is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 4, 1935-1936, no 3, 15-08-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ.

15 Aug. 1935. 4e jaargang.

No. 3. Tweede Blad.

KRA...AK!

Het gebouw der crisiscentraies kraakt! Het kraakt thans erger dan ooit. Zal men deze laatste waarschuwing hooren?? Rogge noteert thans f6a f6.50, terwijl de richtprijs f7 k f8 bedraagt. Gerst noteert omstreeks f4, hetgeen met den toeslag f6.50 wordt Waar zal dat heen? Bij de thans geldende richtprijzen heeft men zich gebaseerd op ruime oogsten. Hoe komt de akkerbouwer er nu voor te staan met prijzen verre beneden dien richtprijs en daarbij met een oogst, die stukken bij dien van vorige jaren ten achter blijft? De ta rw© is veilig jgesteld door de speciale Tarwewet, tengevolge waarvan men thans op de mager© zandgronden dit gewas der klei veelvuldig aantreft, daarbij de plaats innemende van de bij dien zandgrond meer passende gewassen, die evenwel door de huidige maatregelen niet verbouwd kunnen of mogen worden. De wereld op haar kop. Doch zelfs die goede, soliede Tarwewet houdt het niet. Goede opmerkers hebben in Mei in dfc bladen een heel onopvallend berichtje kunnen lezen, .waarin vermeld ■werd, dat de Tarwe-Centrale f300.000 uitgekeerd zou krijgen uit het Landbouwcrisisfonds. Ondanks de 'goede werking ■van deze instelling was er dus bij deze, (vaak als voorbeeld van doeltreffende crisisbemoeüng genoemde centrale, een belangrijk tekort te dekken, dat moest worden bijgepast door de samenstellers van het landbouwcrisisfonds, o.a. dus door onze véél noodlijdenider veehouders. iWe zijn ook verder nog zeer ongerust over de resultaten van deze centrale, aangezien voor den oogst ’34 de toestand al zóó was, dat men van dien oogst van 485.000 ton slechts 250.000 ton wilde gebruiken als broodtarwe, waardoor het groote overschot tegen spotprijzen moest worden verkocht, ja zelfs moest worden geëxporteerd tegen prijzen beneden ƒ3 per 100 kg.! Bi] de Tarwecentrale wordt gewerkt met een geweldig tekort. Als men aan de hand van de bekende gegevens d© rekening voor de Tarwecentrale eens opzet, dan Wijkt, dat daar, Ondanks een apparaat, dat 10 pet. onkosten meebrengt, niet Wordt gewerkt met een tekort van. honderdduizenden, doch met een tekort van millioenen. Be tuinbouw. Moet de hopelooze toestand van dit bedrijf hier nog worden geïllustreerd? Is die toestand zélf niet reeds een volkomen veroordeeling van het beleid ten opzichte van dit bedrijf? Het kraakt hier wel héél erg! De veehouderij. De varkenshouderij wordt tegenwoordig nog al eens genoemd als voorbeeld van het slagen van ©en crisiscentra!©. Met alle respect voor de goed© bedoelingen van de opstellers van de varkensregelingen, kunnen we ons daarmee geensdeels vereerdgen. Om de resultaten hier te beoordeelien is eerstens noodig te constateeren, dat nu, ondanks het feit vaneen grootere vrijwillige beperking als was voorge-Bchreven, deze tak nóg noodlijdend is. En inde tweede plaats zou het noodig ïiijn te weten, wat nu, deze regeling in totaal en in werkelijkheid heefl gekost. Als men dan de millioenen kosten eens stelde naast de resultaten en men daarbij eens ging vergelijken met ©en methode van automatische aanpassing, zooals dat bij de varkensmesterij en fokkerij steeds het geval was, dan zou, wel duidelijk blijken, dat men hier op het verkeerde paard heeft gewed. 