is toegevoegd aan je favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1859, 1859

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemming van het weder daarbuiten als het ware in deze stille woning schijnt te zijn binnengedrongen, en uitgedrukt staat op aller gelaat’. Of merkt ge ’t niet op, dat de moeder zich thans niet bezig houdt met de kijkjens in haar spion , maar haren somberen blik laat rusten op den knaap tegen haar over , en soms heimelijk een’ traan wegpinkt, dien zij niet gaarne opgemerkt zag ? En de Vader, geen woord hebben we nog uit zijnen mond vernomen ; in stil gepeins verzonken zit hij daar neder: hij heeft zelfs zijne pijp weggelegd, als smaakte zij den anders sterken rooker heden niet. Ook den knaap zien wij niet in zijne gewone stemming. Wat zit hij stil daarneder , hij , die anders het gantsehe huis met zijn gezang en gefluit plagt te vervullen, of de vrolijkste, „erregendste" marsehen aan zijne piano ontlokte. En toch , men kan het hem aanzien hoe gaarne hij zich groot wil houden, telkenmale waagt hij een gesprek aan te vangen, zonder baat; de gedachten schijnen daar evenvlugtig te wezen als de wolkjens, die daar henen vliegen aan de donkere, lucht.

Zoo zitten ze daar; en ofsehoon de avond lang reeds is begonnen te vallen, verlicht het gezellige groene lampjen, als gewoonlijk, den kring nog niet. ’t Is alsof men er tegen aanzorgt, zich dezen avond tot dien kring te scharen.

En geen wonder! Wat uwe verbeelding, zelfs al zag ze gepakte koffers en kisten in den gang over