is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 4, 1935-1936, no 29, 13-02-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 29 4e Jaarg. 1936

Donderdag 13 Febr.

Maakt regeering en Vol ksve riegenwoord ig i ng Uw nooden kenbaar

I OFFICIEEL ORGAAN VAN DE NATIONALE BOND LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ ■ Weekblad onder redactie van het Dageljjkseh Bestuur. 1 I Alle stukken voor de redactie, alle abonnementen, enz. te zenden aan BUREAU LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ – Tel. 17 • Ruincrwold (Dr.) Alle advertenties aan drukkerij JO, Boom & Zn. te Meppel siro-nr. 6864 – Abonnementsprijs voor leden f 1.50 p. jaar. Niet-leden f 2.50 I

Leert economen en politici den landbouw beter begrijpen

LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ

De bodem vaneen land is het natuurlijke arbeidsveld van zijn bewoners.

nummer bestaat Uit acht bladzijden. EERSTE BLAD. Ingewikkelde problemen en eenvoudige waarheden. *' In. de laatste nummers van „De Vrijheid” bespreekt de heer Belinfante het hoek van Ir. Wiolterbeek: „Nationale Economie.” 2ooals de lezer zich zal herinneren, hebben wij eenigen tijd geleden aan dit hoek een hoofdartikel gewijd. Daarin hebben wij laten uitkomen, dat Ir. Wolfheek een standpunt inneemt, dat aan het onze verwant is. Hij wil, zij het in hiitncr verband, evenals wijdoor heff gen en toeslagen aan de grens het hinnenlandsch prijspeil geheel losmaken van de wereldmarkt en in overeenstemming brengen met een voor onze verhoudingen passend loonpeil. t)e heer Belinfante betoogt nu, dat de Veer Wiolterbeek zich de maatschappij h simplistisch, te eenvoudig voorstelt, Öet is onbegonnen werk, zegt hij, de économische problemen, die ontstaan door de handelingen' van menschen over de geheele wereld en waarbij de meest Verschillende physieke en psychische, mafieele en moreele factoren een rolspeop bevredigende wijze op te lossen' ®h een inzicht in die problemen te krijsen, dat in staat stelt tot constructie Van bruikbare plannen om het economisch gebeuren op meer bevredigende fjze te doen verloopen. In het kort gelegd is de heer Belinf ante van meening, ft de maatschappij te ingewikkeld is, otn die door eenvoudige regelingen weer °P gang te brengen. ÏWüj zijnde tegenovergestelde meening toegedaan. De crisis en de ingewikkelde Problemen, welke zü heeft geschapen, *jju ontstaan door het voorbij zien van eenvoudige waarheden. daarom is het noodig, deze ingewikkelde problemen terug te brengen tot bun ®©nvoudigsten vorm. Men vindt dan de Eenvoudige waarheden terug, welke men heeft veronachtzaamd. En deze eenvoudige waarheden leiden inden regel tot Eenvoudige maatregelen. Het is deze weg, die door Ir. Wiollerheek is gevolgd en zulks lijkt ons juist feezien. Wij willen het in dit verband, hog eens voor de zooveelste maal zegden. dat, om die eenvoudige waarheden tETng te vinden, het economisch denken meer zijn uitgangspunt moet verplaatsen den landbouw. De problemen moe*®n meer worden bekeken dooreen agrajjf chen en minder dooreen industri.eeh bril. Terecht beeft eens een vooraan-sta Kamerlid gezegd, dat een eenvoudige landarbeider of kleine boer de ®conomie vaak beter begrijpt dan menig olniné of schoolmeester. En dit is heel De bewerker van den grond . mt dagelijks in aanraking met de voorten@ende kracht van de natuur en van 11 bodem, waarin de grondlijnen lig, n V|an het geheele maatschappelijke ge°oia\v 'tT , is dan ook boven alles noodig, ■ oni tot economisch herstel te ko- n’ de menschen van hoog tot laag worden doordrongen van eenke| a'"e waarheden, waarvan wij hierenu Zeer belangrijke willen noemen. In . Eerste plaats de waarheid, dat de

