is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1852, 1852

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ders hem verhaalde van de groote daden van het voorgeslacht; hij dacht ook aan liet oogenblik, toen hij op e bleeke lippen der stervende moeder den laatsten kus rukte, en toen de vader met reeds brekend oog, hem het laatste vaarwel toeriep vóór het aanvaarden der gejieimzinnige reize.

H,j had eene zuster gehad! Zij was verdwenen. Voorheen, ja, in vroegere dagen, de lentedagen van zijn leven, herinnerde hij zich haar gekend te hebben als een hef, aanvallig kind, dat vrolijk naar hem heenhuppelde dat met hem schreide en lachte ; maar dat lieve’ aanvallige kind scheen slechts eene bedriegelijke gestalte] zooals men zich die droomt in de droomen der kindsheid. Eene koude, hartelooze wereld had haar lot haar eigendom gemaakt, haar hart was verstijfd, gelijk de vorst eene bloem doet verstijven – neen ! dat was zijne zuster niet meer!

Ook een vriend had hij gekend! Op hem had hij bebouwd als op eene rots. Geen sterveling had zich ooit in grooter vertrouwen kunnen verheugen. O, had hij het voorheen geweten, dat die hand, die zoo dikwijls met vuur de zijne drukte, door zijne vijanden was kocht, dat die tong, die hem zoo dikwijls woorden der vriendschap had doen hoeren, zijne dierbaarste geheimen voor de wereld had onthuld, dat dit oog, schijnbaar zonder eemg bediog, het oog was geweest eens verspieders, Jnj had die hand wel tussehen zijne vingers willen verbrijzelen, die tong willen uitrukken, dat oog voor