is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1856, 1856

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zei niets van zijn toekomst, maar wees in het zand,

Daar had toch met sierlijke letters zijn hand

Maria geschreven bij ’t praten.

En de andren? Zij zagen elkanderen aan

En mokten en zuchtten en zwegen,

De veldheer had voor haar zich bijna ontdaan

Van ’t hopen op pluimhoed en degen.

Ook de bultnaar had liever dan ’t goed en het goud

t’Aanvaarden, de schoone Maria getrouwd,

Voor hem in ’t geheel niet geschapen.

Een lente vloog heen en een lente kwam weer.

Zoo ging het een aantal van jaren.

Thans zit op het heiveld een knaapje ter neer.

Waar vroeger drie knapen eens waren.

Op Bali is ’t hart van den zwarte doorboord,

De bult’naar werd op zijne geldkist vermoord...

De zoon van den blonde hoedt schapen.

CONJECTÜEEN MAKEN.

Het sotste van all ’t sott, is ’t menschelick gegiss,

lIÜÏGENS.

6*