'Moet er nog over pluimvee worden gesproken? Of Is het een ieder duidelijk, dat hier van werkelijke saneering hog niets is terecht gekomen? Heeft in Wezen niet die Etngelsche regeering' het (h«eir van onze eierproductie ge,. hand? En is ©en dusdanig re® aat’zoove«l bemoeiingen niet veelzeggend ? Rest ons dfc rundveehouderij, de be angnjkste tak' van het nationale landbouwbedrijf, doch dan ook de tafel, die Br in wezen wei het allermlserabelst en het meest hopeloos voor staat. Ondanks cnsiszuivelwet, óndanks veehonderijocntrale, óndanks afslachting en teeltrege®mg; dank zij ©en stelsel, dat méér let np de belangen van scheepvaart en industrie (havensteden—margarine-indusi belangen van hen, voor 'gen. uitkomst zou moeten brenzonkS|Siveeprijzen inge-Is voor k €ea P6l > da* 60,1 aanfluiting central© bestaan vaneen Rundveede me 1* , het zal ®rger worden als dende werking ®P erk in g haar doo„n ° °P het veehoudersbednjf io! CI| za* d°on gevoelen. Hoe meer het einde Van den steun nadert, «Lwf l- de daB liomt> en die da.g. komt onv©rwacht spoedig, dat het kwantum gestes me,k is gellverd, hoe meer zal het veeoverschol in 1

den zin van deze beperking de markt drukken en ineen doen storten. 1 Wat heeft tenslotte de geheel© zuivel-Ixuuodïng terecht gebracht van het groote doel :d© nationale vetvoorziening inde eerste plaatste leg-1 gen in handen van den nationalen bodemproducent?? Bel is ons niet om criM te doen, om der wille van de crilick. Maar wel vragen we ons af, of een zoo groote en oen zóó algemeen© mislukking van liet huidige regeer, ngssysleem tot ordening van de landbouwproductie, geen aanleiding zal moeien worden van ©en algeheelc wending in hel beleid. Dat het zóó met ban doorgaan is ©en ieder duidelijk-Zelfs oen .Minister van Landbouw zal dit tot mislukking gedoerad, Ja reeds mislukt, systeem niet hunnen redden. Bij die wending mogen geen carrières, mag geen eerzucht, mogen gom persoonlijke elementen in hel geding worden gebracht, daar mag slechts het groot© nationale belang van den Landbouw, gelden- Daarom rekenen we hierbij gaarne op d© krachtige hand van Minister Dec' fcers- Doch dan, Juist dan, als wc het systeem van de hooge rechten aan de grens op alle agrarische producten, enz- als het ©enig Juiste zien komen, ! Juist dan rijst daarmee een groot gevaar, indien deze minister ©ons niet de krachtige man mocht blijken Ie zijn, om dan ook volkomen af te stappen van hel huidig stelsel om hel onze In z’n gehe el Ie aanvaarden! Ook de huidige schippers merken wel, dat het lekke schip ook niet met hard ; pompen drijvende is te houden. Maar ' tóch probeert men de schuit boven water te houden, óók al zal men daarbij den nieuwen gereedliggenden stoomer afbret Iten, die wacht op de vervanging van r het tot wrak geslagen vaartuig. Men weet ’ dat men op dien nieuwen stoomer immers geen schipper kan bl ij ven I Een dezer gevaren is wel, dat mep, Inziende, dat het o.a. met den akkerbouwsteun niet zal losloopen, zou «vergaan lot | verhooging van de graanrechten, zonder daarmee het geheel© stelsel van hooge Invoerrechten, over t© nemen, hel o.a. niet van toepassing verklarende op vetten, enz- Dit lapmiddel zou funeste gevolgen meebrengen. Het zon tijdelijk nog den prijs dier akkerbouwproducten iets kunnen verhoogen, doch waar die verhooging in vollen.' omvaag zou moeten worden opgebracht door de veehouders, zonder eenige compensatie, daar zou deze maatregel' tot onverbiddelijk gevolg hebben een nog sneller ineenzakken van de veehouderij als waarvan we momenteel getuige zijn. Daarmee zou dan tevens de akkerbouw ineenzinken. Verzwaring van