is toegevoegd aan je favorieten.

De tuinbouw; officieel orgaan van den Nederlandschen Tuinbouwraad, jrg 3, 1915, no 9, 05-03-1915

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die taak zal veel takt en veel overleg vereischen, maar het zal een dankbare taak zijn, waarvan de Nederlandsche tuinbouw zelf in de eerste plaats de vruchten plukken zal.

Is voor de Nederlandsche belangen in ’t algemeen het vriendschappelijk samengaan der verschillende landen een gebiedende eisch, in ’t bijzonder geldt dit voor onzen tuinbouw.

„Wanneer de onderlinge vijandschap der volken mocht groeien” schreef een onzer groote dagbladen voor eenige weken „wanneer het nationalisme ten troon mocht stijgen, dan zoude de wereldrol van West-Europa in hooge mate worden bedreigd. Wanneer ieder land zij het onder ongunstige voorwaarden zijn behoeften gaat betrekken uit eigen fabrieken, wanneer iedere natie vaart met eigen schepen, dan is daarmede zeer zeker de algemeene welvaart verminderd, doch dan is in het bijzonder ondermijnd de positie van een aan zee gelegen Staat als Nederland, dat door ligging, door aard der bevolking en door historische ontwikkeling is aangewezen om bij internationaal verkeer een voor anderen nuttige en een voor zichzelf eervolle en voordeelige rol te vervullen”.

Tot zoover de ongenoemde schrijver. Het behoeft geen betoog, dat, afgezien van den hier, voor het geval dat het nationalisme het van het internationalisme in de toekomst winnen mocht, voorspelden achteruitgang van Nederland, de tuinbouw in ’t bijzonder zou te lijden hebben van de pogingen van het buitenland om zich zooveel mogelijk onafhankelijk te maken van den Nederlandschen toevoer. Waarschijnlijk zouden die pogingen wel gedeeltelijk falen, maar in plaats van noodzakelijke toeneming van uit voer zou slechts beperking en belemmering het gevolg kunnen zijn.

Het staat dus wel onomstootelijk vast, dat voor ons slechts van ongestoorde en levendige onderlinge betrekkingen tusschen de volken, van een gezond internationalisme heil en voorspoed te verwachten is. Zoowel uit welbegrepen eigenbelang als uit een hooger ideëel oogpunt behooren wij dus alle krachten in te spannen om na den vrede het herstel der goede betrekkingen tusschen de oorlogvoerenden te bevorderen.

Thans wordt nog dagelijks de onderlinge haat tusschen de oorlogvoerenden versterkt, en dreigen telkens ook buiten het oorlogsterrein maatregelen genomen te worden, die later weer ongedaan zullen moeten worden gemaakt. Vooral het karakter van economischen strijd, dat dezen oorlog eigen is, geeft daartoe aanleiding.

Tot in allerlei nietigheden wordt dit stelsel van weerszijden doorgezet. Zoo heeft men bij beide oorlogvoerende partijen toegegeven aan de neiging om variëteitsnamen van planten, fruit en groenten van eenigszins vijandelijken klank te vervangen door andere, ontleend aan eigen land. Dit geschiedt nu juist, nadat pas onder algemeene instemming besloten is tot het internationaal vaststellen van de juiste namen der tuinverscheidenheden en de Internationale Bond van Beroepstuinbouwers de eerste stappen tot verwezenlijking van dit denkbeeld heeft gedaan, waarvan de praktische uitwerking allerlei onverwachte moeilijkheden oplevert. De reeds vóór den oorlog hinderlijke verwarring wordt nu opzettelijk van alle kanten onbegrensd uitgebreid, tot groote schade en

last van den internationalen tuinbouwhandel na den vrede.

Het Centraal Bestuur van den Nederlandschen Tuinbouwraad heeft dan ook reeds besloten om, zoodra het oogenblik daartoe eenigszins gunstig lijkt, zich tot de bij de genoemde internationale organisatie aangesloten tuinbouwvereenigingen uit de oorlogvoerende landen te vp-enden, om haar te bewegen, haar invloed te willen gebruiken om het verdoopen van plantennamen tegen te gaan en tevens te bevorderen dat geene nieuwe namen worden gegeven, ontleend aan den oorlog, daar uit den aard der zaak ook dergelijke namen in de toekomst een belemmering kunnen zijn voor de algemeene verspreiding van de soorten, welke onder die namen zijn aangeboden.

Mocht die zeer bescheiden poging gunstig ontvangen worden, dan zou daarin voor het Centraal Bestuur een aanwüjzing gelegen zijn voor het doen van volgende stappen, zoodra de omstandigheden daartoe aanleiding mochten geven, en zou het pad geëffend zijn voor een geleidelijk herstel der handelsbetrekkingen en van het internationaal verkeer op vereenigingsgebied tusschen de oorlogvoerenden van heden.

Maar wanneer de Nederlandsche tuinbouw deze zijne internationale roeping na den vrede vervullen zal, dan is daartoe een eerste eisch, dat alle thans oorlogvoerende landen ons ten volle kunnen vertrouwen, dat geen hunner aanleiding hebbe tot achterdocht of onstemming tegen ons gedurende den oorlog, dat zij ten volle overtuigd zijn van Nederland’s loyale en ongerepte onzijdigheid tijdens den strijd.

Ziehier het verband tusschen onze onzijdigheid en onze aanstaande taak, niet alleen van toepassing op den tuinbouw, maar zeker ook op tal van andere bronnen van volkswelvaart. En daarom moge hier tenslotte met klem herhaald worden het beroep op allen, wien het aangaat, om toch een open oog te hebben voor de hoogere belangen, die hier op het spel staan, en mede te werken aan de schoone en bereikbare taak, die hier voor ons ligt.

Eene taak, die zeker op den duur meer bevrediging zal schenken dan de tijdelijke opwinding van een heftig partijkiezen in dit stadium van den oorlog. Zij, die in hun on-neutrale houding het verst gaan, smalen gewoonlijk op de naar hunne meening slappe en laffe houding van degenen, die betrachting van onzijdigheid verdedigen en toepassen. Zeker is eene partijdige houding gemakkelijker, daar zij geen zelfbedwang eischt, maar mede juist daarom geeft de onzijdige opvatting, die persoonlijke sympathie in een bepaalde richting niet uitsluit, blijk van fierheid en kracht. Immers zij is een uiting van die „hoogere neutraliteit”, waarvan Minister Cort van der Linden in zijne gedenkwaardige rede van 26 Januari gesproken heeft, toen hij haar kenschetste als „de vaste wil om ons zelf te zijn; de vaste wil om die hoogere goederen van vrijheid en van verdraagzaamheid, die ons volk in een historie vol van strijden en lijden tot zijn eigen goed heeft gemaakt, te handhaven en te behoeden tegenover iedereen.”