is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 3, 1934-1935, no 50, 18-07-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 Juli 1936. 3e jaargang. LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No. 50. Tweede Blad.

„NAAR ’T LAND TERUG”.

Een grauwe compacte wolkenmassa kGepilde over het Asser Sportpark, toen roet het openluchtspel „Naar ’t land terug”, geschreven door Mr. A. W. Kamp te Den Haag, een aanvang werd gemaakt. Af en toe zag het er naar uit, alsof wij een buiïgen herfstdag zouden beleven, doch gelukkig verstoorde Pluvius het gloriepunt van dezen grooten dag niet en zoo kon dit imposante landspel in zijn rijke Meurschakeéringen een grootsche getuigenis worden van het feit, hoe het landvolk van Nederland doende is om in het spoor, aangegeven door den grijzen leidsr, het ideaal te

Vanaf de tribune aanschouwt hij het machtig gebeuren. verwezenlijken, dat aten. als een stralend licht voor oogen staat: den landbouw de plaats te hergeven in het nationale Leven, die hom rechtens toekomt, als grondslag voor alle bedrijfsleven, met volkomen erkenning van de waarden van den industrieelen en commercieel en bovenbouw voor de samenleving. De verschillende tafeneeten van heit spel werden door den landman Jan EleveW (Mr. A. W.

Kamp) toegelicht, bijgestaan door Annechien Klaster (Mevrouw H. M. Content—Hofstede), die zich inzonderheid op buitengewoon goede wijze van haar taak kweet. Jan is in voortdurenden strijd met den electro-technischen monteur uit de stad, Pollink, (de heer H. G. Hidskes te Assen), den man in overall, die de grieven der boeren poogt te weerleggen. Jan is van roeening, dat de stad „een ende !mut maken mit de loonen zoo hooge te hollen. As oe ’t schakelbord kepot giet van de looht.Seidege en d’r mut ’n stadsche monteur komen, dan griezelt ’t oe toe; tien gulden veur ’t invetten van ’n nei schakelbord. Veur tien gulden leerappels hef Jan hum tuusebracht en ie wiet niet hoeveule warkdagen veur hum in die eerappels zatten.” (Hiermede waren wij ge-

plaatst in het brandpunt van den strijd: de slechte betaling van den landarbeid vergeleken met de waardeering van arbeidsprestatie in stedelifke bedrijven). Annechien zegt dan dat Jan Smid er voor zal zorgen dat dit anders wordt, hetgeen Jan volkomen beaamt. „Wi’j mut naor de bron terugge. Awwe maor mit Smid haand in haand gaon, dan komt ’t nog wel goed. De geleerden begriepen echter niet meer” zoo vervolgt Jan —, „dat de landbouw de bron van alles is. De industrie is een mooi dink zegt hij—, maor ’n tweedehaands rammelkaste van Ford ku’j niet opeten. Ie kunt best ’n paar dagen eten zunder warken, maor warken zander eten kan gien iene.” Vroeger ging het volgens Jan heel anders en beter en daarom wil hij Annechien eens laoten zien hoe het was toen handel en industrie nog niet bestunden en de Germanen hier leefden. Die warkten veur haurzöls en hoefden niet naor Den Haag, as de boei in de wiere was.” Vestiging vaneen Germaanschen stam. Pas is Jan uitgesproken of reeds naderen te paard de verspieders vaneen Germaanschen stam, die door de woeste Suevan van de oe-

vers der Elbe zijn verdreven. Met vurigen moed en groote dapperheid hebben zij zich verweerd, doch hunkerend naar vrede en rust, zoeken zij naar een nieuw vaderland, dat welvaart door landbouw zal brengen. Ben grootsch tafereel is hef, dat zich dan voor onze oogen ontvouwt. Voorop rijdt een wagen bespannen met twee heilige witte paarden. Op dien wagen staat de priester (J. de Lange te Ruinerwold) van den stam. Ter weerszijden schrijden in statigen tred Germaansche vrouwen, gekleed in wijde, witte gewaden. Daarop volgt de aanvoerder van den stam, Enrik (A. K. van Veen, Assen), gezeten op een vurig ros. Zijn lange blonde ha-