den last der veehouderij tot redding van het noodlijdend landbouwcrisisfonds zou ©en misdaad beteekenen voor de veehouderij, de belangrijkste tak van landbouw in Nederland. Nog één punt. De melksteunbeperking. Onze organisatie heeft steeds gewaarschuwd tegen het nemen van deze maatregelen. .Wij hebben ons daarbij aangesloten bij d|e gegronde bezwaren van F-N.Z., V.V.Z.M. en R.v,Kp„ welke bezwaren we op verschillende punten aanvulden. Wie hebben de overtuiging gekregen, dat deze maatregelen zoo zeer mank' gaan aan onuitvoerbaarheid, aan het veroorzaken van onbillijkheid en onrecht, aan bet doen optreden van fraude, hat de maatregelen eveneens zóó onaanvaardbaar zijn voor boeren ineen land, waar men nog evenveel margarine ©et als boter, dat we ons op hielt standpunt hebben geplaatst, dat het onverantwoordelijk zou zijn om als boerenorganisatie mee te werken aan de uitvoering van dit funeste stelsel. Helaas hebben de voor die medewerking ju aanmerking komende organisabës, misschien noodgedwongen, die medewerking tóch toegezegd. En helaas blijkt nu meer en meer, dat wij, daarbij geflankeerd door de genoemde zuivelorganisaties, de zaak juist hebben ingezien. Die practijk van het geval' begint zich t © teekenen. De schaduwen gaan al vooruit en teekenen zich nu al af in afbraakprijzen voor vee, verder inden groei vaneen ambtelijk apparaat, dat eiken zakenman de haren ten berge zou doen rijzen I Er is evenwel méér. De honderden commissies (worden straks él onze boeren via die commissiebaantjes rijks ambtenaar?) zitten met de toewijzing der gesteunde melk. En van élle door ons ondervraagde commissieleden kregen we te hooren, dat „eigenlijk” die toewijzing ónmogelijk was, wil men rekening houden met doel en billijkheid'. Toewijzing is meteen: onrecht! Er is méér. Fraude-contróle-uitvoerbaarheid. Hoe zal men een toewijzing doen aan melkventers, aan kaasboeren, I aan melkboeren, die aan opkoopers de

melk verkochten, waarvoor geen basishoeveelheden bekend zijn? En nü, hoe zal men controle uitoefenen op de leverantie aan vetgrammen van den zelfventenden boer, van den kaasboer, van den boer, die de melk verkoopt aan den opkooper-tusscbenhandelaar, enz.? Wat wil men straks met de overmelk? Moet de boer dan dié melknaar z’n varkens dragen en zelf margarine eten? Wie controleert onze Iwee-honderdduizend bedrijven op handhaving van het karnverbod, waar bijna elk vat tot karn kan dienen??? Onuitvoerbaar! Onuitvoerbaar althans, wanneer men zich wil baseeren op doelmatigheid, recht en billijkheid. Wat dan???? Eir is maar één weg- Een nieuwe minister—een nieuw stelsel! En dan volledige Bescherming aan de grens, inlioudendc óók bescherming legen hel vreemde vel, in wezen tevens inhoudende de bescherming van den boer, ja van geheel ons volk, tegen de uitbuiting van de almachtige, wijdvertakte margarinc-indu.slrie. Dan zon er een einde komen aan de bedreiging van de prijzen van de akkerbouwproducten, dan zou een aangepast varkens- en pluimveebedrijf weer kunnen rendeeren, dan zou bet sprookje van teveel melk beëindigd kunnen worden en zou een intensieve bodembearbeiding onze bevolking weer kunnen voeden, daarbij werk gevende aan honderdduizenden. In Denemarken eischt men rechten trekt met tienduizenden naar den Koning. In Frankrijk broeit het, loopen de boeren ie hoop, erganiseeren ze zich ineen politiek-economische organisatie om ho eronrecht te verwerven. Overal, waar men voortbouwt op oude vermolmde stelsels, zich baseerende op een