landbouw den grondslag vormt van hef geheele economisch leven. Dit is om zoo te zeggen een waarheid als een koe. Wie haar uit het oog’ Verliest, zal nooit tot een juist inzicht in den bouw der maatschappij komen. Daarom echter is het zoo verontrustend, dat zij in intellectueele en. leidende kringen niet alleen uit het oog wordt verloren, maar met behulp van allerlei drogredenen haar juistheid zelfs wordt bestreden. Een tweede zeer belangrijke waarheid betreft den grondslag van het arbeidsloon. Deze is gelegen inde prestatie en niet inde behoefte van den arbeider, zooals een ouder den invloed van stedelijke en industrieel e verhoudingen ontstane opvatting ons wil doen gelooven. Het is de hoeveelheid landbouwproducten, welke de landarbeider onder bepaalde omstandigheden voortbrengt, die het landbouwloon bepaalt. En dit landbouwloon bepaalt weer de hoogte der andere loonen. Verbreekt men de zoodoende ontstaande natuurlijke verhoudingen, dan blijft de maatschappelijke machine stil staan en worden de arbeiders voor een belangrijk deel werkloos. Voor enkele jaren. verkondigde men in vakvereenigingskringen de leer, dat de landbouw-loon en zich aan de stedelijke loonen moesten optrekken. De dwaasheid van deze zoogenaamde rekstoktheorie is wel zeer duidelijk aan het licht gekomen tot groote schade ook van de landarbeiders. Een derde eenvoudige waarheid betreft hef verband tusschen loonen en prijzen. Men kan de loonen wel opvoeren en hoog houden, mits men ook maarde prijzen beheerscht. Inde oorlogsjaren en kort daarna kon men gemakkelijk het loon opvoeren, want de prijzen lieten het toe. De verhooging van het geldloon ging haast van zelf. En men beschouwde die loonsverhooging ook terecht als een natuurlijk gevolg der prijsstijging. Toen later de prijken weer daalden, was men in loon- en salaristrekkende kringen echter den kijk op het verband tusschen loonen en prijzen plotseling geheel kwijt. En dit heeft ons gebracht een groot deel van de ellende, waarin wij thans verfceeren. In nauw verband met het voorgaande staat de verhouding tusschen de loonen en de kosten van het leven. Men draait daarbij vrij wel rond ineen vicieusen cirkel. Men stelt de loonsverlaging afhankelijk vaneen voorafgaande daling van de kosten van het leven, doch vergeet, dat de kosten van het leven hopfdzakelijk bepaald worden door de.hoogte der loonen. En om nu de situatie te redden, wil men dc landbouwende bevolking het gelag laten betalen. Zoo komen wij weer op de cijfers 70—-140—175, En nu doet zich een verschijnsel voor, dal niet alleen voortkomt uit onkunde, maar ook wijst op moreel verval. Onder leiding van personen en bladen, die zich daarvoor toch werkelijk te goed moesten achten, wordt de opvatting gepropageerd, dal de landbouwende bevolking te veel ontvangt en haar belooning de kosten van het leven hoog doet zijn. Het is eenvoudig schande! Wij meenen daarom niet te mogen nalaten ernstig protest aan te teekenen tegen een artikel in Economisch Statistische Berichten van 29 Jan. j.l. van de hand van Ir. Wl. H. van Leeuwen. iWijj lezen daarin weer hel fabeltje, dat de landbouw ruim 200 millioen gul-