ren hangen los over de schouders en de helderblauwe oogen richten ziüh vorschend op de omgeving. Daarop volgt de stam zelf met vee, voertuigen, landbouwwerktuigen, enz., een schier eindelooze stoet, geëscorteerd door meeloopende honden. Zelfs een kudde schapen ontbrak niet. Een indrukwekkend onderdeed vormde de groep van krijgers, die op een baar den gestorven vorst meedragen. Plechtstatig schrijdt de stoet het veld rond, waarna men zich voor een groot hunebed opstedt. De krijgers zijn alten in volle wapenrusting. Uit alles spreekt een sfeer van durf en moed. Dan treedt de priester, die getooid is meteen groot blinkend offermes, naar voren en beft zijn handen op naar de zon om het godsoordeel te vragen. Van het meegevoerde rijshout wordt nu een brandstapel gevormd, waarop het zielloos overschot van den dappere tot asch zal worden verteerd. Terwijl de vlammen van den brandstapel hoog oplaaien, brengt de stam den laats ten groet aan den gestorvene. Een Germaansche heldenzang, ult-

stekend vertolkt door G. Kijk inde Vegte te 'Leeuwarden, wordt aangeheven; Ds lijkrook is des konings heidenvaan, zijn bleek gelaat verpulvert nu tot asch. Wodan rijdt hem op briesohend nevelros nu tegemoet en ineen wervelwind heft hij hem met zijn diep gebronsde vuist bij zich te paard, begeerig zulk een held de glorie zijner heemlente doen zien. Hij is gelukkig in een] beter land waar met de eeuw’ge Goden hij vereend in wilden roes Langs zee en bergen jaagt en t’avond als de gouden sterren schijnen hij aan hun disch zich neerzet tot het dagen weer roept ter jaeht en schooner feest,gala,gsm. Daarop volgen Germaansche zwaarddansen, uitgevoerd door de Asser damesgymnastiekvereeniging „Hygiëa” onder leiding van den heer Venhuizen,

Door den priester worden vervolgens nog verschillende ceremoniën verricht, die onder ademlooze stilte door de duizenden worden gadegeslagen. Tenslotte deelt hij den stam mede dat de oppergod in heilig loof heeft gesproken en dat het zijn wil is dat het volk deze plaats tot woonstede uilkiest. Romeinen! Plotse!,ing klinkt vanaf den achtergrond klaroengeschal en een Romeinsoh cohorte (legeirafdeeling) verwekt algemeen© opschudding. Kinderen en vrouwen vluchten gillend weg, de

Germaansche krijgers grijpen naar zwaard en speer. En rik , de aan voerder, plaatst zich me t getrokken slagzwaard voor den priester Wat zal het naaste oogenblik brengen? Bloedige krijg of vrede? Dan legt de Romeinsche aanvoeder Labienus (G. Dieters) zijn wapens al, waarop Enrik eveneens zijn zwaard opsteekt en beide opperhoofden treden elkaar tegemoet en de onderhandelingen beginnen. Algemeen© opluchting volgt als den, Germanen wordt toegestaan zich tegen betaling vaneen jaarlijk-

sche schatting op het nieuwe gebied te vestigen. Onder de tonen van de krijgsmuziek marcheert dan de cohorte in haar schitterende rusting af. (Einde van dele afdeeling). Inde tweede helft van het stuk wordt de crisisdraak bestreden. Annechien komt, luide kreten slakend, ten tooneele en zegt dat haar een „dink” op de hielen zit. (Het blijkt een voorwereldlijk monster te zijn, de crisisdraak, welke rol wordt vervuld door J. Jipplng te Anloo). Jan Eleveld is eerst nog manmoedig en, verklaart het monster aan het mes te zullen steken," terwijl hij het later met „de klompe veur de gallige bek wil sla on.” Uit den dialoog, die zich nu ontspint, geven zoowel Jan als Annechien hun afkeer over politiek te kennen, doch de monteur beweert dat in organisatie alie kracht zit en waarmede ook de boerenstand zijn voordeel behoort te doen.

