is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1856, 1856

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar de Geest der Godheid zweeft,

Die met onbevlekten luister

Neêrgedaald in ’t aardsche duister

In uw grootsehe schepping leeft.

Als ons ’t vuur van woeste driften

Sneller ’t bloed door de ad’ren jaagt,

Eampen ’t leven ons vergiften,

Wanhoop aan ons harte knaagt :

O dan storten uwe akkoorden.

Die wij in verrukking hoorden,

Vrede in onzen boezem weer.

En het zwaard, ter wraak geslepen,

En in gramsehap aangegrepen,

Valt uit onze handen neer.

Ziet 1 daar rijzen voor mijne oogen

Beelden uit een ver weleer.

Met een stralenkrans omtogen,

Zwevende in de reinste sfeer.

Hoog gestemde dichtrenseharen,

Zangers met bezielde snaren

Heffen aan met kracht en klem :

Eotsen luist’ren waar zij zingen.

Tijgers kan hun lier bedwingen,

Steden rijzen op hun stem.