Wanneer gij hooger wilt, dan uw kracht gedoogt, dan komt £>e lager neer, dan , waar ge wezen moogt. den steun zou ontvangen. Zou het niet eens tijd worden, zoo willen wij vragen, dat de genoemde schrijver en de leiders van genoemd weekblad meer studie van deze aangelegenheid maakten. Zij zouden dan evenals wij tot de ervaring komen, dat de landbouwende bevolking niet alleen geen steun ontvangt, maar zeker nog 200 millioen gulden te kort komt, om haar arbeid te zien beloond op een wijze, die in dezelfde verhouding staat tot de gemiddelde belooning van andere groepen als voor den oorlog het geval was. (Wij willen dit artikel niet eindigen zonder nog eens te herhalen, wat wij reeds zoo dikwijls schreven, n.l. dat alleen een krachtige en eensgezinde politieke actie tot herstel van het de landbouwende bevolking aangedaan onrecht kan leiden. V\l&eJcovj&uzLcAt. m mjfm Het laatste nummer ïau „De Landpachter” is aanleiding, dat we ons weekoverzicht nu eens willen Wijden aan het pachtvraagstuk c.a. en aan onze verhouding met den Bond van Landpachters. Om te beginnen, willen we ons standpunt in dezen ten overvloede nog eens in groote trekken aan,geven. Landb. en Mij. gaat uit van den eiscb, dat, indien andere groepen van onze bevolking zich' door vakorganisatie en door poiitieke machtsontplooiing hebben beschermd tegen den invloed van vrije concurrentie op de prijs- en loonvorming en indien die groepen blijven vasthouden aan deze bescherming, hetgeen wel niemand zal willen ontkennen, dat dan tevens maatregelen dienen te worden getroffen om die bescherming door te trekken naar de agrarische werkers, om daardoor te geraken tot den toestand, dat men in ons land een belooning van landbóuwarbeid zal kunnen verkrijgen, die in redelijke verhouding staat fot die van eiken anderen nuttigen ar-, beid. Dit voorop gesteld hebbende, vloeit hier automatisch uit voor,, dat men de bescherming niet zal willen, nóch kunnen onthouden aan een zeker deel van de bodembewerkers. Dat laatste nu trachten sommige propagandisten van den Bond van Landpachters hun toehoorders te doen gelooven, door het aldus voor te stellen dat; L. en M. niet wil meewerken tot de noodzakelijke bescherming van den pachter, L. en M. niet wil meewerken tot doeltreffende hulp aan den hypotheekboer, L. en M. -een pacht- en hypotbeekregeling propageert, die den pachter en hypotheekboer in eeuwigdurende ellendig Zal laten verkommeren en daarbij het „grond- en hypotheekkapitaal” doelbewust gaat helpen aan woekerrente, L. en M. den middenstand niet wil saneeren door middel van pacht- en hypotheekwetten, L. en M. den kleinen boer aan zijn 10l overlaat, en dat tenslotte L, en M. de belangen van den landarbeider niet wil dienen, doch hem overlaaf aan de uitbuiting van den werkgever. Het springt direct in hel oog, dat, indien deze propagandisten gelijk zouden hebben met hun beweringen aan ons adres, daarmee dan zou zijn aangetoond, dat L. en M. in dezen een van z’n fundeerende beginselen zou hebben prijsgegeven. Waar haalt men die dingen evenwel vandaan? Bij een snel groeiende organisatie als L. en M., een beweging, die zich in zoo buitengewoon groote belangstelling mag verheugen, van vriend en vijand, ligt het voor de hand, dat men zich hoe langer hoe meer bezighoudt met de. practische toepassing van de beginselen der beweging. Bij die uitwerking evenwel blijft dat beginsel de eenigste leiddraad, waardoor dus deze beschuldigingen op zich zelf al zouden zijn weerlegd. We zullen echter even verder gaan, omdat ons meer en meer blijkt, dat men van zekere zijde opzettelijk ons in dezen gaat bestrijden met oneerlijke middelen. Hoewel wij dezen strijd ongewenscht achten, zal het duidelijk zijn, dat wij niet kunnen zwijgen, wanneer men ; den volke tracht wijs te maken, als zouden wij onze propagandisten o.m. het pachtvraagstuk inde verschillende deelen van het land verschillend laten uiteenzetten, al naar het ’t best met de zienswijze van het gehoor ter