Olt nummer bestaat uit acht bladzifden. komen tot een rechtvaardige samenleving, tot heil van beide, stad en Land. Zij besluiten dan ook met te zingen: O volk van Neerland volg de lijnen, die Smid ons aangegeven heeft, het spook der crisis za! verdwijnen, de welvaart eerlang zijn herleefd! Wanneer de boeren en de steden reiken elkaar de broederhand, gelijk zij voor de vrijheid streden, dan keert de eendracht van het land! Een machtig en aangrijpend schouwspel volgt dan als onder het gebeier van kerkklokken een rij „linnewagens” verschijnt, die de kerkgangers ter kerke voeren. Het is de dankdag voor ’t gewas, welke Dankdag dateert van den Vrede van Munster in 1648, toen de Staten dezen dag instUden, omdat zij vreesden, dat toen de vredld gekomen was, het volk zijn aanhankelijkheid van Honger Macht zou vergeten. Deze dag is tot heden in Drenthe en Overijssel gehandhaafd. Op de wijze van Gez, 180 wordt door spelers en bezoekers tezamen een danklied gezongen. Het slot van het Landspel vormt het aangrijtpende moment, waarop de leider van L. en M„ de heer Smid, door Ceres, godin van dan, Landbouw (Mevr. Content) wordt gehuldigd. Terwijl een ademlooze stilte zich over de compacte . mensehenroassa’s legt, komt de indrukwekkende Ceresgroep, geëscorteerd door groepen uit alle provincies, aangeschreden en richt tot den grijzen grondlegger van L. en M. woorden van hulde, die alle aanwezigen met ontroering vervullen: Jan Smid! vergun mij dat ik tot uspreek, gij zoon van ’t volk, die deel hebt aan mijja geest en ’t diep verstaan dat bij de góden is huivrend benadert met uw zuiver hart. Gelijk naar eender kim de sterren stijgen gelijk het kiemsel rijst naar eender Echt, gelijk wat goed en waar is nimmer zwicht één doel bestrevend, zoo zijl gij gegaan den weg omhoog: den Landbouw voor te staan. Jan Smid, gij meet uw werk aan lange jaren.

