is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1857, 1857

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

» Kom met mij, waar mijn bloemperk staat,

«Daar zal mijn vinger zachtkens u in de aarde schieten,

»En zal mijn hand u daaglijks trouw begieten.

«Met ’t heldre water uit de stille vliet.

«Daar naakt de woeste orkaan, de wilde stormwind niet.”

Maar ’t roosje zei ; «Ach laat mij groeijen.

»Waar ik deez’ morgen eerst begon te bloeijen.

«’t Is hier zoo ruim, zoo eenzaam en zoo frisch,

»Dat ’t mij hier liever dan in ’t veiligst bloemperk is.

» En valt de daauw niet zachter, dan het water uit de beken?

«De orkanen zijn sinds lang deez’ eenzaamheid ontweken.

> Geen wand’laar strekt de wreede hand naar mij,

«Ja de eerste, die mij zag, waart Gij.”

Zoo sprak het roosje. ’k Ging beangstigd henen,

En keerde s’uchtends weer. Maar ’t roosje was verdwenen.

Vergeefs zocht ik het plekje, waar het had gestaan,

De orkaan was over ’t vlakke veld gegaan.

En ’t roosje was als ’t brooze scheepje door de golven,

In ’t opgedreven zand bedolven.

Rhadopililf»

14 Sepi. 1856.