verminkten vrijhandel en zich richtende naar bevoorrechting van ondernemers en vooral werkers inde secundaire productie ten koste van den boer, den prirnairen producent, groeit d© beweging om boer en platteland weer te plaatsen in het centrum van het Volk, politiek, economisch, sociaal en cultureel. Wij eischen niet. Waarschuwen wél. Indien niet onze Regeering snel ingrijpt en de regeeringspolitiek t.o.v. den landbouw volkomen wijzigt, dan zal het kraken... tot inéén stort en leiden. Dan is de regeering verantwoord e 1 ij k. Dan zal de Nederlandsche landbouw 'óók eischen. Doch voor de massa zal dan de bevrediging niet meer liggen in de wijziging van slechts ©en economisch systeem. G. J. R, Zeeland @ Het is met den graanoogst in snel tempo gegaan. Het buitengewoon gunstige weer heeft daartoe het zijne bijgedragen, maar ook de geest van den tijd is daaraan niet onschuldig. Van ’t snijden met zicht of sikkel is weinig sprake geweest, overal zag men zelfbinders in het veld, vaak daarbij de paarden vervangen door tractoren. Deze laatste machines zijn dikwijls in handen van zoogenaamde loonmaaiers, die inden kortst mogelijken tijd een zoo groot mogelijke oppervlakte willen bewerken, zoodat hier en daar zelfs met de lichten op werd gereden! Het zoogenaamd narijpen op het veld heeft evenmin veel dagen geduurd. De zon blakerde van ’s morgens tot ’s avonds, zoodat al heel gauw het graan naar binnen werd gehaald. Ook deze oogstperiode gaat heel anders dan vroeger. Wel zijn ook nu daarbij alle hens aan ’t dek, maar ’t is zoo’n soort allegaartje geworden. Nog domineeren de boerenwagens, die men al van ver over de wegen hoort rammelen, maar daartusschen rijden ook al enkele vrachtauto’s. Perceelen, die ver van de boerderij zijn gelegen, worden op mijten op het land gezet en aldaar gedorscht. Niet altijd gebeurt dat zelfs en gaat het graan rechtstreeks uit de hokken inde dorschmachine. Met dat al is de oogstperiode belangrijk verkort. Het bedrijfsrisico is daarmede zeer verminderd, terwijl de kosten per H.A. ook gerinegr zijn dan wanneer alles of hoofdzakelijk alles met de hand zou worden gedaan. Dat laatste Is nog altijd een factor, die bij den boer meetelt. De opbrengst per H.A. zal belangrijk minder zijn dan het vorige jaar, we hoorden dienaangaande reeds van 25 pet. Bovendien is de richtprijs der tarwe voor dezen oogst met f 1 per 100 kg. verlaagd, zoodat globaal de geldelijke opbrengst per H.A. ongeveer f 125 a f 130 minder zal bedragen. Dit is geen peulschilletje voor een derde deel van de oppervlakte van het bedrijf, Integendeel, we vreezen, dat daarmede de balans weer naar de verlieszljde is overgeslagen. Deze vrees Is temeer gewettigd, omdat ook de oogst van aardappelen en bieten veel minder zal zijn dan in 1934, Voor bieten nog altijd een garantieprijs beneden de productiekosten en voor aardappelen heelemaal geen richtprijs, wel reeds een heffing per H.A. behaald. We zijn niet blind voor het feit, dat door die mechanisatie de werkloosheid wordt vergroot, maar, het hemd Is nu eenmaal nader dan de rok! Minister Oud zei door de radio: we moeten eerst een gulden hebben, om die te kunnen uitgeven en zoo is ’t ook hier. Men kan gemakkelijk zeggen of schrijven, de machines aan kant, maar maak dan van den landbouw een beschut bedrijf. Dan pas kunnen behoorlijke loonen worden betaald en zelfs meer arbeiders worden Ingeschakeld. Voor boer en arbeider ligt hier een gemeenschappelijk belang, waarom trekken zij niet samen daar voor op?

