is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouw en maatschappij; officiëel orgaan van den Nationalen Bond Landbouw en Maatschappij, jrg 4, 1935-1936, no 40, 30-04-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3O APr'l 1936. 4e jaargang. LANDBOUW EN MAATSCHAPPIJ. No. 40. Tweede Blad. i '■ ■ ■ i ■' I : .

INGEZONDEN. Haring of kuit 1 Noe moet Landbouw en Maatschappi „ op politiek terrein optreden Naar aanleiding van de beschouwing var w _ "trouwen medewerker onder den tite garing of Kuit in Landb. en Mij. van 9 Apri 936, wil ik gaarne mijn meening over dr zeggen. Ik stel daar prijs op, omda "l!Jin inzicht zeer sterk afwijkt van dat var ,en schrijver. Als ons Hoofdbestuur de wenj n van dezen medewerker zou volgen, zoi andb. en Mij. spoedig zijn zwaard hebber ' orniP geslagen, alle hoop moeten opgever °g eens een groot gedeelte van onzen hoeenstand in zijn gelederen verzameld te ziet 2ijn politiek werk bepaald vinden tot he' verder versplinteren en krachteloos maker Van den agrarischen invloed inde linksche Partijen. Ik wil dit gaarne nader motiveeren Voor ik daartoe overga, wil ik eersi etuigen, dat ik zeer goed weet en gevoel at men mijn oordeel en inzicht niet overal als onbevooroordeeld en onpartijdig zal aanvaarden. Doordat ik lid ben vaneen part! lid der Tweede Kamer, zullen velen ir , &%! motieven zien of er achter zoeken, een preeken voor eigen parochie. Het is eer van de onaangename zijden van het volksvertegenwoordiger-zijn, dat men dit steeds 'veer ervaart; volksvertegenwoordiger-zijn is voor velen synoniem met verkocht zijn aar Partijpolitiek, persoonlijk voordeel en eer-I Be3ag. Ik laat mij daardoor niet weerhouden ! Wjn inzicht te geven en ik doe dat te gepaster omdat ik hetzelfde inzicht reeds 11 laar lang in het openbaar heb verdedigd fllls lang voordat de Boerenbondsbeweging er was of ik lid der Tweede Kamer. Het groote verschil dat ons hier verdeeld aoudt, is de kijk op onze politieke partijen etl als gevolg daarvan de kijk op de taak Van den Bond Landb. en Mij. De schrijver van het artikel mijn geachte tegenstander ziet een politieke partij a's een partijbestuur en twee Kamerfracties. (üe er met elkaar vóór alles op uit zijn zooveel mogelijk kiezers te vangen en die daar®'n gaarne hun huik naar den meest profijr teUjken wind hangen. In dezen gedachten-Sang is de taak van Landb. en Mij. vooral er Paar te streven zooveel mogelijk kiezers in j hand te hebben en die aan den meest biedende of in ieder geval genoeg biedende Partij toe te zeggen. In dit licht ziet men den politieken strijd dus vooral als een strijd om stoffelijke voorkeien van economische politiek ,vermengd 'hét persoonlijk eerbejag en de kiezer is Pier de persoon, die tracht voor zijn stem Zooveel mogelijk voordeel te koopan, waarhij dan den Bond Landb. en Mij. benut in vereeniging met andere leden als bemachtigde, als commissionair in kiezers °P te treden. Ik zeg deze dingen hier vrij ruw om duidelijk te zijn; hel is allerminst mijn bedoeling er iemand mee te kwetsen of onaangedaan! te zijn of iemands bedoelingen verdacht te maken. Ik zal mij er voor hoeden het politieke ‘dven, dg partijen en de kiezers beter voor stellen dan de practijk is. Politiek en alles vvat daarmee verbonden is, wordt door menden bedreven en het menscheliijke het a' te men schelt jke dikwijls ■— is hier al Pveiimin alleen groot, verheven en nobel als }vaar ook. Persoonlijk eerbejag, schijnheilig'eid en de kunst, woorden te harateeren om bedachten te verbergen, worden ook hier geluiden, evengoed als elders. Maar als nu onze boerenstand zijn invloed Pp dit terrein wil vergrooten, hier metterdaad wil arbeiden en strijden, dan moet dit Pptreden zijn als de frissche wind der velden, zuiverend en opbeurend© het goede en jPet als de zwoele achterdocht, die het vereerde, dat er is, nog meer verkeerd wil P'aken, de man nobele drijfveeren nog verkerken. . Dit laatste nu zou zeker gebeuren als de ?