is toegevoegd aan je favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1865, 1865

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich dit gevoel van dankbaarheid schoener of welsprekender uitgedrukt dan in zijne Memoria Clarisaii, welke wij niet kunnen lezen, zonder dat zich ‘gestaag onze bewondering verdeelt tusschen eenen Leeraar van zóó schaars vereende gaven, en den leerling, die den roem zijns leermeesters zóó waardiglijk vereeuwigd heeft. “Veel meer nog in clabisse, dan in eenen schultens of VENEMA, zag en vond hij het ideaal eens echten Godgeleerde, ’t welk hem zèlven bestendig voor oogen zweefde, en dat hij, bij de teekening van dat beeld, aan anderen te aanschouwen gaf.

Maar die waardschatting van onmiskenbare verdiensten beperkte zich tot zijne leermeesters, vrienden of landgenooten niet. Men heeft slechts zijne Chartae Theologicae te openen, waarvan de eerste fasciculus in 1853, de tweede in 1857 verscheen, en eerlang, zoo een zijner zoetste wenschen nog ware vervuld, een derde stuk zou gevolgd zijn, om eene gansch niet karige hulde aan de wetenschappelijke verdiensten van buitenlandsche Godgeleerden te zien toegebragt. Mogt hij al zoowel zijne antipathiën als zijne sympathiën hebben, (men denke b. v. aan SCHLEIJEEMACHEE en keandee) het plagt toch zijn doorgaande stelregel te zijn: „plurima übi nitent,

Eeue leerrede, en eene Redev. met aant. Utr. 1840. Leerrede ter aandenking aan H. 3. koyaakds. Utr. 1854. Narratio de H. J. üOYAAKDS, ChrisÜ Socieiatis Traj. 1856.