Hoe behoeden wij ons voor een materiëelen p O en moreelen ondergang •

nationaal bezit, zoo mogen wij volgens onze economen dezen export er niet aan geven. Aan deze stelling ligt o.a. ook de gedachte ten grondslag, dat wij, door nu van de buitenlandsche markt weg te blijven, deze voor altijd aan onze concurrenten zouden prijs geven. Be toekomst zal voor onze meeste artikelen nooit weer de geweaschte vraag door het buitenland brengen. Voorzoover er werkelijk reden bestaat om aan te nemen, dat de vraag naar bepaalde producten tegen loonende prijzen inde toekomst weer zal toenemen, is deze gedachte niet ongezond en als de export dan eens een tijdlang nationale offers vraagt, zijn deze te rechtvaardigen. Doch wie een beetje op de hoogte is van de toestanden Inde landen, waarheen onze producten voornamelijk worden geëxporteerd, zal het met ons eens zijn, dat de toekomst ons voor de meeste artikelen nooit wee» de gewensehte vraag zal brengen. Daarom is het onverantwoordelijk, dat er niet veel meer voor gezorgd wordt, dat de bovenbedoelde stroppen worden voorkomen. De enkeling staat hier machteloos tegenover. Hij kan weliswaar ophouden met te produceeren, doch dan weet hij zeker, dat hij aan de armoede overgeleverd' Is, terwijl hij, zooals gezegd, in het andere géval tenminste nog hoop heeft voor de toekomst en zoo die niet in vervulling gaat, eventueel een kans op financieele hulp va» de Regeering. Dat standpunt is, ook al onder de gegeven omstandigheden, te waardeeren. Doch het ontheft de leidende figuren van ons economisch! bestel niet van den duren plicht om andere toestanden te scheppen, die een dergelijkft wisselvallige onderneming uit de wereld helpen* zulks temeer waar de mogelijkheid hiertoe bestaat en bij een juist inzicht inde huidige; omstandigheden niet eens zoo ver te zoeken is. Onze voornaamste buitenlandsche afnemers zijn Duitschland en Engeland. In eerstgenoemd land wordt er alles op gezet om zich ten aanzien van de meest noodzakelijke levensbehoeften onafhankelijk van het buitenland te maken. En in Engeland is men om om redenen van hoogere politieke orde genoodzaakt zijn dominions (koloniën) een voorkeursrecht als leveranciers in te ruimen, terwijl de inheemsche boeren zelf ook steeds meer om bescherming vragen. Het gevolg vaneen en ander is, dat het Nederlandsche product hoe langer hoe meer op den achtergrond wordt gedrukt en dan nog in verband met de valuta voor minimale prijzen moet worden verkocht. Duitschland werkt hard aan de zelfvoorziening. Wat dit laatste betreft is het met deut afzet naar Duitschland op het oogenblik anders gesteld. Daar worden tegenwoordig, dank zij de binnenlandsche marktordening, zelfs zeer goede prijzen betaald. En als men genoeg deviezen had, zouden we er stellig nog veel meer afzet vinden. Een omstandigheid, welke weer nieuwe hoop wekte en de bovengenoemde

