is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1859, 1859

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar lag hij, levenloos, ’t gezigt

Toch schoon, in ’t vale morgenlicht;

Toen tlonk een stem, die als een ster

Viel van den hemel, klaar en ver:

Excelsior!

Februarij.

IX.

SCHEMERING.

Droef en vochtig daalt de scheem’ring,

En de wind huilt over ’t meer;

Als de vleug’len van een zeemeeuw.

Valt het schuim der golven neer.

In het hutje van den visscher

Schijnt een lichtje, droevig zacht;

Aan het venster ziet een knaapje

Dit in ’t donk’re van den nacht.

Vast drukt hij ’t gelaat aan ’t venster;

’t Is of hij voortdurend staart.

Of hij in de donk’re verte

Ook een zwakke vorm ontwaart.