Pollink kan echter redeneeren als Brugroans, Het is mijn wensch dat gij het hemelklaren Jan blijft op zijn stuk staan en zegt dat >tas nog ruit aanschouwen boven Nederland!!! de moezen ook dood veur de spion de vallen, Aanvaard reeds nu uit veler dank’bre hand de stadsluu nog schimpt pp de domme boe- deez’ krans, getuigenis, dat allerwegen ren!” Dat de boer overgeleverd was aan de uw arbeid hier erkend wordt als een zegen! vrije markt en de stedeling werktin beschutte . , hf>„d;t „en dpr mais_ bedrijven, ziehier de oorzaak van dat misera- . Tljd-ns deze toespraak houdt eender mensbei e crisisbeest, meent Jan. De steunmaatrege- les den meters grooten lauwerkrans op een len van thans zijn volgens hem, maar lapwerk; °.°f'. , . maatregelen aan de |rens zulten beter effect ,Nadat het otJJe" orJf an *angroeiende apgeven. Alle crisis-ambfenaren kunnen dan ook Piaus ™as £e(luwd’ dankt de Sm,dm een °d achtaeld kernachtige toespraak voor de hem bewezen „En ’t zaakien is gepiept”, vult Annechien hulde, daarbij nogmaals op klare wijze het ” 6 doei van L. en M. uiteenzettende. Haar baas zegt dat de stadsloonen dalen Na het spelen van het Wilhelmus en een mut. Pollink meent dat dat nooit gelukt. dankwoord van den heer Oldenbannmg weid – Dan is er geen ander middel dan de land- dan deze machtige plattelandsdemonstrabe voor bouwpriezen omhooge, zegt Jan. Meneer Smid geëindigd ver Jaard. hef al in 1918 veurspeld dat ’t mis zul gaon. ♦ * * De duuzenden roeinschen, die hier bint, bint Commentaar op dit stuk is vrijwel overbodig, ©komen omdat ze anegrepan bint deur de vooral voor hen die er getuige van zijn gewaorheid van Smid’s begunselen.” weest met welk een ingespannen aandacht en Poliink wil nu het naadje van de kous weten volle toewijding werd geluisterd. De heer en vraagt wat Smid dan wil. Jan geeft hem Kamp, Mevr. Content en alle andere mededaarop een antwoord dat aan duidelijkheid werkenden waaronder de staf van „het niets te wenschen overlaat, zoo zelfs, dat het eerste”, die onder leiding van den kapelcrisismonster zich loarukt om naar het bosch meester, den heer S. P. v. Leeuwen,, voor do te vluchten en daar te sterven. Pollink blijkt muzikale illustratie zorgde —, hebben hierin door Jan’s overtuigende woorden tot de idee- ongetwijfeld reeds een afdoend bewijs, dat hutt en van den heer Smid te zijn bekeerd, zoodat acteeren grooteiijks werd gewaardeerd, stad en land dus de handen ineenslaan om te ————— – 968 ton, dus ruim 30.000 ton minder, voor Van week tot week. een waarde van f 29000. Onze spoorwegen. Eenige gegevens uit de Het door de Ned. Spoorwegen In 1934 gestatistiek. leden verlies bedraagt f 30.798.146, wat niet zoo’n klein beetje is. Het grootste deel van. Het aantal uitgesproken faillissementen in dit verlies komt voor rekening van de HolL Nederland, Dultschland en Italië bedraagt jjz. Spw. Mij., doch de regeering past voer sedert 1929: haar ruim f 18.000.000 bij. De Mij. tot ex- Nederland Duitschland Italië ploitatie van S.S. geniet een douceurtje van den Staat om haar verlies te dekken groot 1929 2729 833 1036 fi4.408.000. 1930 3062 959 1167 jndien de auto instee vaneen zware be-1931 3404 1145 1504 iastingdruk ook deze aangename surprise 1932 4539 711 1583 eens had, dan was ze stellig de koning van 1933 455(5 323 1431 den weg en behoefde er geen trein meer 1934 464;5 231 1170 fe ioopen. Doch dit zijn slechts wenschen. Het aantal faillissementen op 1 millioen INGEZONDEN MEDEDEELING. inwoners bedraagt voor deze drie landen ■ over 1934: voor Nederland 533,voorDuitsch- DITÏ TÏTT « land 3.5 en voor Italië 28.4. Verder ziet men ItOGÜC 1 uit de cijfers, dat de rij voor Duitschland van Hessian doek en Italië steeds geringer aantallen faillisse- 10 stuks 5x 4 voor f 600 p. kleed menten aangeven, doch dat het voor ons 15 stuks 6x 4 voor . 700 p kleed land nog steeds in stijgende lijn gaat. Komt 15 stuks 6x 5 voor – 850 p. kleed dit wellicht door de aantrekkingskracht van 13 stuks 5x 5 voor . 725 p. Meed het goud? 17 gtuks 5X6 voor – 10.00 p. kleed In. en infimor van tarwe 14 stuks 7X5 voor "975 P- kleed in en uitvoer van tarwe. 16 stuks 7x6 voor – 11.25 p. kleed Inde eerste drie maanden van 1934 werd 25 stuks 7X7 voor – 13.00 p. kleed in ons land 86.686 ton tarwe ingevoerd voor 12 stuks BX6 voor – 12.75 p. kleed een waarde van rond f3.005.000; in 1935 18 stuks BX7 voor – 14.50 p. kleed werd ondanks den rijken tarweoogst in ons 19 stuks BXB voor – 16.00 p. kleed land 137.404 ton, of ruim 50.000 ton meer, 11 stuks 9X9 voor – 21.00 p. kleed Ingevoerd, voor een waarde van f5.191.000. 12 stuks 10 X 10 voor – 25.00 p. kleed Daartegenover stond een uitvoer in 1934 •,, —, « eer w nn inde eerste drie maanden van 31565 ton ter |>n fi* fö» ItL» fi». Ww Ü. waarde van f 1.261.000, doch in 1935 inde _ 7 „ ,7 r.BnNivr.PN eerste drie maanden slechts een ultvoer van Winschoterdlfip W.Z, 7-9-17 GROMnGBN.

Annechien Klas ter (Mevr. H, M. Content-Hofstede).