is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1862, 1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat wonder dan, dat ]iij, die zoo onafhankelijk handelt, die zoo onafhankelijk gevoelt, zich niet kan laten kluisteren door de boeijen, die het spraakgebruik en de taal hem willen opleggen. Elk juk is hem ondragelijk, zoude hij zich dan laten dwingen zijne gedachten in vormen te kleeden , die door anderen zijn voorgeschreven ?

Neen! dat woord „kamer" is hem te lang, hij moet dat woord te dikwerf gebruiken , hij heeft een monosyllabum noodig en hij zegt: „ kast."

Welnu dan, Lezer ! als ge van plan zijt aan mijn verlangen te voldoen , dan staat gij thans voor de deur van mijn kast. Treed binnen ! Werp maar geen’ blik op de meubelen, de platen etc. gij ziet daar niets bijzonders aan, want mijn //kast« ziet er juist precies zoo uit, als de meeste andere kasten ; gij vindt er den //luijaard//, eenige series op do deur, een paar insignia en den rooden pet aan den spiegel etc. etc., alles zoo als dat op een’ ordentelijke kast pleegt te zijn.

Bij uw binnentreden vortoonen zich aan uw oog twee personen, die naar hunne heftige gebaren en den blos, die op hunne wangen gloeit, te oordeelen, in eenen ougewonen gemoedstoestand schijnen te zijn. En waarlijk ! daar is wel reden toe; verbeeld u namelijk, dat mijn beste vriend Ernst van Hagen en ik (wij toch zijn de beide personen in quaestie) reeds gedurende ruim twee uren aan het discuteren geweest zijn over ja ! waarover, dat zult gij zoo aanstonds vernemen.