°nd gehoor gaf aan den wenk van, haar f°uwen medewenker en tot de politieke Partijen zou zeggen: dit is mijn doelstelling, djt is mijn systeem van landbouwcrisispoli‘ek. onderschrijft ge een en ander, ja of P®én? Hoewel het er niet bij gezegd wordt, al de medewerker er wel ongeveer deze gorden hij,voegen of denken: ik heb zoo-6el leden, waarvan er ongeveer zooveel partij hebben gestemd. Ik heb op bet dbrengen van hun stem invloed, dus bedenk ,vat het ja of het neen voor U kan beteekßnen! Nu kan men nooit een ander het recht ont-?eSgen hetzelfde te doen wat men zelf meent 6 mogen en te moeten doen. Als nu ook Pdere bevolkingsgroepen hetzelfde doen als 6 boerenbevolking en nu ook de middenj/'hders, de ambtenaren enz., tot de poliyPke partijen komen en zeggen: zoo zijn mijn dScheß, wat is het: ja of neen?, dan is geen pe|: groepen nog een stap verder. De poli- partijen kunnen dan. twee dingen doen. aij kunnen zeggen en dat is de fiere zoo is mijn program, zoo mijn heden, . 0 mijn verleden, toets daaraan uw inzicht (j, 6oe dan wat ge meent te moeten doem! v0 ?e kunnen de groepen gaan taxeeren, de y,°r- en nadeelen van het ja of meen tegen tvaar afwegen en dan ja of neen zeggen! (JP heeft men er toe mee gewerkt om den politieken koehandel op te zetten v heeft in het gunstigste geval een ja van een partij, die na eenigen cO, als dat politiek voordeeliger lijkt Pi-o ,Weer even goed neen kan zeggen. Men Vg z'in kiezers dan weer elders onder-611 en 200 *IOOI'- men ronicl O,P bet poilikfjj6 erf en men vindt het nergens en men nergens invloed en blijft een speelbal avonturiers-ipartijen en onverantwoorde-Vah JPM'IHd. Practisch lijkt daarom de weg . scbr'ijver van het artikel Haring of .rnÜ zonder perspectief te zijn. Men zal Jog lels op bereiken. Maar ik heb er een *®el dieper bezwaar tegen en wel dit; abetpaal in het politieke leven niet inde Htn61 ste Plaats al is het eèn zeer vooronderdeel om de stoffelijke wel-

vaart, maar om het geestelijk en zedelijk heil van ons volk, om het behoud van zijn onafhankelijk volksbestaan, om den rustigeni voortbouw aan zijn eigen aard en de Nederlandsche traditie. Beginselen van zedelijken en geestelijken aard, niet inzichten omtrent de stoffelijke welvaart, vormen de basis onzer partij-groe peering. En zij die het partijleven dragen de leden en hun besturen doen dit niet inde eerste plaats —, omdat zij meenen dat zij daarmee hun stoffelijk belang dienen, maar omdat zij idealen willen verwerkelijken ten bate van ons volk. Een bestuurslid vaneen politieke partij meent het met zijn werk even ernstig en even onbaatzuchtig als een bestuurslid vaneen afdeeling van het Groene Kruis of van welke organisatie ook. Als een organisatie welke op haar wijze streeft naar een geestelijk, zedelijk en maatschappelijk gezond volk, waarbij het geestelijke en zedelijke voorop gaat, zoo moeten wij onze politieke partijen en bewegingen zien, hoezeer zij soms ook bij hun ideaal ten achter mogen blijven. En wij moeten ons vooral hoeden nu nog te willen bereiken dat het stoffelijk belang geheel en al toonaangevend wordt bij de partijgroepeering. Inde eerste plaats zou dat bnvermijr delijk aan één stand alle macht geven, m.I. aan den talrijksten, den arbeidersstand. Maar de menschen worden steeds meer verzadigd vaneen overheerschen van het stoffelijk belang in