is toegevoegd aan je favorieten.

De tuinbouw; officieel orgaan van den Nederlandschen Tuinbouwraad, jrg 1, 1913, no 24, 13-06-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brief schreef. Sinds dien, heb ik, in mijne betrekking, een groot aantal kweekerijen bezocht en bevonden, dat in vele van deze, zoo goed als al de pruimen zijn „gaan loepen”, en dat in andere slechts op oen derde van een gemiddelden oogst kan gerekend worden. Ik vrees, dat over het geheele land, de stand van zaken, wat pruimen aangaat, voor den Engelschen kwoeker dit jaar niet veel meer dan een derde van een midden gewas doet verwachten.

Appels, die er eenmaal zoo goed uitzagen, hebben bij hoepen hunne pas gezette vruchtjes laten vallen, voornamelijk, naar ik meen, tengevolge van de buitengewone warmte in Mei, meer dan door iets anders. Dit is altijd mijne bevinding geweest, na verzengende hitte in de Meimaand. De appels zijn sterk verminderd en terwijl de stand van enkele soorten zooals „King of the Pippin”, „Newton Wonder” en eenige andere vrij goed is, zullen vele boomen minder dan een middengewas opbrengen en een groot aantal in ’t geheel niets.

De zal veel minder zijn dan gewoonlijk, en in vele aanplantingen zijn er zoo weinig van deze vruchten overgebleven, dat zij nauwelijks het plukken zullen betalen; daartegenover staat dat op andere kweekerijen de stand goed is. Naar wat ik gedurende dezen tijd zelf gezien heb en afgaande op berichten, die ik ontvangen heb, zullen, mijns inziens, de kruisbessen niet meer dan de helft van een goed gewas kunnen oplevei en, dit jaar.

De aardbeien beloven veel meer, maar ben ik bang, dat, tengevolge van de koude, de vroege soorten achterlijk zullen zijn en daardoor tegelijkertijd met de latere aan de markt zullen komen. Door het buitengemeen natte weder van verleden jaar, hebben de trossen zich niet zoo gevormd als wel gewenscht was. De „öcarlet” en de „Stiiiing”, die voor inmaak gebruikt worden, staan er, voor zoover als ik kan oordeelen, goed voor en beloven een goeden oogst.

Over peren behoef ik niet uit to weiden, daar deze zoo goed als overal mislukt zijn.

De /’ra)w&o2enscheuten zien er op het oogenblik heel goed uit, maar in de meeste aanplantingen zijn zij, tengevolge van het zeer natte najaar, niet zoo groot als gewoonlijk en zal het gewas, hoewel goed, toch evenredig minder opbrengen. In sommige kweekerijen zijn de scheutjes vroeg afgestorven, door den natten winter waarschijnlijk.

De stand van ztoaHe bessen is in sommige aanplantingen zeer goed, in andere daarentegen zijn ze „gaan loepen”, waarvan het warme weder in Mei de schuld zal zijn. Men verwacht een half gewas; tengevolge van de verwoestingen door de „rondknoppen” veroorzaakt, zijn er tegenwoordig niet meer zooveel of zulke uitgestrekte aanplantingen van deze vruchtsoort.

Roode bessen beloven een vrij goed gewas op de meeste plaatsen, hoewel ze op enkele kweekerijen zijn „gaan loepen.” Deze cultuur wordt van niet zooveel belang meer geacht als vroeger wel het geval was.

Boomkweekerij.

Nieuwe bepalingen voortvloeiende uit de Plantenziektenwet der Vereenigde Staten.

Het is wellicht niet algemeen bekend, dat in de op 1 October van het vorige jaar in werking getreden plantenziektenwet, op 20 Maart j.l. nog een bepaling werd ingelascht, waarbij ten behoeve van proefnemingen of voor wetenschappelijke doeleinden, door het Departement van Landbouw, onder zekere voorwaarden tuinbouwvoortbrengselen, waarvan de invoer in de Vereenigde Staten ten gevolge van de bepalingen dier wet verboden is, toch zullen kunnen worden ingevoerd. Alhoewel voor de Nederlandsche boomkweekers niet van direct belang, wilden wij volledigheidshalve deze nieuwe bepaling vermelden.

Intusschen ontvingen wij dezer dagen de laatste „Rules and Regulations” met de bovengenoemde wet verband houdende en wel die, welke op 26 Mei j.l. werden uitgevaardigd.

Allereerst wordt daarin eene nadere definitie gegeven van hetgeen onder „nursery stock” te verstaan is en behoort aan Regulation 2 van 25 September te worden toegevoegd:

„Fruit trees, fruit-tree stocks, nut trees, grapevines, bush fruits, roses, rosé stocks, forest and ornamental trees and shrubs, (both deciduous and evergreen), fieldgrown tlorists’ stock, cuttings, scions, or seedlings, fruit pits and other seeds of fruit and ornamental trees or shrubs, and other plants and plant products for propagation not otherwise listed, except as noted above.”

Voorts: „Herbaceous plants are plants which perish annually down to (sometimes including) the root; that is, soft, succulent plantos.”

In de aanvrage der „permits” zijn enkele wijzigingen gekomen. Zoo vraagt de importeur ze niet meer aan bij den „Secretary of Agriculture” maar bij de „Federal Horticultural Board”. Ook kunnen „permits” worden ingetrokken of verdere „permits” geweigerd worden voor den invoer van tuinbouw voortbrengselen herkomstig van kweekers of exporteurs, die zulke producten, waarvan de invoerverboden was, toch hebben trachten in te voeren.

Enkele wijzigingen zijn echter van zeer veel belang. Zoo behoeft de aanvrager van een „permit” niet meer op te geven de hoeveelheden of den aard der onder „nursery stock” behoorende planten enz. Alleen van coniferen beboeren de wetenschappelijke namen te worden opgegeven.

Intusschen moet de importeur later, zoodra de zending aankomt, de volledige opgaven verstrekken, die hij vroeger reeds bij de aanvrage van het „permit” ter kennis der autoriteiten moest brengen.

Deze nieuwe bepaling is voor de importeurs en indirect voor de kweekers in ons land, die belang hebben bij een levendigen uitvoerhandel, van groot belang, want hierdoor kunnen, zonder nieuwe „permits” aan te vragen, nabestellingen worden gedaan, die, ieder kweeker weet zulks, dikwerf zeer belangrijk zijn.

Ook de consulaire verklaringen zijn afgeschaft, waardoor veel werk en moeite bespaard wordt.