is toegevoegd aan je favorieten.

De tuinbouw; officieel orgaan van den Nederlandschen Tuinbouwraad, jrg 1, 1913, no 4, 31-01-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een exemplaar ontwerp met toelichting ontvangen van Gebr. Belinfante, boekhandelaars te ’s-Gravenhage.

De voornaamste bepalingen zullen wij hier laten volgen. Deze wet verstaat onder landarbeid alle werkzaamheden in of voor eene onderneming van landbouw, tuinbouw of boschbouw dan wel in of voor eene veehouderij, behalve : a. eikschillen, teenschillen, hoepelmaken en werkzaamheden in lokalen, waar vlas gebraakt of gezwingeld wordt; b. werkzaamheden, in of voor eene onderneming verricht door een persoon, die bij het hoofd of den bestuurder der onderneming inwoont, voorzoo ver zoodanige werkzaamheden ook buiten eenige onderneming in eene huishouding plegen voor te komen;

c. werkzaamheden, in of voor eene onderneming verricht door een echtgenoot, kind of pupil van het hoofd of den bestuurder der onderneming.

Verder verstaat de wet onder:

ö. jeugdige personen: personen beneden zestien jaar;

b. vrouwen: vrouwelijke personen van zestien jaar of ouder.

Een kind beneden dertien jaar of nog leerplichtig, mag geen landarbeid verrichten.

Bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen bepaalde soorten van landarbeid worden aangewezen, die mogen worden verricht door een kind beneden dertien jaar of nog leerplichtig, dat zijn tiende jaar voleindigd heeft. Daarbij worden aangewezen de voorwaarden waarondei' zoomede de streken des lands, de tijden des jaars en de takken van bedrijf, waarin die soorten van landarbeid mogen worden verricht.

Jeugdige personen en vrouwen mogen, behoudens de uitzonderingen, bij algemeenen maatregel van bestuur bepaald, geen landarbeid verrichten van des namiddags negen uur tot des voormiddags vijf uur.

Eene vrouwelijke persoon, die gehuwd is, of die, ongehuwd zijnde, eene huishouding te verzorgen heeft en van dit laatste aan het hoofd of den bestuurder der onderneming heeft kennis gegeven, mag, behoudens in de gevallen, bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen, geen landarbeid verrichten:

a. gedurende twee uren achtereen tusschen elf uur voormiddags en drie uur namiddags;

b. des Zaterdags na 1 uur des namiddags.

Eene vrouwelijke persoon mag geen landarbeid verrichten binnen vier weken na hare bevalling.

Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald, wat met inachtneming van de nadere schriftelijke voorschriften, door het districtshoofd der arbeidsinspectie gegeven, bij het verrichten van landarbeid moet worden aangewend:

a. tot het bevorderen van zindelijklieid; h. tot het bevorderen van eene dragelijke temperatuur; c. tot het verwijderen van schadelijke dampen, gassen of stof; cl. tot het voorkomen van ongevallen en van gevaar voor de gezondheid; e. tot het verschaffen van hulp bij ongevallen; f. tot het verschaffen van goed, diinkbaar water. De nadere schriftelijke voorschriften worden door het

districtshoofd der arbeidsinspectie gegeven, krachtens den algemeenen maatregel van bestuur, uitgevaardigd, ingevolge dit artikel en betreffen de wijze van uitvoering van het daarin bepaalde.

Het hoofd of de bestuurder van een onderneming is verplicht te zorgen, dat in een open of besloten ruimte, die bij hem in gebruik is of waarover bij de beschikking heeft, geen landarbeid wordt verricht in strijd met het hiervoor bepaalde.

Aan de verplichting van het hoofd of den bestuurder en van het opzichthoudend personeel wordt geacht te zijn voldaan, wanneer zij aantoonen, dat door hen de noodige bevelen zijn gegeven, de noodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijze te vorderen toezicht is gehouden, om de naleving te verzekeren van de bepalingen, voor welker naleving zij verplicht waren te zorgen.

Het hoofd of de bestuurder van eene onderneming en de daarin werkzame personen zijn verplicht aan de bevoegde ambtenaren de verlangde inlichtingen te geven, omtrent zaken en feiten, de naleving van deze wet betreffende.

Overtreding van het hiervoor bepaalde, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig gulden.

Indien tijdens het plegen van het feit nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige, wegens overtreding dezer wet, onherroepelijk is geworden of de hem wegens, zulk een overtreding opgelegde boete is betaald, kan hechtenis van ten hoogste acht en twintig dagen of geldboete van ten hoogste honderd en vijftig gulden worden opgelegd.

Met het opsporen van de strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de marechaussee, alle ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie, alsmede .de in artikel 17 der Arbeidswet 1911 bedoelde ambtenaren.

Deze ambtenaren hebben toegang tot alle plaatsen, waar landarbeid verricht wordt of pleegt verricht te worden of ten aanzien waarvan redelijkerwijze vermoed kan worden, dat aldaar landarbeid verricht wordt.

De veld- en boschwachters, de beambten der marechaussee, niet zijnde hulpofficier van justitie, en de ambtenaren van Ri.jks- en gemeentepolitie beneden den rang van inspecteur der Rijks veld wacht en van Commissaris van politie behoeven daartoe, voor zoover hun de toegang niet uit anderen hoofde vrijstaat, een schriftelijken, bijzonderen last van den burgemeester of van den kantonrechter. Aan de in den voorgaanden volzin bedoelde beambten der marechaussee en ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie kan, voor zoover hun de toegang niet uit anderen hoofde vrijstaat, een algemeene, schriftelijke last worden verstrekt, die, behoudens intrekking, tusschentijds, van kracht is voor den tijd van drie maanden. Deze last wordt verstrekt aan beambten der marechaussee en aan ambtenaren van Rijkspolitie door den kantonrechter onder goedkeuring van den procureur-generaal, fungeerend directeur van politie, aan die van gemeente-politie door den burgemeester onder goedkeuring van den Commissaris der Koningin.

H- W. G. D.