het leven. De tijd van kracht en stof is aan het kenteren, men wil weer idealen dienen en volgen. Zie onze grootste belangenpartij: de S.D.A.P. Hoe voelt die, dat de kracht van louter materieele idealen plat gezegd: van geen centje meer en een uurtje minder heeft uitgediend en hoe zoekt zij naar een dieper, geestelijk-zedelijk fundament. Is ook de opgang der N.S.B. niet een gevolg van het grijpen, in vele tot nu toe materialistische levens, naar andere nieuwe waarden? Hieruit volgt hu hoe ik de dingen in dit verband wil zien. Niet trachten het politieke leven van den boerenstand op louter stoffelijken grondslag te zetten, maar dén boerenstand opwekken actief mee te leven in het politieke leven van de partij van ieders beginsel. Daar moeten de boer en zijn vrouw, daar moet het heele platteland mee dóén, in de eerste plaats om de beginsel-idealen, die men heeft te helpen verwezenlijken, en verder om te zorgen en te bewerken, dat naast het beginsel öök het belang goed gediend en verzorgd wordt. Groepeering dus op grond vaneen beginsel, niet op dat vaneen belang en de partij niet zien als een consortium, tot exploitatie van de kiezers buiten ons, maar als een stuk van ons zelf, waarin wij rechten en plichten hebben. Slechts een beginsel kan een heel volk omspannen, althans volksgenootén van allerlei beroep, rang en stand, een belang kan dat nooit, maar roept juist allerlei tegenactie op en leidt dus tot een eindelooze splitsing, die allerminst voor den boerenstand zal halt houden, maar zich ook daarbinnen zal voortzetten, zoo gauw men de puntjes op de i moet zetten. Ook onze Bond Landbouw en Maatschappij heeft slechts een toekomst als hij het beginselelement in het politieke leven volledig blijft erkennen en er voor halt houdt. Stel eens, dat de Bond den weg van zijn medewerker zou willen gaan en op dien weg b.v. ook ontmoette de R. Kath. Staatspartij! Tot deze partij worden dan ook de vragen gesteld en nu valt het antwoord uit: neen! Nu moet de Bond op de een of andere wijze invloed uitoefenen op zijn R. Katholieke leden om niet op de lijsten der R.K. Staatspartij te stemmen. Maar dusdoende komt de Bond direct in conflict met het geweten van zijn R. Katholieke leden. Voor dezen kan hèt immers gewetensplicht zijn als het Bisschoppelijk gezag dat eisoht R.K. te stemmen. En dat gewetensconflict zal leiden tot een uittreden van alle overtuigde R. Katholieken uit den Bond en zelfs verder: Tot een bestrijden van den Bond door die R..K. leden., Immers een organisatie die hun in strijd dreigt te brengen met hun geweten, wordt voor hen een kwaad! En hetzelfde geval kan zich voordoen f.a.v. de Anti-Revolutionaire, de Chr, Historische en de linksche partijen, zoowel als b.v. ten opzichte van de N.S.B. Al kennen de eersten geen bindend gezag, vele aangeslotenen zullen een eventueel advies niet op hun partij te stemmen eveneens niet alleen niet volgen, maar daarin ook een reden zién om uit den Bond te treden en deze voortaan te bestrijden. Zijj kunnen en mogen er niet toe meewerken/ dat hun organisatie in het politieke leven het belang wil doen heerschen over het beginsel en zij möèten dat strévên bestrijden. Bij een optreden op deze wijze kunnen er dus inden Bond zooals ik inden aanvang zeide alleen de niet-beginselvasta kiezers overblij.vên, vermoedelijk meest vaii z.g. linkscheii huize en deze kunnen onder den invloed van den Bond op bet politieke schaakbord min of méér worden verplaatst. Maarde Bond zal dan allerminst blijven een nationale beweging en allerminst medewerken tot een blijvende versterking van den invloed van ons agrarisch volksdeel op ■ons openbaar leven. De