, prijzen ons de producten afkocht. Ik kon > vanavond mijn eieren maar nauwelijks kwijt bij mijn winkelier, en dat voor twee hooi©* centen per stuk. Als ik De okers was. , „Nou Mie, als Jij Deokers was, wat deed Je dan?” t „Zal ik |e zeggen Kees. Deokers, dat Is dej man van den oorlog of wat woord ze er oo&f , voor hebben. In ieder geval, hij was dë opperman over onze kepidragers en van de marinemutsen. Ze zeggen,, dat hij onze Jon' gens een goed hart toegedragan heeft, al bad hij ook geen verstand van ai de sterren en strepen, waarmede hij moest omgaan. Dat strekt den man tot eer, want hij was altijd een boer. Hij weet heel wat van de nooden t en de verlangens van de boeren, want els vooraanstaand man Inde boerenbeweging Ia , het Zuiden, zit hij er goed in. En de dienst* 5 knecht van Ceres, Is niet de slaaf van Mars, L snap je Kees?” , „Jawel, Jawel Mie, maar wat zoiu jij dan s willen?” i „Wel dit. Onze jongens krijgen, uit de keul ken wat hard kommiesbrood met zoo1!! dobbelsteentje margarine, wat ik altijd eenschan’ de vind. Nu zou Ik hun daarvoor melkbrood en onze beste natuurboter inde plaats verstrekken. ’t Zou goed aan de jongens besteed zijn. Dit krachtig voedsel zou hun ook niet Inde Moeren blijven, zitten, maar hun ' lichaam eerst recht fit maken, zoodat da i koonen van onze Jantjes zouden glimmen als .vroeger hun koperen knoop en. Noem,en. ze onze jongens over de rooie streep toch al i niet van „kaaskoppen”?” „Gelijk heb je Mie. Jongens, Je redeneert ' als Brugmans.” ' „Ja Kees, jullie moest mij als propagandist – hebben bij jullie bond. ’t Is jammer dal ik geen kerel ben!” ' „Wou je nog meer Mie, als jij in schoenen stond?”, vroeg ik nieuwsgierig. : „O ja, nog zooveel” zei ze, terwijl ze naar de klok tuurde. „Maar ’t is al bij negenen; het wordt nu ■ mijn tijd dat ik thuiskom. Wat zullen anders i die arme schaapjes van kinderen denken, ais i ik zoo laat weg blijf?” „Och, met die schaapjes valt het nog wel t wat mee, Mie”, zei ik. ,JJaax is toch al een ooilam bij van bij de twintig.” „Och, malie kerel, jij kunt ook nooit In . ernst praten. Nou lui, goeïenavond sa Sm. Tot i een volgenden keer.” t Ze flapte de deux dicht en zeulde weg s met haar hengselmand.

Het is den laatsi«n tijd geen zeldzaamheid als men in zijn dagblad een artikel onder oogen krijgt, waarin gewaagd wordt van vernietiging van groote hoeveelheden bodemproducten, waarvoor zelfs tegen den laagsten prijs geen koopers waren te vinden. Vooral van sommige groentensoorten was een dergelijke vernietiging de laatste weken aan de orde van den dag, en nog voor enkele dagen lazen wij, dat er op de veiling te ’s-Gravenzande groote hoeveelheden bloembollen wegens gebrek aan kooplust moesten worden doorgedraaid. Er steekt in deze vernietigde goederen een groote dosis nationale arbeid, die voor niets is gepresteerd en dns beter voor andere doeleinden had kunnen worden aangewend. Hetzelfde geldt ten aanzien van de voortbrenging van producten, welke tegen prijzen naar het buitenland verkocht worden, die lang niet de productiekosten dekken. Er gaat met deze voortbrenging een groot nationaal bezit verloren, hetgeen thans minder geoorloofd Is dan ooit en dus uit alle macht dient te worden tegengegaan. Dit laatste gebeurt echter niet, althans niet in voldoende mate. Nu kunnen wij natuurlijk niet tevoren, d.w.z. Inden zaaitijd, met eenige nauwkeurigheid zeggen, aan hoeveel gewassen inden oogsttijd voldoende vraag zal bestaan om er redelijke prijzen voor te krijgen. Daarvoor zijn hier te veel factoren in het geding, die wij ten eenenmale niet kunnen overzien. Maar wjj kunnen er wel met stelligheid op rekenen, dat er onder de gegeven omstandigheden nu en waarschijnlijk ook nog inde