is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1854, 1854

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, wat zij zich als een waar student, als het ideaal van een zoon der Alma Mater voorstellen, dan zou ik weer heel wat verschillende antwoorden bekomen. De een zal mij zeggen, of zoo hij het niet ronduit zegt, dan denkt hij het toch : «een waar student is hij die zich volkomen verheven acht boven het oordeel van al diegenen die geen student zijn, dat is, van alle ploerten; die voor die ploerten eene zekere minachting koestert en er zich op toelegt om toch zoo weinig mogelijk met hen gemeen te hebben, die zooveel mogelijk alles najaagt wat chiek en studentikoos is, alles wat dienen kan om hem tot een fideel student te maken, die voor eiken dag der week een anderen stok en een anderen pet heeft (een rooien niet te vergeten) en vooral een vreeselijken ploertendooder, die ’s zomers altijd met zijn beenen uit de raam en ’s winters altijd met zijn beenen op de tafel zit, die nu en dan eenige gekke buijen en dwaze invallen heeft en in alles toont dat hij een gansch buitengewoon mensch is.”

Vraag ik er een ander naar, hij zal hem een waar student noemen, die begrijpt dat hij leeft alleen om pret te maken en gloeijende feesten te vieren, die altijd praat van barre lollen, van rougehords, glazen poenitet en bokalen, wien het «daar ga je,” en »om je te bedanken,” als in den mond bestorven ligt, die altijd droomt dat hij het woord vraagt en toasten slaat zonder eind, en lö vivat zingt dat de grond er van davert, die half woont op de