nationale toekomst van on zen Bond ligt dus inde wijze waarop hij het zelfstandig recht en de volstrekte geldigheid der politieke beginselen zal weten te zien en te eerbiedigen en daarnaast het agrarische sentiment en de agrarische dadenlust der plattelandspartijleden zal weten aan te wakkeren en gaande te houden. De plattelanders moeten dus inde partijen het werk doen em de Bond is het centrum waar zij met het juiste en vurige agrarische gevoel worden uitgerust om inde partijen hunner keuze mede te strijden voor eén gelijk-gérechtigden boerenstand en gelijk-verzorgd platteland in ons volk. Dusdoende zal de oogenblikkelijke politieke invloed van onzen Bond in het politiek gebeuren misschien niet zoo groot zijn als wanneer hij zich met zijn volle gewicht inden strijd gaat werpen. Maar binnenkort zal die invloed zeker stijgen en derü agrarischen invloed veel hechter fundeeren. Heeft men de leden zooveel mogelijk als lid inde partij, dan kunnen zij op elke vergadering hun invloed aanwenden en hun recht bepleiten en zich een eigen plaats veroveren. Doet men het van buiten af, dan is de gelegenheid er slechts om de vier jaar bij een verkiezing en is zij veel minder

blijvend. Dus het hoofddoel van den Bond op bei politieke terrein zij: actieve, agrarisch-voelende leden binnen de partij, waarbij de Bond is als een retraite, waar het agrarische sentiment en de agrarische daden-lust steeds weer wordt versterkt. Dusdoende kan mer buiten principieele conflicten blijven met dc leden en kan men uitgroeien tot een in waarheid Nationalen Bond, die krachtens zijn doel en zijn beleid een beroep kan doen op alk Nederlandsche boeren, zonder onderscheid ir geloof of politieke richting en die met niemands geweten in conflict behoeft te komen Nu moet ik nog enkele bezwaren onder de oogen zien, die tegen mijn inzicht zullen worden ingebracht en daarom ingaan op de volgende beschouwingen: 1. Andere groepen hebben ook invloed uitgeoefend op de politieke partijen, b.v. de vakverenigingen. Dit is inderdaad een feit Maar wij moéten hier niét vergeten, dat dié andere groepen dat deden ineen tijd, dat de boerenstand de waarde van politieken invloed nog geheel verwaarloosde. Hiervoor moet bij nu boeten en hij kan den achterstand niet met zevenmijlslaarzen inhalen of door revolutiebouw goedmaken. Gestage, vastberaden arbeid moet het doen in vele jaren van ingespannen toewijding. En bovendien hebben de arbeiders én andere groepen dien invloed niet zoo zeer aangewend door dwang van buiten als door invloed van binnen inde partijen. Ook is dié vakbeweging gesplitst naar enkele groote politieke en godsdienstige stromingen: de moderne, de R-K. en de Christelijke vakbeweging: daardoor kan zij veel soepeler en inniger met hun eigen geestverwante partijen samenwerken. Ook vóelt men in onze kringen dèn groeten invloed van handel, industrie en die der stedelijke intellectueelen. Naar mijn gevoelen èn ervaring is* die invloed niet zöo zeer een gevolg van bewust optreden van die groepen als georganiseerde eenheden, maar meer een gevolg van onze nu eenmaal zoo gegroeide openbare meening. Dat is zeker niet gebeurd zonder onze schuld, zonder onze vroegere lakschheid. Laten wij dien achterstand zoo welbewust mogelijk inhalen; L. en M. is daar metterdaad mee bezig. 