is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1856, 1856

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie zou groeten Pier nog noemen,

Wie zijn daden heden roemen.

Had hij slechts gemak bedoeld;

Had hij ’t zwaard niet uitgetogen,

’s Vijands trotsohen nek gebogen,

Hem de voeten niet gespoeld?

’k Wil ook mij der zee vertrouwen.

Haar met oorlogs-brikken bouwen,

Zuiv’ren van Duinkerken’s vloot.

En den krijgshoed om de slapen,

Zwaait hij tier het glinst’rend wapen.

Dat vooruit Spek-Jan al doodt.

Tjcsck-moei zag uit verre streken,

Hoe zij reeds het land ontweken;

En in tranen zwom haar oog,

A.ls zij ’t rigtte naar de kusten.

Of op ’t schuimend nat liet rusten.

En de stramme knieën boog.

Wif, (zoo klaagt ze) welke zinnen!

Wif, wat wilt gij nu beginnen,

Wif, is ’t land voor u een straf?

Wif, kon moeder ’t hoofd op steken,

Wif, het harte zou haar breken,

Wif, zij wendde zich in ’t graf.