is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1863, 1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

auditorium, uitroepen. „Daar heb je de vent! Heb je nog al ’t land I Ben je nog al op je gemak ! Hoe laat opgestaan? Een bad genomen? Heb je wel een kop koffij gedronken? Van daag zeker niet meer uitgevoerd ? Kom aan , vooruit met de geit.”

Op eens scheidt zich de drom , want de professor, onze waarde eumelias , tijgt naar de deur van het vertrek, dat althans nu tot over eenige oogenblikken, alleen voor de leden der faculteit openstaat. Hij loopt snel en ziet strak en pijnzend voor zich. ’s Mans uiterlijk te beschrijven acht ik niet noodzakelijk. Ik zoude misschien mij aan hetzelfde euvel schuldig maken als hij bij roekvink. Bovendien nemen alle zoölogen aan, dat de uiterlijke kenmerken de slechtste ter classificatie zijn.

Maar ter zake. Uiterst beleefd beantwoordt hij den groet van allen die een’ plaats voor hem inruimen. Maar toch is iets in dien groet, niettegenstaande het gemoedelijke dat er in doorstraalt, dat alle harten sneller doet kloppen. Is het van enthousiasme voor dien man? Neen. Is het door vrees? Evenmin. Dan is de oorsprong er van noodzakelijk in iets anders gelegen. Zooveel is zeker, dat die man die daarhenen gaat. (ten minste de menschenkenner, zou’ dien indruk ontvangen hebben,) nimmer een’ student heeft begrepen, en dat er weinig kans bestaat, dat zij elkander begrijpen zullen.

„Hm!” bromt er een uit de menigte, „hij zal je