2, In Onzen Bond, in ons streven naar een gelijkberechtigden, talrijken gelukkigen boerenstand liggen zoovele idealen, dat ik daarnaast aan andere idealen geen behoefte heb. Als ik deze, mijn agrarische idealen kan helpen verwezenlijken, vraag ik niet naar andere of neem ik al het andere op den, koop toe. Deze gedachtengang heeft het bekorende en meesleependé van alle jong idealisme. Zoo hebben de vurige socialisten, de drankbestrijders, de strijdsters voor vrouwenkiesrecht, de volgers van Bellarny gesproken en geschreven of spreken en strijden zij nog. Ik wil de waarde en de diepte dier agrarische i'Jeaku allerminst ontkennen, ik weet, dat zij (He zoo spreken, eerlijk overtuigd zij, dat zij zoodoende, ook hun volk het beste dienen. Deze idealen vormen mede de kracht waaruit ik zelf mijn openbaar leven leef en, hoopte leven, zoolang gelegenheid en kracht mij gegeven wordt. Maar bij alle waardeering van deze zienswijze: Zij kan niet de geheele natie omspannen en zij doet wezenlijk tekort aan andere groote idealen, die voortvloeien uit andere levensgebieden: demi godsdienst, de school, het staatsbestuur met zijn actueele vragen van democratie of dictatuur etc. En daarom kunnen deze agrarische idealen niet alleen richting en beleid bepalen, wij moeten ze in grooter verband met anderen mee zien te verwezenlijken!. Daarom moeten wij .ons met onze agrarische idealen niet afzonderen in aparte politieke groepen maar er mêe ons volk in trekken en trachten ze uitte leven tusschen onze mede-,leden der partij, als een zoutend agrarisch zout. 3- Het gaat inde politiek om de macht en wij moeten door eensgezinden druk op de partijen, zien inde beide Kamers minstens de helft plus één voor ons doel te winnen. Uit het voorgaande blijkt wel, dat ik niet geloof, dat door op te treden als de getrouwe medewerker wil, ooit deze machtspositie voor onzen boerenstand zal bereikt worden. Juist hét tegendeel; een geïsoleerd, zwak agrarisch groepje. Maar men moét het machtselement inde politiek zeker niet onder- maar ook niet overschatten. Ineen gewone vereendging regeeren de leden en zij, wijzen als hun vertrouwensmannen en als uitvoerders van hun inzicht de besturen aan. Zoo is het niet met dé verhouding: volksvertegenwoordiging —Regeéring. De Kamers vertegenwoordigen het volk, de Kroon benoemt de ministers en deze beide lichamen moeten samenwerken en daarom moet er overeenstemming zijn omtrent de hoofd lijnen van het beleid.’ Maar de Regeering is niet de uitvoerder van den wil der Kamer, dat zou de zoo verwerpelijke volkssouvereiniteit inhouden. Het is eerder zoo; de ministers regeeren en zij moeten hun beleid zien goedgekeurd dóór de Kamérs. Daarom spreekt naast het machtselement ook het overtuigingselement een groote rol. Ineen gewone vereaniging wordt ook niet vaak gestemd; men komt door ovérleg bij elkaar. Zoo is het inde Kamers ook. Daarom moet men zeker de machtsontwikkeling niet veronachtzamen, maar vooral ook niet den weg der redelijke overtuiging via het gesproken woord, de pers en de adressen. Ik wil hét zoo zeggen: wij moeten ook in de politiek macht ontwikkelen, maar wij, moeten ook er naar streven dat onze openbare meening de verlangens van ons platteland als redelijk, billijk en de ai.gemeene welvaart bevorderend lêert zien. Inwilliging van die verlangens zullen wij alleen verkrijgen als wij beide invloeden naast elkaar opbouwen. Wij zullen dat alleen kunnen als wij óveral eigen menschen, die minstens even bekwaam, toegewijd en strijdbaar zijn als die, welke uit andere groepen naar voren komen tusschen de anderen in hebben, ook inde politieke partijen. Onze strijdwijze zij die der vreedzame doordringing, niet die der vereenzaming, met andere woorden gezegd: penetratie en geen isolatie. Het bovenstaande was al geschreven toen ik in L. en M. van 16 April het artikel: de Boer en de Politiek, las. Met dezen geachten schrijver ben ik geheel eencs goestes, zooals

