is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1856, 1856

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONNOOZELHEID.

Ik dacht in ’t geheel niet aan Eoosje,

We gingen te zamen door ’t woud,

We spraken van allerlei dingen-p'

’t Was stijve, ’t was zoutlooze kout.

Ik stapte bedaard naast haar zijde,

Mijn hart was zoo koud als een steen,

Ik sprak haar van bloemen en boomen,

Haar oog scheen te vragen : »meteen ?”

Het mos was donzig en weelig.

Het woud gaf spaarzamen dag,

’k Ging voort, ik hoorde de merels

En Eoosje den nachtegaalslag.

’k Was zestien jaren en bloosde,

Zij twintig, met oogen als vuur,

De nacbtegaals zongen haar liefde,

Voor mij echter zweeg de natuur.