is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1852, 1852

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sneeuw en ]js ligt op u, trotsclie bergen, en doet u glinsteren in het heldere zonnelicht, dat gij duizendwerf weerkaatst; schitterend als kryslal is uw glans, en de reiziger staat met siddering u aan te staren. «Verheven, stout, wonderlijk!” roept hij uit.

Golvende korenaren, groene weiden zijn uw rijkdom, lirf dal, het oog des vermoeiden wandelaars verkwikt gij; schitterend mogt de glans zijn der bergen, zij is verblindend; sneeuw wit moge hun kruin zijn, zij vermoeit het oog'.

Wat kiest gij u, den trotschen berg, of het lieflijke dal?

Üit steile rotsbrokken en flonkerende steenen bestaat gij, trotsche bergen, afgronden zijn tusschen u waarin zich lievig klaterende stroomen storten, met een geraas, den donder gelijk. Zij storten zich in de diepe, diepe afgrond, waar duisternis heerseht en die men niet dan met eerbied durft uaderen.

Akkers en bloemen en zaclitvlieteude beeken bevat gij, hef dal, die den akker bevochtigen en brood doen voortspruiten, opdat de mensoh leve, en zijn gemoed zich verheuge, en hij God danke. die hem zooveel goeds schenkt.

Wat kiest gij u, den trotschen berg of het lieflijke dal?

Indrukwekkend stil en eenzaam zijt gij, trotsche bergen, mets wordt op uwe steenachtige toppen gehoord, dan het voortsnellen van eene gemsen kudde, die het