is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1856, 1856

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en NB. 4'‘" t De noodige vrijmoedigheid ” om al de dwaasheden voor den das te brengen.

Het kan niet missen volgens hem, of de toehoorders zullen »in het denkbeeld gebragt worden, dat de redenaar een Apollos is.”

Dit alles is de inleiding tot het vertoog waarmede onze schrijver den schat van geleerdheid vergroot, waaruit de jonge prediker, die soms dezen text tot het onderwerp zijner rede zoude willen maken, kan kiezen. Het betoog behelst vier dingen.

Ten eerste : »dat het de paarden der Egyptenaren waren.”

Ten tweede bewijst hij, dat wel de Cymbalen opschriften hadden, maar dat niemand dit van de bellen had bewezen.

Ten derde redeneert hij : de Chinezen stammen van de Egyptenaren af, of deze van genen. (Dit laat hij aan de Chinezen over.) De Chineesche paarden dragen bellen dus de Egyptische ook.

Ten vierde : De liefhebberij der Egyptenaren voor opschriften is bekend. Dus hebben zij waarschijnlijk opschriften ook op de bellen der paarden gezet.

Dit alles is doorspekt met bijzonderheden uit de oude geschiedenis. Tot zoover zijne verklaringen. In zijne »Nalezingen” komt een brief van 9 een geleerden vriend” voor, die er geheel wat anders op gevonden heeft. Volgens hem zijn het geene bellen maar toornen, die geluid geven; dit wordt gestaafd met de aanhaling van allerlei