uit den inhoud onzer stukken blijkt. Verder voeg ik er gaarne aan toe, dat mijn beschouwing geen critiek inhoudt of bedoelt te zijn op de geste van het Hoofdbestuur van Landbouw en Maatschappij; ik geloof dat dit Hoofdbestuur in groote lijnen denzelfden kijk op deze dingen heeft als ik hier heb trachten te geven. Het betreft hier dus meer een gedachten-wisseling van belangstellende leden onderling en geen debat met het Hoofdbestuur. H. D. LOUWES. Westpolder, Ulrum. Onderschrift. Bij bovenstaand artikel, mij door de Redactie ter kennisneming gezonden, wil ik het volgende aanteekenen. De heer Louwes raakt hier een zeer belangrijk punt aan, waaromtrent de inzichten onder de leden van L. en M. nog wei eeniga verheldering behoeven. Het betreft de verhouding tusschén machtsvorming en overtuiging. De schrijver van het artikel „Haring of Kuit” légt m.i. tê veel het gewicht op de machtsvorming én vergeet te zeer, dat overtuiging een veel grbotere rol speelt. Ik gevóel dan Ook meer voor het standpunt van den beer Louwes èn van den schrijver van het artikel „de Boer en de Politiek” in L. en M. van 16 April. Er bestaat m.i. een wederkegrig verband tusschén machtsvorming en overtuiging. Ofschoon ik over de politieke partijen misschien minder gunstig denk dan de heer Louwes, is het aan den anderen kant onjuist, te veronderstellen, dat bij vele vertegenwoordigers van die partijen overtuiging niet een groote rol speelt. De individuen staan moreel inden regel hooger dan de vereeniging, waartoe zij belmoren. Dit wil zeggen, dat in véreeniging mét anderen ménig individu daden verricht, waarvan gewetensbezwaren hem zouden terughouden, indien hij alleen moest handelen. En nu zie ik den toestand aldus. Om de politieke partijen èn de politici te overtuigen, dat de landbouwende bevolking haar eischen grondt op rechtvaardigheid en algemeen belang, is het noodig, dat zij naar ons luisteren En dit doen zij niet, zoolang niet een zekere machtsvorming, die gevaar op kan leveren voor de partij, daartoe dwingt. De machtsvorming behoort dus in dienst gesteld te worden van de overtuiging en verliest daardoor haar materialistisch karakter. Aan dén anderen kamt hangt de machtsvorming ook weer voor een belangrijk deel af van de overtuiging, welke wij bij andere groepen weten te wekken, dat de belangen, welke wij voorstaan, tenslotte ook hun belangen zijn. Alles wel beschouwd, ben ik ook dit met den heer Louwes eens, dat L. en M. als organisatie niet inde eerste plaats een soort koehandel moet drijven in stemmen. De ervaring heeft mij geleerd, dat wij ons moeten bepalen tot het voorlichten van onze leden en aan de politieke partijen over laten, hoe zij met die door ons voorgelichte kiezers klaar willen komen. Wij behoeven dan alleen politiek van hoogere orde te voeren en ons niet te bezoedelen aan de politiek van lagere orde. Naar mijn meening zal L. en M. langs dezen weg den grootsten invloed uitoefenen. Sm. Van Reizen en Trekken. 8. Nu naar de wijnfabriek, een groote coöperatieve onderneming, direct bij het station Paarl gelegen. Be chef-boekhouder ontving me zeer hartelijk, maar toen hij vernomen had, dat ik een Hollander was, bracht hij mij bij den bedrijfsleider, een oud-Hollandcr. „Daar heeft u niet alleen meer aan, maar hij zal ook blij zijn een oud-landgenoot te ontmoeten en kan u daarenboven nog beter inlichten omtrent het bedrijf.” ’t Was een joviale Noord-Brabander, de heer Goossens, die zelf keurt en aan het hoofd staat van het laboratorium. Tijdens de wandeling door de groote ruimten vertelde hij mij, dat de druiven op de diverse boerderijen geperst werden en alleen het sap in vaten hier werd geleverd. Hier heeft de keuring