13 FEBRUARI 1865 JAN SMID 1936 71 JAAR.

gaan, dan welt !te ons allen op ©en gevoel van groote bewondering1 en van diepen eerbied voor bet werk, dat deze thans een en zeventigjarige pionier voor ons allen dag In dag uit verricht. Dat dit werk gewaardeerd wordt, fs den heer Smid in het gepasseerde Jaap overduidelijk gebleken uit Öe grooische huldiging hem bereid. 'Wie weten evenwel tê gloed, dat hij niet op huldigingen gesteld is, evenmin als op uiterlijk vertoon. We weten ook, dat men hem het best huldigt door te ijveren voor zijn ideeën. Door hem te steunen bij zijn werk, dat hij' geheel belangeloos verricht op een tijdstip, dat de mee sten rust gaan nemen, I Daarom, laten onze gelukwenschen n!ef alleen woorden blijven, maar laten we door daden toonen, dat we zijn werk respecteeren, dat we voor verwezenlijking van zijn ideeën willen strijden, dat we dus het door hem gestrooide zaad tot ontkieming en tot groei willen helpen brengen om later te kunnen oogsten. DM is het beste cadeau, dat weden jarige kunnen aanbieden. Laten wijl hopen, dat we bij zijn volgenden verjaardag kunnen constateeren, dat de ideeën! van den heer Smid, mede door ons Mler daden, meer en meer ingang vinden, het Nederlandsche volk ten zegen. JAC. TER HAAR. recht voor den eigenaar onaanvaardbaar zijn, omdat in wezen hem het gebruiksrecht van zijn bezit wordt ontnomen, wat des temeer klemt bij het vaststellen van de pacht door derden, ook maatschappelijk gezien is het onjuist. Indien dit continuatierecht waarde zal hebben, en dat is dan toch zeer zeker de bedoeling, dan komt de vraag naar voren, waarom die waarde van dit recht, dat geschenk, dan nu juist moet worden gegeven aan de huurders, die toevallig op het moment van in werking treden der pachtwet, zittende zijn? Waarom niet óók, of in het bijzonder aan de duizenden adspirant-huurders, die nog steeds op een bedrijf zitten te wachten? En voorts, waarom moet wettelijk worden bepaald, dat die toevallige pachter een cadeau dient te ontvangen van z’n even toevalligen verpachter, ongeacht ieders welstand? Zou dit continuatierecht op deze gronden al verwerpelijk zijn, er is nog een klemmende reden tégen een dergelijke regeling en dit is nu eens een argument, dat den huurder zelf betreft. Als de verbindende en verplichte taxatie, die we aanvaarden, resultaat zal hebben en als het continuatierecht van waarde zal zijn, dan heeft dus het recht van pacht op een zeker bedrijf een bepaalde, zéker niet onaanzienlijke waarde. Doch als dit het geval is, en als men in aanmerking neemt de omstandigheid, dat nog geen enkel ontwerp van continuatie zoo ver gaat, dat men de erfopvolging daarbij wil gaan vastleggen, dan zou men dus door het beëindigen van de pacht dat waardevolle recht van pacht opgeven! Het zal duidelijk zijn, dat de pachter dat recht, dat is geworden tot een gedeeltelijk vruchtgebruik voor het leven, nimmer zal laten varen; dat hij pachter zal blijven, zoolang zijn lichamelijke gesteldheid zulks toelaat. D.w.z. dat de duur van de pacht wordt verlengd tot het uiterste, waarvan het gevolg wordt, dat de duizenden wachtenden nimmer een bedrijf zullen kunnen bemachtigen en dat het vooruitzicht van onze aankomende jonge pachters op een bedrijf wel tot een minimum zal worden gereduceerd! Oude boeren op de plaatsen, de jongeren hunkerende naar een eigen bedrijf. Welk een toestand! Hier komt nu juist heel scherp het gevaar naar voren vaneen propaganda voor het ongebreidelde continuatierecht onder pachters. Voor die zittende pachters beteekent invoering vaneen dergelijk recht immers de Onteigening vaneen deel van het grondbezit ten bate van henzelven, hetgeen in onze egoïstische wereld nu eenmaal velen zal trekken.

