is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1862, 1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe bevallig vielen die lange, zijden lokken, de ravenwiek tartende in kleur, over den gevulden blanken hals en het huidfluweel der ronde schouders; wat schoten die gazellenoogen, donker als de nacht, verzengende vlammen, wier stralen het bloed met verdubbelde kracht door de aderen joegen; wat ontdekten die bloedkoralen lippen een glinsterende tandenpracht, aan twee snoeren parelen gelijk; wat liefelijke kuiltjes in die zijden wangen door d#n vuur’gen dagvorst nog niet gebruind; hoe luchtig zweefden die voetjes, niet meer dan een vinger lang; hoe bevallig wiegde zich die slanke gestalte op de breede heupen; wat was die nanoen houding edel. Terwijl ik zoo zat te soezen en eene vergelijking maakte tusschen de Milanesche schoonen en die van Cadix, door Bijron bezongen, had mijn vriend een dunk gesprek aangeknoopt met een officier en ik was blijde dat er zich eene gelegenheid opdeed, die «iiJ in staat stelde hetzelfde met mijne buurdames te kunnen doen.

In eerst wilde de conversatie, althans met de jongste met goed vlotten, daar wij zamen Italiaansch spraken, hetgeen wij geen van beide genoeg kenden en reeds stond ik in beraad of ik het ook in het Engelsch zou moeten proberen, toen de oudere dame eene einde aan mijne aarzeling maakte, door hare dochter eenige woorden in het Fransch toe te voe-en.

Na een vrij levendig discours, waar mijn vriend zich spoedig in mengde, moesten wij van onze schoone