plaats, wordt het sap gesorteerd, naar kwaliteit en gewenschte soort gemengd, en komt dan weer in andere vaten. Zoo waren er vaten van 500 tot 200.000 liter inhoud, een hoeveelheid om van te duizelen. Om eenig begrip van deze groote hoeveelheid heerlijk drinken, hier opgeslagen, té geven, noem ik jde volgende getallen: 16000 vaten van 500 liter, 600 vaten van 12.000 en 250 tanks van 60.000 liter: 8 reuzenvaten van 100,000 liter en nog 8 inden maak van 200.000 liter. Hoe groot de hoeveelheid is, die, zoo pas van den boer aangevoerd, in sorteering en bewerking is, weet ik niet meer! De vaten zelf wérden in Frankrijk gemaakt, Zuid-Afrika had er geen goed hout voor, en de Franschen waren ervaren kuipers(!) Maar zien is wat, proeven is beter! En zoo mocht ik met de hand scheppen uiteen tank van naar ik meen 60.000 liter! Aan een boom zoo vol geladen, mist men vijf, zes pruimen niet. Ze was goed! Na alles zoowat gepasseerd té zijn, móesten we in dé ruime, moderne ontvangzaal wat pauzeerèn èn de wijn tevens keuren, wat na zoo’n langen, interessanten tocht niet ongelegen kwam. Niet alleen wijn van diverse merken, maar ook cognac, brandewijn, alcohol, tot zelfs eau de cologne toe, werd hier gemaakt, en ’t mooiste er van was, dat do zaak „gezond” was, en de boeren tevreden waren met den behoorlijken prijs, dia hun werd uitgekeerd voor hun product, aldus de heer Goosséns. De tijd van vertrek was réads lang daar, maarden gullen gastheer, die me als een wedergevonden vriend had ontvangen, moest ik beloven, zoo eenigszins mogelijk, op mijn terugreis van Transvaal naar Kaapstad, Paarl weer aan te doen, om mijn indrukken van Zuid-Afrika hem eens mede te deelén. Bij ’t uitleiden riep hij iemand van de controle aan: „Zeg, Kupkes, familie over uit Holland!” De aangesprokene kwam terstond met beide handen op me toe. Hij was uit Dieren afkomstig

en vertelde me in ’t kort zijn wedervaren; had hier een goede betrekking en vond het hier nog mooier en beter dan in ’t mooie, gulle Gelderland! ’k Moest vooral weer terug komen en meer tijd hebben om te praten. Met de aangenaamste herinneringen, vooral ook aan den heer Zuidmeer en de familie Bester, heb ik Paarl verlaten en zal Paarl voor mij eender paarlen blijven van Zuid-Afrika. SEMMELINK. . De wordingsgeschiedenis van het Nederlandsche Volk. _ ; , 16. Onze gewesten onder het Bourgondische Huis. In 1433 komt de macht inde Hollanden en Utrecht, waar zijn zoon David bisschop wordt en geleidelijk ook inde andere gewesten, in handen van Philips van Bourgondië. Voor het volk inde steden breekt nu een gouden tijd aan. De wereld dier dagen krijgt een geheel ander aspect door de uitvinding van het buskruit. Dit leidt de strijdwijze in geheel andere banen. Verder is van groote betcekenis de uitvinding van de boekdrukkunst, die meehelpt aan een snellere verbreiding van nieuwe gedachten en wat later inden tijd der Hervorming (1517) den bijbel onder oogen vaneen grooler deel der menschen brengt. Philips’ zoon, Karei de Stoute, wilde zijn macht steeds meer uitbreiden en ’t oude rijk van Lotharingen weer herstellen. Behalve de Frieslanden, bezat hij al onze gewesten, doch toen hij ook de vrije Zwitsersche boeren wilde onderwerpen, werd hij tot twee maal toe verslagen. Hij sneuvelde in 1477 bij Nancy. Bij zijn dood list hij zijn landen na aan zijn dochter Maria van Bourgondië. De Nederlanden probeerden zich nu los te maken van de vreemde heerschappij, die zware belastingen had gevraagd en de soldaten tegen de geldende rechten buiten de landsgrenzen had gevoerd. Doch Maria trad in ’t huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk, den lateren