is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1862, 1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

’t Was guur reeds, ’t Zangrig volkjen was gevlugt naar ’t Zuid’;

Met gansclie zwermen was het heengetogen ,

En ’t vrolijk, helder lied , dat in de hooge hogen

Van ’t woud zoo lang weêrklonk met wonderzoet geluid,

Was weg gestorven al die schoone koorgezangen ....

Ze waren door ’t geloei des najaarsstorms vervangen.

De bloemen vielen uit en af; slechts hier cu daar

Kwam door ’t geblaêrt een enkle nog verschijnen ,

Alleen om bij den laatsten zonneglans te kwijnen ,

Verflensd, verkleurd en uitgedroogd, en in ’t gevaar

Elk oogenblik , dat soms de storm haar steel mogt breken ,

Waardoor ze ligt één dag te vroeg zou zijn bezweken.

’t Werd scheem’ring , vaal en graauw. De woeste storm hield aan

Met ijzrcn kracht, zoo ’t scheen door niets te stuiten;

’t AVerd angstig voor den euklen mensch . die soms daar buiten

Nog toeven mogt, en vast niet lang zich zou heraen ;

Maar met gerepten voet zich huiswaarts spoên , en letten,

Ja, angstig letten of geen boom hem kwam verpletten.

Toch toefde er ééne in Hhosch, niet vreczend voor den wind.

Zich niet bekreunend om gevaar voor t leven ,

En zoo zij huivrig soms langs heel beur lijf mogt beien ;

De koorts voer door beur leen : een moeder en beur kind

slet haar, gedragen in een doek aan moeders boezem

Ecu kind, gekweekt in ’t wilde , en toch .... een lentebloesem 1