is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1866, 1866

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is nacht. Donker steekt het spitsche atappen dak van den dhalem af tegen het uitgestrekte hemelgewelf. De koele nachtwind rLiischt door de hooggetopte Waringiboomen en treurig fluisteren de bladeren van lang vergeten dagen toen eerlijkheid en trouw noch in eere waren maar hunne zachte stem gaat weldra verloren in het gedruis eener woeste menigte voor het paleis.

De gevangene z.oü komen de groote taeoeuadjaia!

Welk een gespannen verwachting spreekt uit aller oogen; hoe dof dreigend is hun gemurmel, hoe zenuwachtig hun lachen; zie hoe vaders hunne zonen verhalen van zijne groote daden, wonderen van zijne kracht en zijnen moed; hoe moeders weenen met hare dochters, om het lot dat hem zonder twijfel wacht.

Menige bede werd er dien avond tot Allah opgezonden voor den ongelukkigen prins, die zich van allen verlaten en verraden achtte. – Had hij het geweten, wellicht had de gevangenschap zijn trotschen geest minder gedrukt, misschien had hij met meer vertrouwen voorwaarts gezien naar de geheimenissen der toekomst.

Daar komt hij!

De woelende menigte golft als een zee op en neder. Nu en dan klinkt een woeste kreet boven het rumoer uit op eens is alles stil; hij komt!

Welk een gestalte! De weelderige ravenzwarte lokken vallen golvend van het hooge voorhoofd neêr