is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1854, 1854

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terug, maar ’t is toch lief, het kopje dat zoo eenvoudig uitkomt tegen de plooijen van ’t sneeuwwit negligé, met dat snoeperig boordje rond den blanken hals.

Wederom leest Willem; maar nu luistert zij aandachtig toe, maar toch niet zoo aandachtig, dat haar oog niet eens van tijd tot tijd afdwaalt naar dat wiegje, dat zoo zorgvuldig in de schaduw staat om den slaap van 't zoete kind niet te storen.

Ziel daar opent het toch zijne oogjes; daar beweegt zich het handje wondersnel boven de lakens, en tracht zich de kleine los te wringen van onder het lastige dek. In een oogwenk is het in hare armen; zorgvuldig legt zij het op Willem's schoot, en op hare knie gebukt beschouwt zij in zalige verrukking het lieve gelaat van haren eerstgeborenen, die daar naar beiden tegelijk de mollige armpjes uitstrekt.

Schilder! kent ge een poëtischer groep dan van die drie gelukkige wezens; hebt ge schoener onderwerp dan dat zalige oogenblik in de woning van den dorpspredikant?