is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1864, 1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een aardig jong meisje; maar ietwat coquet,

Dat lokte behendig een jongman in ’t net:

De man w'as tot over zijn ooren verliefd ,

Hij waagde de coup, maar werd bitter gegriefd :

Hij stootte zijn scheen en ging ho]>eloos heen ,

Toen bleef daar het grillige nufjen alleen

En zuchtte heel teer:

«Dat *s eens ; maar nooit weêr !«

Maar later heeft zij nog twee andren versmaad ,

En daarna was ’t voor de bekeering te laat,

En ’t aardige meisje bleef hoop’loos alleen

Werd oud ouder zuchten en leelijk meteen

Want, zuchtte ze ook teêr :

Geen vierde kwam weer.

Een oudachtig heertje werd weduwenaar :

Zijn vrouw was ter ziele en lag op de haar.

Haar mondje, dat klappen kon, vinnig en grof.

Was potdigt gesloten en zweeg als een mof.

De weduw’naar kleedde zich diep in den rouw,

Toch zuchtte die veinzaard op *t graf van zijn vrouw :

«Goddank ! dat’s één keer ;

«Maar ook nimmer weer !»

Maar ziet, twee jaar later vergat hij dien zucht,

Toen werd het bewaarheid , dat wonder gerucht:

De grijsaard van zestig a zeventig jaar

Geleidde een jong weenwtje voor ’t huw’lijks-altaar.

Toch zuchtte dat heer :

«Dat ’s ééns; maar nooit weêr \n