond. Dan staat voor ons de zon op , haar hoogtepunt en oefent aJh.w. geconoen, treerd haar weldadigen invloed uit. Wat tof dusver kwijnde, wordt met St. Jan nog een kans gegeven! Geen wonder, dunkt ons, dat St. Jan al vroeg als hoogtijdag is beschouwd, al wordt hij als zoodanig niet overal gevierd. Symbolisch, zouden we zeggen, is hij de overwinning van het licht op de duisternis. Langzaam is het gegaan, als de gang van de kreeft; 1 maar eiken dag steeg de zon hooger, eiken dag wekkend nieuw leven, We zagen golven 1 van groen de boomen bedekken, de Meidoorn I bloeien in witte simpelheid, de kastanjes feestpluimen opzetten, de brem als vlammend altaar I gloeien. We hoorden, zingen het vogelen-heir onder ’t werk aan het nestje, waarin straks nieuw leven wordt verwacht. Dat alles heeft I onzen polsslag versneld, een warmer gevoel heeft ons bekropen en stil hebben wij bewon. Iderd! We hebben dit aangevoeld als het beste, waarnaar een menschenoog zich richten kam, . I de groot- en grootschheid der Natuur. We hebben gevoeld de overwinning van het Licht! In het Evangelie van Johannes staat inden Nederlandschen tekst geschreven: „En hellicht schijnt inde duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen”, maar ineen vertaling van, het Nieuwe Testament uit het Grieksch in modern Engelsch, worden deze woorden weergegeven: „And the ligfht shines in the darkness and the darkness never overpowered it”, „En het licht schijnt inde duisternis, en de duisternis overschaduwde het nimmer”. Ziehier de echte zonnezijde, het weten, dat er schaduw, schemering, zelfs duisternis is, I maar tegelijk het geloof, dat het Licht nooit I door de duisternis is verdrongen en ook nooit geheel verdrongen zal worden. We mogen dit, 1 dunkt ons, elkander wei eens voorhanden in I tijden als deze, waarin alles zoo donker lijkt, I want dat vaste geloof aan de overwinning van, I het Licht beïnvloedt natuurlijk ons doen en werken. Dat maakt ons vanzelf tot optimisten, dat doet ons telkens opnieuw beginnen, waar anderen reeds hun „onmogelijk” hebben uit-I gesproken. Moge 16 Juli, onze dag, mede in dit teeken staan! De dag der boeren-optimisten, die gelooven inde rechtvaardigheid van hun strijd len daardoor ook inde overwinning van hét Licht! „ en daarom, Boeren, Blijft paraat!M Bij Sijthoff’s uitgeversmaatschappij te Leiden is een brochure verschenen van de hand vat» Ir. A. O. Rijsdijk, Dir. v.d. Ned. Krach tvoerfabriek Muskator te Oude-Wetering, onder bo-I venstaanden titel. I De schrijver belicht een paar crisis-maatregelen, die waarschijnlijk het meest met zijn bedrijf in verband staan, nl. de tarwe- en de boterpolitiek. De schrijver noemt het dwaas, dat wij in 1984 van onzen tarwe-oogst 23000 ton naar het buitenland verscheepten tegen een netto-prijs van nog geen f2, terwijl we f 3.50 per 100 k.g. voor geïmporteerde tarwe moeten betalen van veel minder kwaliteit. Met een verhooging van 3 pet. op het verplichte mengpercentage kan deze hoeveelheid geheel in ons land worden opgenomen. De schrijver wraakt het, dat de molenaars op het platteland 3 pet. meer moeten betalen dan de hoogmolens, ja, dat deze eersten zelfs niet gecombineerd mogen koopen. Hij concludeert, dat wijl in Nederland den hoogsten broodprijs hebben van geheel Europa. Fel komt hij op tegen den export van natuurboter tegen afbraakprijzen naar Engeland • en Amerika, terwijl de margarine-fabricage enorme winsten afwerpt, gedeeltelijk zelfs aks gevolg van de getroffen regeeringsmaa(regelen. Hij meent, dat Duitschland meer van onze boter zou willen afnemen tegen behoorlijken prijs, als wij maar meer uit dat land zouden importeeren, maar, zegt hij, dergelijke boerenbelangen komen in het brein der drie Landelijke Landbouworganisaties niet op. Hij beweert, dat duizenden boeren dat hebben begrepen en hun belangen niet meer veilig gevoelen bij deze instellingen. Nederland exporteert zich arm, zegt hij, en als met voordeel zou kunnen worden geëxporteerd, dan komt men te laat, of werkt de zaak tegen. In verband hiermede wordt gewezen op de mogelijkheid, die zou hebben bestaan om vee naar Rusland te verknopen. Ook bij deze gelegenheid krijgt het Ned. Landb.-Comité een veeg uit de pan. Volgens hem is het geheele menggebod in zijn uitwerking een succes voor den margarine-fabrikant, waardoor deze ettelijke raillioenen extra verdient. Hij wekt op tot boycot van deze fabricage. „De boerenpers moest zich schamen om nog pagina’s advertenties op te nemen over margarine en mengvoeders van deze kunstboterindustrie!” Ook de provinciale pers zou zich hierbij moeten aansluiten. De schrijver is scherp, zegt af en toe rake dingen. Onze conclusie is: leest dit geschriftje.