is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1863, 1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel heeft willen verwaardigen met mij in verband te tredenzeide ik nog eenmaal. En ik sprak nog eenige malen het alphabet uit. De geest antwoorde een v, een o, een e, een t, een i, de andere letters waren niet duidelijk aangegeven, „voetius!” riep ik uit, „hemel! laat mij niet langer in die vreesselijke onzekerheid ? Zijt gij het waarlijk, wiens geest met mij nietswaardige, wenscht te spreken 1” Twee verschrikkelijke slagen volgden ; ik werd aangegrepen en stortte van mijn’ zetel neder. Het krachtvolle wezen was dus niet ongeneigd met mij te onderhandelen.

Met inspanning stond ik weder op en bragt bet zoo ver, dat ik mijn’ stoel bereikte en mij weder op het meubel plaatste, maar de werking was nu zoo hevig, dat ik naauw de beweging er van kon volgen Alles werd mij groen en geel voor de oogen, ik hoorde niets meer dan het ruischen van het water en alles werd ten laatste water (een klotsende vloed) voor mijne oogen. In die klotsende vloed verrees een gebouw van eene zonderlinge vorm, het beste scheen mij de gedaante met die van eenen burg te kunnen worden vergeleken. Achter dat gebouw ontwaarde ik alras een kerkhof en over dat kerkhof verspreidde zich een zwarte damp. Aan gene zijde van het water verrees land, maar het land was nog altijd door water van den burg gescheiden. Alstoen meende ik de twee oprigters der Utrechtsche hoogeschool voor mij te zien, zooals ik ze nog op denzelfden middag bij het examen van