ko mende jaren weer opnieuw vele producten zullen worden geteeld, die geen voldoenden afzet meer zullen vinden en dus telkens weer nieuwe stroppen voor den ondernemer en nieuwe verliezen voor ons land zullen brengen. Wij schrijven met opzet „onder de gegeven omstandigheden”, omdat wij in het navolgende willen aantoonen, dat dit onder andere omstandigheden zou kunnen worden voorkomen. Waarom zoo vraagt men zich af blijft men dan voortgaam met het verbouwen van producten, waarvan men te voren zoo goed als zeker weet, dat zij niet tegen loonende prijzen zullen worden verkocht? Het antwoord op deze vraag luidt als volgt; inde eerste plaats, omdat de betreffende bedrijven nu eenmaal op de voortbrenging dezer producten zijn ingesteld en Inde tweede plaats, omdat de ondernemer telkens weer hoopt, dat het volgende oogstseizoen hem wel weer beter gezind zal zijn. Ben fn vele gevallen volstrekt valsche hoop, die nochtans van heogerhand haar voedsel krijgt. Want het zijnde leidende economen, die niet ophanden met de stelling te verkondigen, dat wij, hoe dan ook, moeten blijven exporteeren om ons op den duur als zelfstandige staat te kunnen handhaven. Nu zijnde boyera voortbrengsels onze meest belangrijke exportmiddelen. En al kost het, zooals we boven deden uitkomen, ook nog zooveel van ons

Wat Mie Rakels O _er van denkt „Daar komt ze nog”, zei mijn vrouw. Terwijl ik Juist mijn pijp stopte en het weekblad opvatte, dat ik altijd op Zaterdagavond pleeg te lezen, zag ik „ze” voor de ramen van de woonkamer voorbijgaan. „Heb ik het Je niet gezegd vrouw, dat ze nog wel komen zou? Mie mist nooit op een Zaterdagavond.” „Ja man, gelijk heb Je.” De deur ging open en met een „goeienavond sa dm” stapte Mie de kamer binnen. „Laat hé! Of dachten Jullie dat Mie niet meer kwam?” Mie Rakels, onze eenigste buur inde nabije omgeving, voelde zich thuis bij ons. Sinds haar man overleden is, en dat Is wel al een jaar of tien geleden, heeft ze de gewoonte aangenomen om, wanneer ze Zaterdagsavonds uit het dorp komt met haar boodschappen, die ze voor eieren inruilt, bij ons binnen te loopen en al is het maar een half uurtje, een kopje koffie te drinken en daarbij alle nieuws van de week onder de loupe te nemen. 1 Het duurt inden regel niet lang ,of de nieuwtjes, die ze met mijn vrouw bespreekt, gaan over op de belangrijkste gebeurtenissen van de week en dan word ik gewoonlijk ook! in het gesprek betrokken. „Wat zeg Je notu van onzen minister;, Kees?”, vroeg ze mij ditmaal. „Wie meen Je Mie, Colojn?” vroeg ik, werkelijk niet begrijpende wie ae ais „nieuwei” bedoelde, daar we die week zooveel nieuwe en toch geen nieuwe gekregen, hadden. „Och, zeur nou niet. Deckers meen Ik, dat snap jij toch ook wel. Of wil je me ween een loer draaien?” „O, nou begrijp ik Je Mie. Ja, wat zal ik daarvan zeggen.’’ „Jij houdt je ook altijd van den domme. Ik ben er recht blij mee. Nu wordt straks alles veel beter voor ons. In het dorp zeiden ze het ook al. Zoo’n apart ministerie van landbouw was alles voor ons.” ,Zeker, Mie ,dat geef ik de lui gelijk. Dat is ook iets, waarvoor we ons al lang geroerd hebben.” „Ja, dat ministerie is goed. Geloof ik direct. Maar ze moesten meteen het gebouw van dat ministerie maar vol goudstukken gestopt hebben, waarmede de minister tegen goede