is toegevoegd aan je favorieten.

De tuinbouw; officieel orgaan van den Nederlandschen Tuinbouwraad, jrg 3, 1915, no 9, 05-03-1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grepen te hebben, om xoelke verantxcoordelijkheid het hier gaat.”

Een paar dagen te voren had de Minister van .Justitie in gelijken zin gesproken, en in de vorige maand heeft de Ministei' van Buitenlandsche Zaken in de Eerste Kamer zijne in de Tweede Kamer afgelegde verklaring in nagenoeg dezelfde bewoordingen herhaald.

Ondanks de gezaghebbende stem van deze Ministers, zijn de bladen, die door hen tot de uitzonderingen werden gerekend, doorgegaan op den eenmaal gekozen weg, terwijl de uitzonderingen zeker niet geringer zijn geworden. Misschien volgen zij in deze de openbare meening, waarschijnlijk echter oefenen zij hunnerzijds tevens een niet geringen, dus bedenkelijken invloed uit op hunne lezers.

Wanneer aan lezers, wien meestal de gelegenheid tot vergelijking of tot kritiek ontbreekt, dagelijks eenzijdige tendentieuze voorstellingen omtrent den oorlog worden voorgezet, is de werking gelijk aan die van een langzaam werkend, dagelijks toegediend vergif. Het gevolg ligt voor de hand. Het Nederlandsche volk zal steeds minder geneigd zijn, angstvallig vast te houden aan zijne onzijdigheid, gaat zijne sympathie en antipathie tusschen de oorlogvoerende partijen verdeelen en schroomt steeds minder deze ook te uiten.

Het is hier niet de plaats te wijzen op het hoogst bedenkelijke van dezen toestand voor land en volk, wanneer althans nog als vaststaand mag worden aangenomen, dat ons volk het eenparig een ramp zou achten, indien het land in den oorlog betrokken werd.

Maar waar hier wel de aandacht op gevestigd worden mag en moet, en wat aanleiding gegeven heeft om dit punt hier aan de orde te stellen, dat is het bedroevend feit, dat reeds nu onze tuinbonw-export dreigt van de niet voldoende onzijdige stemming van ons land het slachtoffer te worden. Waarschijnlijk zi.jn de tuinbonwers niet de eenigen, die zich te beklagen hebben, maar wij kunnen slechts voor ons zelven spreken, omdat ons de niet-onzijdige stemming, die men Nederland meent te moeten toeschrijven in het buitenland, ten kwade wordt geduid en omdat men de ontstemming daarover tracht te verhalen op de Nederlandsche tuinbouwers, die van den afzet naar het buitenland moeten leven.

De tuinbouw, in verscheidene zijner takken, beleeft een hoogst moeilijken tijd. Reeds zijn hier en daar noodgedrongen de loonen verlaagd, arbeidei's en administratief personeel ontslagen en is de finantiëele toestand van vele bedrijven zeer ernstig of onzeker. Met groote krachtsinspanning heeft men getracht zooveel mogelijk den export gaande te houden; waar zich maar een kansje opdeed, bleef het niet onbeproefd; maar toch zijn de uitkomsten over 1914 bedroevend en is de naaste toekomst zeer duister.

En in deze moeilijke omstandigheden wordt ons de strijd om het bestaan noodeloos nog zwaarder gemaakt door eigen landgenooten, door een deel van onze eigen pers.

Noodeloos, want wat bereikt zij met hai'e eenzijdige kiitiek, haar. haat en haar spotprenten? tieeft zij eenigen invloed op de wijze van oorlogvoeren of den loop van den strijd? Brengt zij ons ook maar één dag nader tot den vrede?

Neen, het eenige zichtbare en tastbare gevolg is de ontstemming der aangevallen partij en haar weerwraak op onzen onschuldigen handel. Het Centraal Bestuur heeft het nuttig geacht op deze ernstige gevolgen van onzen tuinbouw hier openlijk de aandacht te vestigen, in de hoop, dat diegenen onzer landgenooten, en daaronder in de eerste plaats de redacties van organen, die tot dusver gemeend hebben de openbare meening ten onzent te moeten voorlichten in éénzijdige richting ten gunste of ten nadeele van eene der oorlogvoerende partijen, zullen willen overwegen, welke ernstige Nederlandsche belangen daardoor worden geschaad. Zelfs waar het der Regeering niet mocht gelukken, hen te overtuigen van het gevaar, dat hunne houding in ’t algemeen voor ons land oplevert, wanhopen wij nog niet, wanneer wij een beroep op hen doen uit naam van hunne vele landgenooten, wier van het buitenland afhankelijk bestaan door de door hen opgewekte en voortdurend gevoede niet-onzijdige stemming zeer ernstig wordt geschaad. Wij wanhopen aan den uitslag van ons beroep op hunne medewerking te minder, omdat niet verlangd wordteen omslaan van antipathie voor eenige oorlogvoerende mogendheid in sympathie, maar slechts eene betrachting van die onzijdigheid, welke de Regeering heeft aangenomen en voorgeschreven.

„Een onzijdigheid, die” om nog eens den Minister van Buitenlandsche Zaken aan te halen „niet smoort de individueele sympathie voor den eenen belligerent of den ander; wat zij alleen vordert, is, dat de betuiging dier sympathie in toom worde gehouden, dat het publiek en vooral de pers zich zelf in bedwang houden.

„Onze onzijdigheid is zeer zeker niet een uiting van onverschilligheid of flauwhartigheid. Een onzijdigheid als de onze vereischt bij het volk karakter, zij is de bevestiging van onzen nationalen drang, van onzen nationalen wil om zelfstandig te blijven in ons doen en laten”.

Er zijn nog andere, hoogere belangen dan onze handelsbetrekkingen, van onze ongerepte onzijdigheid afhankelijk. In de schriftelijke gedachtenwisseling tusschen de Eerste Kamer en de Regeering over de Staatsbegrooting is in de Memorie van Antwoord o. a. gezegd:

„De beperking van het internationaal verkeer en de nationale concentratie der industrie, waarop- men in de oorlogvoerende landen bedacht is, schijnt der Regeering ook voor de toekomst een bedenkelijk gevolg van den thans woedenden oorlog. De roeping van neutrale Staten, in het bijzonder van ons land, is veeleer de herleving der internationale betrekkingen na den vrede te bevorderen”.

Voor den tuinbouw berust deze taak zonder eenigen twijfel op Nederland, —al was het alleen omdat het Secretariaat van den Internationalen Bond van Beroepstuinbouwers (U.H.P.1.) in Nederland gevestigd is. Maar bovendien is ons land door de intensieve ontwikkeling van alle onderdeelen van den tuinbouw en den geweldigen export ongetwijfeld het eerste tuinbouwland der wereld en als zoodanig zedelijk verplicht om na den oorlog het herstel der afgebroken betrekkingen tusschen de ons omringende landen zoo krachtig mogelijk te bevorderen.