is toegevoegd aan je favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1856, 1856

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang hij aan de Academie was tot aan de kin toegeknoopt gedragen. Eene oude zwarte zijden das met een slordigen strik, en soms een verknoeid en morsig halsboord, was zijn eenige opschik. Hij was eer klein dan groot, zijn gelaat was zeer onbeduidend, zijn glimlach alleen mogt terugstootend heeten, als zijn grove lippen zich tot scherpe trekken zaamplooiden en zijn klein grijs oog eene onheilspellende flikkering aannam. Piet Bank was eindelijk een van die jongelui, waarvoor men op’t eerste gezigt onbewust een gevoel van af keer en walging koestert, en dien men later gaarne uit den weg gaat, zoo hij er zich onverhoopt soms op mogt vertoonen.

Eduard gevoelde op dit oogenblik meer dan een zich onbewusten af keer, hij haatte, wat meer is, hij vreesde Piet Bank. Was het daarom dat hij op bijna vriendelijken toon antwoordde :

»Je plan zal wel bijval vinden, denk ik , er zullen jongelui genoeg zijn, je zult me dus kunnen missen, want ik moet van avond bepaald nog wat nazien voor mijn Candidaat’s examen, dat ik over 8 dagen doen zal.”

dJou missen? neen amice! onmogelijk, je begint pas mee te doen, we moeten je juist hebben, ’t Spreekt van zelf dat je me van avond de beloofde 25 pop meebrengt van van morgen.”

Een donkerrood bedekte Eduards wangen. Hij kuchte eens, keek verbijsterd zijne kamer rond, doch antwoordde niet.

»Je begrijpt,” ging Piet Bank voort, terwijl hij