# Bij de viering van zijn Visten geboortedag bieden we op deze plaats den heer Smid onze hartelijke gelukwenschen aan. Wie vertrouwen in dezen te zijnde tolk van de duizenden' lezers en lezeressen van ons orgaan. Wie verheugen er ons allen over, dat het zeventigste jaar van den heer Smid, ondanks de vele bezigheden, welke van hem gevraagd werden, in uitstekende gezondheid is gepasseerd. Ja, men zou haast zeggen; de heer Smid is in dat jaar nog jonger geworden. Nog jonger in dezen zin, dat hij met jeugdig enthousiasme gedurende het gansche jaar, de jongeren ten voorbeeld, op de bres heeft gestaan voor de belangen van den boerenstand, voor het platteland, daarmede overtuigd zijnde te dienen het algemeen landsbelang. Wellicht zelfs meer dan in eenig ander jaar is gedurende dit laatste jaar een beroep op hem gedaan. Wanneer we denken aan de talrijke redevoeringen, die hij heeft gehouden o.m. voor de G.O.M.v.L. te Deventer, voor de Z L.M. te Axel en te Goes, voor de Jongerein te Leeuwarden, voor groote vergaderingen van eigen organisatie te Groningen, Assen, Alkmaar en Rotterdam, voor het Landihuishondkundig Congres te Apeldoorn en we denken daarnaast aan zijn •werkzaamheden inde Commissie-Van Loon en aan de vele artikels in ons or!■»■■■»■■ – mmmmmmmmmmmmÊÊrn^ÊSSËBB^^SSSSSSSSSSBSSSSSSBES plaatse zou overeenstemmen. Men heeft zelfs den moed gehad ons te beschuldigen van misleiding inzake wat wij ten opzichte van de pachtwet voorstaan! Het volgende moge dan het einde beteekenen van dit gewroet, omdat men dan toch nog eens ten overvloede heeft kunnen lezen, wat wij dan wél noodig achten, om met name deze groepen der bodembewerkers te beschermen. Pachter. Het verschil tusschen wat propagandisten van den B. v. Lp. betoogen en hetgeen wij wenschen, ligt voornamelijk in het continuatierecht. Van de overige belangrijke vraagstukken wijzen we hier slechts op de omstandigheid, dat L. en M. de bescherming van den pachter mede wenscht tot stand te brengen door in géval partijen het overeen huurovereenkomst niet eens kunnen worden, de pachtsom te doen bepalen dooreen deskundige-onpartijdige-pacbtcommissie en daarbij vast te stellen, dat de boerderij nimmer voor een boogeren prijs zal mogen worden verhuurd. Te hooge pacht is daardoor uitgesloten, terwijl tóch de eigenaar de volledige vrije beschikking behoudt over z’n eigendom, behoudens dan het „recht” om te hooge pachten te innen. Is hierdoor de te hooge huur ónmogelijk gemaakt op een rechtvaardige wijze, dan moet men evenwel den huurder óók nog beschermen tegen het ook dan, ondanks uitsluiting der hiiurconcurrentie, nog mogelijk gebleven onredelijk opzeggen van den huurder, hetgeen niet slechts voor dien huurder ongewenscht zou zijn, doch ook voor de te verpachten boerderij bezwaren zou meebrengen, .waarop we hier niet zullen ingaan. Deze bescherming qu wil de B. v. Lp. vinden ineen ongebreideld continuatierecht, d.w.z. in het recht, dat bij het aannemen vaneen zoodanige pachtwet zou worden geschonken aan een heel toevallig op dat moment zittenden pachter, om de pacht te doen voortduren, zoolang men belang stelt in het huren van de boerderij. Het aanhangige wetsontwerp houdt rekening met eventueele onvoorziene gevolgen van dit ingrijpende recht en beperkt het altijd-durende tot 10 jaar Dat wetsontwerp gaat evenwel zoover, dat het zelfs de mogelijkheid uitsluit, dat de eigenaar zelf of z’n kinderen het verhuurde goed zullen kunnen gaan exploiteeren! Men komt dus tot een vorm van onteigening, die slechts zou zijn verantwoord in het uiterste geval, n.l. ,indien er geen andere en betere weg begaanbaar zou worden gevonden. Zou een dergelijk ongebreideld .continuatie-