is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1860, 1860

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar het meisje zat te treuren

In de digt gesloten eel.

Niemand opende de deuren ,

Zelfs de jonker niet, zóó fel.

Eind’lijk na een vijftal dagen

Hoort zij ’t schettren der trompet.

Zij , sehoon dorst en honger plagen ,

luistert: ’t is haar vader met

Hem, dien hare hand behoorde.

Zij herkent ’t trompetgeschal.

Hoe zij duizend zuchten smoorde,

Vreezende voor ongeval!

Maar op eens verneemt zij stappen

En zij slaakt een raauwen kreet

Daar, daar hoort zij op de trappen

Zijnen voetstap uit is ’tleed !

Ziet! daar opent hij de sloten

Treedt hij binnen gausch verblijd

Maar haar lippen zijn verschoten ,

Daar zij ijslijk honger lijdt.

„ Zijt gij daar ? O , o, hoe blijde .. . I •

Zegt zij, maar hier zwijgt haar mond

Aeh I wat aak’lig lot hem beidde ,

Daar hij nu haar lijk slechts vond!

En van diepe smart bewogen

Blies hij d’adem uit met haar,

En haar vader schreit zijn oogen

Blind door ’t groote rouwmisbaar.