Duitschen keizer en deze ds opstandiger! te bedwingen. In ’t jaar 1492 kwamen in Holland de boeren in opstand. In hun vaandel droegen zij een kaas en een brood als de minimum-eischen, die ze stelden, terwijl ze zich tevens wilden bevrijden van de zwaar drukkende belastingen en hoogcre graanprijzen vroegen, ’t Gelukte hun zelfs Haarlem in te nemen, doch bij Leiden werden ze door Aelbrecht van Saksen, veldheer van Maximiliaan, verslagen. Ook inde oostelijke provincies kwamen boerenopstanden voor. In ’t Noorden woedt heftig de Strijd tusschen de Scfaieringers en de Vetkoopers. Philips de Schoone, uit ’t Oostenrijksche Huis, en Aalbrechf, hertog van Saksen, sluiten 'nu een overeenkomst om deze landen te onderwerpen en da voordeelen onderling te verdeelen. De Saksische benden vallen nu in Groningerland, weten de verbondenen te scheiden, en Friesland wordt onderworpen (1499. De Groninger ommelanden, die in schijn den bisschop van Utrecht erkenden, worden in 1502 onderworpen doorgraaf Edzard van Oost-Friesland. Daarna heerscht Joris van Saksen met zijn zwarte bende in ’t Friesche land en wordt er heftig bestreden door Groote Pier, vroeger boer bij Kimswerd (nabij Harlingen), doch later, toen zijn hoeve door de zwarte bende werd verwoest, werd hij aanvoerder der Geldersche, Groningsche en Friesche partij en doet met eenige roofschepen de Saksers en de Hollanders afbreuk, om zoodoende het hem aangedane onrecht duchtig te wreken. Wij zullen ons verder met deze eeuwige twisten niet bezighouden, die vooral den boer in diepe ellende dompelen, daar de hoeven worden verwoest en geplunderd, de velden vertrapt of niet bebouwd. Het is dan ook gemakkelijk te begrij1- pen, dat de boeren, die het meeste leden onder de wereldsche macht der kloosters en der bisschoppen (al waren ze dan geen slaven meer, doch die de vruchten van hun arbeid grootendeels moesten afstaan aan de geestelijken, die in die dagen een goed en lui leventje leidden), zich van de verworden katholieke instellingen afwendden en zich keerden tot de meer tot hen sprekende leer der Hervorming. Ds Wederdoopers. De meest radicale elementen verwachtten heil van dc Wederdoopers. die een nieuw Godsrijk op aarde willen stichten. Oostfriesland is de bakermat van deze sêcté, die te vergelijken is met die van Thomas Münzer. Hun aanhangers vindt men al gauw over de geheele Nederlanden en vooral onder de verdrukte boeren, die uitgeput zijn door de eeuwige woelingen. Hun aanvoerders waren Mclchior Holimann en Jan Trijpmaker. Ook in Haarlem, waar Jan Matthijzen aanvoerder werd na de onthoofding van Trijpmaker, en in Amsterdam Verwierven ze aanhang, zonder de macht te kunnen verwerven. Wel veroverden ze in 1532 Munster en verdreven den bisschop. Toen bij een uitval op de belegeraars Jan van Haarlem sneuvelde, werd Jan van Leiden er ..koning van Sion. Münster was nu ’t centrum der opstandelingen, doch in 1535 komt do stad weer in handen van den bisschop. Dat was ’t einde dor We'derdoopers. Velen der Wederdoopers sluiten zich nu aan bij den meer gematigden Menno. Simons, eerst katholiek priester in Witmarsum. Ze noemden zich Doopsgezinden, doch werden eveneens als ketters vervolgd. In dezen tijd is Karei V heer der Nederlanden en brengt met Gelderland (1543) alle gewesten onder zijn heerschappij. Hij is een streng bestrijder van de Hervorming en ettelijke Nederlanders moeten hun leven laten voor hun overtuiging. Zijn zoon Philips de Tweede treedt inde voetsporen van zijn vader en stuurt in 1567 Alva om ons vaderland te onderwerpen. Dan begint in 1568 onze groote strijd voor vrijheid van geweten en voor eigen volk. (Wordt vervolgd).